kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 07 12 2016 15:36 voor het laatst bewerkt.

Psychoanalyse

De psychoanalyse is een medische behandeling en stroming, soms als "dieptepsychologie" of "psychodynamische psychologie" aangeduid die de menselijke geest bestudeert door middel van verkenningen van het onderbewustzijn. Zij richt zich daarbij op dromen en versprekingen, dat wil zeggen op die momenten waarop de geest zijn ware wensen en angsten tot uitdrukking brengt. In de psychoanalyse worden lichamelijke klachten verklaard vanuit psychogene (geestestoestand) oorzaken.

De psychoanalyse werd in het begin van de 19e eeuw ontwikkeld door de Oostenrijkse zenuwarts Sigmund Freud (1856-1939). In 1885 volgde hij colleges bij de Franse neuroloog Jean-Martin Charcot die onderzoek deed naar hysterie en hypnose. Hysterie was een verzamelterm voor destijds onverklaarbare lichamelijke symptomen, zoals verlammingen van lichaamsdelen. Hier deed Freud het idee op dat lichamelijke problemen een psychogene oorzaak kunnen hebben.

Van zijn vriend en mentor Josef Breuer deed hij het idee op dat hysterie-patiënten onder hypnose in staat zijn om te vertellen over de gebeurtenis die ziekmakende psychotrauma heeft veroorzaakt, waardoor het desbetreffende symptoom verdwijnt. dit idee ontstond naar aanleiding van de bekende casus van Anna O., een patiënte van Breuer. In 1896 publiceerden Breuer en Freud samen Studien über Hysterie, waarin ze hun ideeën over de oorzaak en behandeling van hysterie uiteenzetten.

Centraal in de psychoanalyse staat het idee van verdringing: emotionele ervaringen, door Freud opgevat als energieën, die door het psychisch apparaat uit het bewustzijn worden verdrongen naar het onbewuste, maar wel blijven bestaan. Deze energie zoekt een uitweg, en veroorzaakt zo pathologische fysieke symptomen, zoals de hysterie.

Structuur van de psyche
In zijn topografische model van de psyche onderscheidde Freud drie bewustzijnsniveaus waarop de psychische processen plaatsvinden:
  . Het bewuste niveau, waar het individu zich bewust is van zijn gedachten, gevoelens, waarnemingen, e.a.
  . Het voorbewuste niveau, waar de psychische inhouden grenzen aan het bewustzijn. Hier zitten zaken die tijdelijk vergeten zijn, ze kunnen echter makkelijk opnieuw bewust gemaakt worden. De inhoud van het bewustzijn is immers zeer beperkt.
  . Het onbewuste niveau, te definiëren als het geestelijk leven dat nooit bewust geweest is, of nadat het eerst bewust geweest is weer onbewust geworden is.

In zijn structurele model van de psyche maakt hij het bekende onderscheid tussen Es, Ich en Über-Ich:

  . Het Es, het primitiefste deel van de psyche, geleid door het lustprincipe (ook wel het oerinstinct genoemd)
In de theorieën van Sigmund Freud is het Es (het Duitse woord voor "het") of het id (het Latijnse woord voor "het") het oudste deel van de persoonlijkheid. De pasgeborene heeft alleen nog maar een Es. Het Es is een reservoir van impulsen, energie, libido. Het redeneert niet. Het gaat blindelings te werk volgens het principe: Ik wil wat ik wil wanneer ik het wil. De voornaamste functie van het archaïsche, niet redelijke Es is de onmiddellijke bevrediging van de driften, om opnieuw een spanningsloze lustvolle toestand te verkrijgen. Met andere woorden Es-gedrag wordt geleid door het lustprincipe. Het gedrag van het kleine kind komt het dichtst bij de werking van het zuivere Es in de buurt. Het nog ongesocialiseerde kind is impulsief; het kan moeilijk de vervulling van zijn wensen uitstellen: het wordt in zijn handelingen gedreven door het lustprincipe.

