kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30-10-2012 voor het laatst bewerkt.

Postmodernisme

Post-modernisme

Vaag gedefinieerd trefwoord van de literatuur- en cultuurkritiek van de hedendaagse tijd.

Eén van de eerste broeihaarden van het eigenlijke postmodernisme ontwikkelde zich in de jaren '60 in de literatuurwetenschap van figuren als Leslie Fiedler en Susan Sontag. In 1960 publiceerde Hans Magnus Enzensberger een anthologie van internationale lyriek, waaraan hij de titel 'Museum der modernen Poesie' (Museum van de moderne poëzie ) gaf. Deze titel is als provocatie bedoeld, niet gericht tegen de opgenomen dichters, maar doelend op het feit dat de moderne tijd met haar veelvoud aan stijlen (expressionisme, estheticisme, futurisme etc.) reeds meer dan honderd jaar oud is en zodoende zelf geschiedenis geworden. Daarom, voert Enzensberger aan, bevinden wij ons reeds in de postmoderne tijd.

Waarom dit juist op dát tijdstip zijn plaats gevonden zou moeten hebben, is bepaald door de maatschappelijk-geestelijke situatie van die periode. De stijlvernieuwingen hadden zich in epigonendom uitgeput, het met de zoektocht naar vernieuwingen verbonden geloof in de vooruitgang van de moderne tijd was, door het in diskrediet raken van de linkse idealen in de praktijk verouderd, en de invloed van de media op de maatschappij (radio, bioscoop, televisie) deed de elitaire kunstopvatting van veel moderne schrijvers ondemocratisch lijken. Zo kondigde bijvoorbeeld de Amerikaanse literatuurtheoreticus Leslie Fiedler in 1968 in zijn (tekenend genoeg) in de 'Playboy' verschenen essay 'Cross the Border and close the Gap' (Stap de grens over en dicht de kloof) het eind van de esthetisch vooruitstrevende bellettrie aan en pleitte voor een vermenging van het verhevene met het triviale. 'Tarzan' en James Joyces 'Ulysses' mochten niet meer door een kloof gescheiden zijn, en beide dienden integendeel in het vrije en ironische gebruik in de gelijke mate gewaardeerd te worden.

Hoewel het bijzonder moeilijk is om over het postmodernisme algemene bepalingen te geven, is één van de meest fundamentele filosofische kenmerken waarschijnlijk het relativisme. Volgens het relativisme is alles wat we weten relatief. Geen enkele kennis of waarde mag nog als absoluut beschouwd worden. Fundamentele waarden of ideologieën die ooit houvast boden, worden in vraag gesteld. Het postmodernisme wordt gekenmerkt door een diep wantrouwen in de grote ordenende principes als religie, politiek, wetenschap, kunst en door een radicale twijfel aan de kenbaarheid van alles wat is. De positie waarin de mens zich dan bevindt, noemt men met Lyotard de ‘condition postmoderne'. Er wordt geen geloof meer gehecht aan de zogenaamde meta-vertellingen, elementen zoals bijvoorbeeld het christendom die ons leven en denken zijn fundamentele structuur of verantwoording geven. Ook wordt er gebroken met de rationalistische traditie van de Verlichting. Typisch westerse opvattingen over rede en rationaliteit worden van hun voetstuk gehaald. Andere beschavingen of culturen moeten beoordeeld worden op hun eigen waarde, en niet volgens de traditioneel superieur geachte westerse normen. Iedereen kan van iedereen leren. Dat geldt niet alleen voor culturen, maar ook voor kunstvormen en wetenschapsbeoefening. In verband met die laatste twee huldigen postmodernisten vaak een zogenaamd interdisciplinaire aanpak. Dat betekent dat verschillende kunstvormen met elkaar gecombineerd kunnen worden en dat verschillende takken van de wetenschap (bijvoorbeeld filosofie en fysica) van elkaar dienen te leren.

Vanaf de jaren '70 verspreidde het postmoderne zich dan ook naar andere domeinen van de cultuur. Zo kon je het label postmodern stilaan ook aantreffen in de wereld van dans en architectuur, en later ook in de (sociale) wetenschappen.