  . Het Ich (ego), het kind past zich aan de omstandigheden aan (wordt 'realistisch') en leert dat bevrediging soms uitgesteld moet worden.
In de theorieën van Sigmund Freud is het Ich, ook het ego genoemd, het regulerend deel van de persoonlijkheid dat zich al gauw na de geboorte gaat ontwikkelen. Het is dat deel van de persoonlijkheid dat via perceptie in contact staat met de buitenwereld. Het herinnert, evalueert, plant, en reageert en handelt in de omringende fysieke en sociale wereld.
De buitenwereld veroorzaakt ondanks de verzorging en bescherming frustraties bij de zuigeling omdat bepaalde externe doelstellingen niet worden aanvaard als bevredigingsobjecten voor de impulsen uit het
Es. Dit leidt tot een omvorming van het irrationele Es-gedrag tot het meer rationele Ich-gedrag. Het Ich heeft als taak te zorgen voor het zelfbehoud van het individu. Het speelt een bemiddelende rol tussen de wereld, die eisen stelt op het gebied van de sociale aanpassing en het Es dat naar onmiddellijke bevrediging streeft. Met andere woorden het Ich vertegenwoordigt het realiteitsprincipe. Het Ich is realistisch, redeneert en controleert de driften door hun bevrediging uit te stellen, af te remmen of te oriënteren naar aanvaardbare doelstellingen.
Sigmund Freud maakt volgende vergelijking: de ruiter, het Ich, toomt het paard, het Es, in. Het is dus onvermijdelijk dat het Ich in conflict zal komen met het Es.

Omdat het 'Ich' optreedt als bemiddelaar tussen Es en Über-ich wordt het afgebeeld als zijnde half in het bewuste, voor een kwart in het voorbewuste, en voor een ander kwart in het onbewuste. Het Ich-gedrag, de interactie met de buitenwereld, situeert zich op het bewuste niveau. Het Ich beschikt over een hele reeks verdedigingsmechanismen om de driften binnen bepaalde grenzen te kanaliseren. Het blijft zich het hele leven ontwikkelen, vooral in situaties waarin er sprake is van dreiging, ziekte of moeilijke levensomstandigheden.

  . Het Über-Ich (superego), of het geweten; in deze fase vindt enerzijds een internalisering plaats van de sociale normen van (de ouders en) de maatschappij; anderzijds vindt er een driftverzaking plaats, die een verstrenging van het superego tot gevolg heeft.
Het Über-ich functioneert in de theorieën van Sigmund Freud als een censurerende kracht ten opzichte van het Es. Het ontstaat door een identificatieproces met de sanctionerende (= belonende en straffende) ouders. De ouderlijke attitudes en gedragsregels worden overgenomen (= introjectie), voornamelijk gedurende de fallische fase. Het Über-ich is dus het innerlijke, verbiedende aspect van de persoonlijkheid (= geweten).
Tegelijk met het overnemen van de verboden uit de buitenwereld neemt het kind ook gevoelens en handelingen van de buitenwereld over die het zou willen evenaren. Dit deel van de persoonlijkheid kunnen we het Ich-ideaal noemen. Sigmund Freud gebruikte de twee termen door elkaar. Het Über-ich geeft dus de moraal weer en de idealen die het individu wil bereiken. Het vormt de neerslag van de cultuurnormen in het individu. Door het Über-ich weet het individu wat goed en kwaad is.
Het Über-ich is ook verantwoordelijk voor gevoelens van schuld en schaamte. Het Über-ich is zowel met het
Es als met het Ich in conflict. Het kan zowel op het bewust als op het onbewust niveau functioneren. Het Über-ich op het bewuste niveau is bijvoorbeeld dat je een bepaalde handeling niet doet omdat je van oordeel bent dat die in strijd is met je morele normen. Het Über-ich op het onbewust niveau is bijvoorbeeld dat een bepaalde begeerte niet in het bewustzijn komt, omdat ze reeds door de gewetensfunctie van het Über-ich geblokkeerd werd in het onbewuste.

Freud had een dynamisch concept van de psyche, waarin deze verschillende delen in opeenvolgend fasen in het leven van een kind ontwikkeld werden

Driftenleer
De mens wordt gezien als een wezen dat primair streeft naar lustbeleving. Het menselijk handelen wordt gedreven door driften, een aangeboren drang naar bevrediging van die lusten die resulteren in het voldoen aan bepaalde levensbehoeften, zoals eten en voortplanting.

Men kan in de werking van een drift drie momenten onderscheiden:
  . De bron van de drift; is te vinden in het fysiochemisch evenwicht van het organisme. Wanneer door ontbering van iets, dat nuttig is voor het zelfbehoud (bijvoorbeeld voedsel), er een fysiologische toestand van onevenwichtigheid komt, ontstaat behoefte.
  . Het doel van de drift; is de bevrediging van de behoefte (zoals honger stillen). De bevrediging van de behoefte leidt tot spanningsreductie en wordt als lustvol ervaren.
  . Het object van de drift; is iets (persoon of zaak) uit de buitenwereld dat tot bevrediging kan leiden. Het driftobject kan veranderen van de ene levensperiode tot de andere. Driftobjecten zijn ook in grote mate afhankelijk van milieubeïnvloeding: ze kunnen dan ook verschillen van cultuur tot cultuur.

Sigmund Freud onderscheidt twee tegengestelde en complementaire driften die vanaf de geboorte werkzaam zijn:
  . De levensdrift of libido, gericht op behoud van de soort en op zelfbehoud. De mens ervaart echter geen levensdrift (eros). Wel de psychische variant ervan: de seksualiteit. In de eerste fase van zijn theorievorming sprak Sigmund Freud van libido sexualis. In een later stadium tempert hij zijn pan-seksualisme en spreekt hij van libido als een op leven gerichte ongedifferentieerde energie.
  . De doodsdrift. De mens ervaart evenmin doodsdrift (thanatos). Wel de psychische variant ervan: de agressie. Deze agressie is primair tegen de persoon zelf gericht en zou secundair tegen de buitenwereld zijn gericht.

Afweermechanismen van het 'Ich'
Vanuit het Es treden driften onbewust in werking. Zij ontmoeten weerstand in de moraal van de maatschappelijke orde, die haar neerslag vindt in het persoonlijk geweten, het Über-Ich. Het conflict hier tussen wordt door het Ich beslecht, dat op redelijke wijze richting kan geven aan de bevrediging van de driften.

Als de driften te sterk botsen met de eisen van het Über-Ich kan de psyche gebruik maken van afweermechanismen als compensatie, sublimering, verdringing, ontkenning van de realiteit, intellectualisatie, isolatie, emotionele afzondering, rationalisatie, identificatie, introjectie, reactievorming, verplaatsing of regressie. Hiermee wordt de psyche beschermd tegen de psychische spanningen die ontstaan uit dit conflict. Deze verdedigingsmechanismen zijn geen bewuste mechanismen; ze zijn biologisch gegeven mechanismes, die automatisch in werking treden. Het gebruik van deze mechanismen lost de conflicten niet op. Als de conflicten niet heftig zijn, kunnen de verdedigingsmechanismen het ongemak kleiner maken. Is het conflict echter ernstig, zodat de verdedigingsmechanismen intensief worden gebruikt, dan is het enige dat ze doen, het buiten de werkelijkheid verbergen van de omvang van het probleem.