Door de stellingen van de poststructuralistische en deconstructivistische filosofen uit de VS en Frankrijk (Paul de Man, Roland Barthes en Jacques Derrida), kregen de thesen van het postmodernisme in de jaren zeventig een filosofische onderbouw. Hierna was de klassieke rol van de auteur als schepper omstreden; het was nu veeleer de tekst zelf, als een oneindige grammaticale keten van ergens naar verwijzende samenhangen, die de producent van de betekenis was - een betekenis weliswaar, die geen betrekking had op de werkelijkheid buiten de tekst. Aan de basis van deze provocerende beweringen lag, naast de reeds genoemde overwegingen, de volgende politiek gemotiveerde mening: de traditionele begrippen en denkmodellen hebben hun algemene geldigheid verloren, omdat ze op een identiteits-denken stoelden dat de werkelijkheid determineert en aan een noodlottige regeldwang onderwerpt. De fatale uitwerkingen van deze dwang zijn merkbaar doorheen de geschiedenis (o.a. bureaucratie, heerschappij van rechtse en linkse ideologieën). Daarom dient, zoals Jean-François Lyotard in zijn werken ('Het postmoderne weten', 1973; 'Het verschil', 1985) constateert, tegenover het denken in eenheden een gedifferentieerd denken te staan.

Het is in postmoderne kringen erg 'in' om modernisme en postmodernisme te vergelijken aan de hand van begrippenparen. Rationalisme/emotie vormt bijvoorbeeld zo'n begrippenpaar, waarbij het modernisme gekenmerkt wordt door rationalisme en het postmodernisme door emotionaliteit. De volgende tegenstellingen, gebaseerd op een begrippenlijst van Gust de Meyer, kunnen meer duidelijkheid brengen. In het algemeen plaatste het modernisme rationaliteit boven emotie, terwijl in het postmodernisme emotionaliteit en plezier juist meer gewaardeerd worden dan rationaliteit. Wat de zogenaamde levensbeschouwing betreft, geloofde het modernisme nog in de grote ideologieën (in de politiek bijvoorbeeld liberalisme en socialisme), terwijl het postmodernisme meer waarde hecht aan kleine, individuele verhalen. In verband met morele aangelegenheden aanvaardden de modernisten opgelegde waarden, terwijl de postmodernisten inzake waarden meer heil zien in de persoonlijke beslissingsvrijheid. In de culturele wereld maakte het modernisme nog een onderscheid tussen hoge en lage cultuur; het postmodernisme weigert een hiërarchie te aanvaarden en vermengt de beide zelfs. Voor postmodernisten hoeven de Spice Girls niet onder te doen voor William Shakespeare.

Op het vlak van de literatuur had de postmoderne discussie een uitwerking in de jaren tachtig. Het meest belangrijke voorbeeld hiervoor is de in 1981 door umberto eco in gepubliceerde roman 'De naam van de roos'. Daarin zet de auteur op een indrukwekkende manier de twijfelachtigheid van de historische ontwikkeling uiteen, van het rationele, uniforme denken en van een door regels bepaald denkbeeld van de literatuur. Het dogma van de identiteit stelt hij bloot aan de lach van de relativiteit en de heterogeniteit en pleit tegelijkertijd voor een visie op de wereld, waarin de interpretatie van de tekens nooit tot een systeem versteent, en vragen nooit tot vaste antwoorden, maar steeds tot nieuwe vragen leiden.

Naast Eco bestaat er een groot aantal auteurs, die in hun werk aan hetzelfde principe uiting geven, bijvoorbeeld in Duitsland Hans-Josef Ortheil, in Oostenrijk Christoph Ransmayr, in de VS thomas pynchon en in Italië italo calvino. Men mag echter niet buiten beschouwing laten, dat de hier genoemde schrijvers zichzelf niet met zoveel woorden als postmodernisten beschouwen. umberto eco bijvoorbeeld wijst deze benaming als 'passepartout-begrip' af. In dat opzicht richt de kritiek, die van veel kanten tegen de omschrijving postmodern te horen was, zich minder tegen de schrijvers waarop dit etiket geplakt werd, dan tegen de theoretici en hun volgelingen, die hun individuele meningen tot een algemeen geldig systeem hebben laten verstenen. Men beschuldigt hen van vrijblijvendheid en van een beoogde semantiek, en dit zou de verantwoordelijkheid van de mens en de bindende waarden van het sociale leven vernietigen. Belangrijke critici zijn de essayist George steiner, die aan de samenhang van de taal met de externe werkelijkheid vasthoudt, Gunter grass, die de postmoderne stroming als een overwinning van het secundaire over het primaire beschouwt, en Botho Strauss, die in het postmoderne een triomf van de agressieve willekeur meent te herkennen.

De discussie over het postmodernisme duurt voort tot op heden, hoewel het duidelijk wordt, dat deze in toenemende mate aan aantrekkelijkheid inboet. Dit ligt vooral aan het feit dat de kreet 'postmodern' van zijn kant al bijna historische trekken heeft, waaruit gelijktijdig blijkt, dat, ondanks het negatieve verband met de moderne tijd, deze uiteindelijk het lot van andere zal delen.

Zie ook postmoderne kunst en Herfsttij van het postmodernisme


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1462.