 . Compensatie kan zich uiten in het streven van de mens om zijn zwakheden te overwinnen. Dat brengt hem soms zelfs tot een topprestatie en daarmee tot overcompensatie van zijn vroegere zwakheid (= directe compensatie). Anderzijds kan de bevrediging van de behoefte van de ene drift op de bevrediging van de behoefte van een andere drift overgaan (= indirecte compensatie). Het is bijvoorbeeld mogelijk dat niet-bevrediging van de seksuele drift het voedingsinstinct sterker doet worden en dat deze nieuwe bevrediging een vervanging van de seksuele drift zal worden.
 . Decompensatie. Indien een mens langere tijd aan te grote spanningen of andere druk wordt blootgesteld kan hij psychisch decompenseren. Decompenseren betekent hier het niet meer kunnen compenseren of opvangen van gebreken of problemen. De bewuste en onbewuste verdedigingsmechanismen schieten tekort. Bij ernstige lichamelijke verzwakking, verlies (rouw), traumatisering en soms na het plotseling stoppen of ingrijpend veranderen van psychofarmacologische behandelingen kan decompensatie optreden. De decompensatie kan zich manifesteren in psychotische verschijnselen waarbij vaak angst, verwardheid en depressie op de voorgrond staan. Decompensatie is in bijna alle gevallen tijdelijk. Het is meestal goed te beïnvloeden door de veroorzakende omstandigheden aan te pakken zodat een nieuw psychisch evenwicht gevonden kan worden.
 . Sublimatie is het omzetten van oerdriften in sociaal of maatschappelijk geaccepteerde vormen. Zo kunnen oerkrachten als angst, seksualiteit en agressie gekanaliseerd worden en omgezet in ambitie voor werk, kunst, wetenschap enzovoort.
 . Ontkenning treedt op als iemand wordt geconfronteerd met gevoelens of emoties die moeilijk of helemaal niet te accepteren zijn. De persoon spreekt dan de feiten tegen om het negatieve gevoel niet te hoeven confronteren. Een ontkenning kan introvert of extravert zijn: introverte ontkenningen zijn ontkenningen tegenover zichzelf. Je houdt dan dus jezelf voor de gek (spreekwoordelijk). Dit heeft volgens de theorie van de psychoanalyse te maken met het Ich en het Über-ich. extraverte ontkenningen zijn ontkenningen tegenover anderen. Ook dit heeft volgens aanhangers van Sigmund Freud met het ich en het Über-ich te maken, maar heeft invloed op anderen. Als iemand bijvoorbeeld is ontslagen, kan hij dit ontkennen door zichzelf en zijn omgeving ervan te overtuigen dat het wel weer goed zal komen als hij weer naar zijn werk gaat. Als de relatie met een partner is beëindigd, kan iemand dit ontkennen door te vinden dat het alleen maar om een tijdelijke ruzie gaat. Vaak is ontkenning de eerste fase van rouwverwerking. Het geeft iemand gelegenheid om verdriet stapsgewijs te verwerken.
 . Intellectualisatie staat voor het zich losmaken van het emotionele aspect van een ervaring of situatie door de benadering ervan vanuit een exclusief intellectueel standpunt. Voorbeeld: de student geneeskunde die moet leren met de nodige objectiviteit het menselijk lijden en zelfs de dood te benaderen, teneinde te voorkomen dat hij er te veel bij betrokken wordt, hetgeen hem ongeschikt zou kunnen maken om kundige steun te geven.
 . Isolatie betekent dat een persoon twee onverenigbare soorten psychische activiteit van elkaar kan scheiden als een middel om zijn conflict te verzachten. Bij isolatie worden conflictueuze ideeën toegestaan in het bewustzijn in een geïntellectualiseerde vorm; de verontrustende gevoelens die ermee zijn verbonden, worden echter geblokkeerd. Het ego kan een stroom van ideeën die eruitziet als vrije associaties toestaan, maar de ideeën worden gescheiden van hun bijbehorende gevoelens. Een patiënt zou bijvoorbeeld kunnen spreken over intense seksuele ervaringen, maar op een afstandelijke, emotieloze manier.
 . Emotionele afzondering staat voor het zich terugtrekken in passiviteit om zich tegen leed te beschermen. Emotionele afzondering komt voor bij verkrachtingen, oorlogsgeweld en andere acute bedreigingen van lichamelijke en geestelijke integriteit. De emoties worden teruggetrokken en niet meer geassocieerd met de rest van het lichaam.
 . Rationalisering treedt op als iemand door verstandelijk en bewust redeneren tot een rechtvaardiging van zijn acties probeert te komen. Men tracht dus te bewijzen dat het gedrag rationeel en gerechtvaardigd is en vandaar waard is door hemzelf en anderen te worden goedgekeurd. Het maakt daarmee deel uit van een proces van morele ontkoppeling. Het proces treedt bijvoorbeeld op als iemand te impulsief iets heeft gekocht en hier spijt van krijgt. Het ontstane schuldgevoel wordt dan via een onderbewust proces bestreden met rationele argumenten die moeten aantonen dat de impulsieve aankoop uiteindelijk toch terecht was ("ik had nou eenmaal snel een wasmachine nodig"). Ook als iemand bang is en dat later niet wil toegeven, kan rationalisering optreden ("mamma, lammetjes kunnen heel hard bijten, hè").
  . Identificatie staat voor het vergroten van gevoelens van eigenwaarde door vereenzelviging met een persoon of instelling van aanzien. Voorbeelden: een bedeesde man die trots is op de overwinningen van zijn bokskampioen, alsof hij zelf een agressieve, onbevreesde overwinnaar was. Een moeder die vroeger zangeres wilde zijn maar nooit de top bereikt heeft, haar dochter kan misschien wel de top bereiken en de moeder doet er alles voor dat het voor haar dochter zou lukken om die top te bereiken.
 . Introjectie staat voor het opnemen van uiterlijke waarden en maatstaven in de structuur van de persoonlijkheid, zodat ze niet meer als bedreigingen van buiten worden ervaren.
 . Reactievorming. Riskante verlangens worden onderdrukt door op overdreven wijze tegenovergestelde houdingen en gedragingen tentoon te spreiden. Hij zal bijvoorbeeld niet alleen boze gevoelens jegens iemand ontkennen maar zich tevens met klem uitspreken voor zijn liefde. Wat een doeltreffende manier is om zichzelf, zo niet de anderen te misleiden over de aanwezigheid van een onaanvaardbare impuls. Voorbeeld: een moeder die wil ontkomen aan haar afkeer van een ongewenst kind, overstelpt het kind met bezorgde genegenheid.
 . Bij verplaatsing komt een ander doel voor het werkelijke doel van een motief in de plaats. Voorbeeld: Een vrouw die lastig wordt gevallen door haar baas op het werk, krijgt ruzie met haar man thuis.
 . Regressie is het terugkeren naar een eerdere fase van de levensontwikkeling. In de meeste gevallen treedt regressie op als afweermechanisme bij het verwerken van negatieve gevoelens of emoties. Dit kan acuut zijn, maar kan ook chronische vormen aannemen. Het verschijnsel kan zowel in gedachtenpatronen als gedrag optreden. Het is een begrip uit de psychoanalyse. Bekende voorbeelden van regressie zijn secundaire enurese en oudere kinderen die weer gaan duimzuigen als ze onzeker zijn. Ook een eetstoornis als boulimia nervosa wordt soms gezien als een vorm van regressie, namelijk als terugkeer naar de orale fase. Volgens dezelfde visie kunnen obsessies en dwanghandelingen beschouwd worden als een terugkeer naar de anale fase. Ook infantilisme kan als een vorm van regressie beschouwd worden. Andere betekenissen: Sommige therapeuten, en met name hypnotherapeuten, noemen als techniek uit de hypnotherapie "regressie". Daarbij gaat de cliënt onder hypnose terug naar ervaringen uit het verleden. In de alternatieve psychologie kan met regressie ook bedoeld worden dat men teruggaat naar vorige levens om bepaalde blokkades in de herinnering te ontsluieren. Dit gebeurt vooral in regressie- en reïncarnatietherapie.

 . Onderdrukking/Verdringing. Als bepaalde wensen of behoeften zouden worden uitgeleefd, zou dit aanleiding geven tot conflicten met de buitenwereld of met het Über-ich. Het Ich kan dit voorkomen door ervoor te zorgen dat die wensen of behoeften niet worden omgezet in handelingen. Dit is een onbewust proces. Tussen behoefte en handelen blijft een zekere spanning bestaan. Het Ich zal trachten deze spanning te verminderen door ervoor te zorgen dat de behoefte niet bewust wordt. Het Ich kan daarbij proberen de wens of behoefte in het voorbewuste te houden. De persoon is zich nog wel bewust van de behoefte als hij zijn aandacht hierop richt, maar tracht dit laatste te vermijden. Dit heet onderdrukking. Een langer durende onderdrukking blijft echter steeds energie kosten. Het Ich kan derhalve nog een stap verder gaan door de wens of behoefte naar het onbewuste terug te dringen. Dat heet verdringing. De verdringing treedt onbewust in werking. Is de verdringing geslaagd dan weet de persoon niets meer van zijn verdrongen behoefte. Het niet aanwezig zijn in het bewuste betekent niet dat deze behoefte niet meer leeft, integendeel, deze werkt door in het onbewuste en hoe langer hoe sterker. Vanuit het onbewuste beïnvloeden de verdrongen verlangens het gedrag van het individu. Niet de drift zelf maar bepaalde externe doelstellingen worden gecensureerd. Bijvoorbeeld niet de seksuele drift is vernietigd bij een bepaalde persoon, maar wel heteroseksueel contact als bevredigingsmogelijkheid. Welke gevolgen de verdringing van een conflict zal hebben hangt af van de betekenis welke dit conflict voor de persoonlijke ontplooiing van de mens en voor zijn inschakeling in de omgeving had. De verdringing betekent niets anders dan een uitstellen van het conflict. Op een dag kunnen eigenaardigheden in de gedragingen en in het handelen van de mens zichtbaar worden die niet meer zonder meer begrijpelijk zijn. Deze verdrongen behoeften kunnen een soort complex vormen. Complexen op grond van verdringing ontstaan vaak in de vroege kinderjaren. Het is de volwassene absoluut onmogelijk zich de oorsprong ervan te herinneren. De in het onbewuste opgekropte verdrongen complexen kunnen zich ook langs sluikwegen en in allerlei vermommingen uiten. Dit om de weerstanden te omzeilen. De belangrijkste vermommingen zijn: fouthandelingen, dromen, neurosen, psychosen, fixatie, regressie, projectie, fantasie en dagdromen.
Kritiek: Het bezwaar van verdringing als concept is dat de zorgverlener zelf kan bepalen of er sprake is van verdringing, en ook zelf kan bepalen wat er dan verdrongen zou worden. Het komt voor dat een hulpverlener seksueel misbruik als verdrongen herinnering aanpraat. Volgens sommigen is het echter nauwelijks mogelijk dat een patiënt iets dergelijks door middel van verdringing zou kunnen vergeten.

Psychische energie die door verdringing buiten het bewustzijn wordt gehouden blijft wel bestaan. Vanuit het onbewuste zoekt deze energie een uitweg, hetgeen zich kan uiten in lichamelijke symptomen, zoals hysterische aanvallen. Door bewustwording van deze energie, of deze bewustzijnsinhoud, wordt ze weer toegankelijk voor de redelijke sturing door het Ich, en verdwijnen de pathologische symptomen. Dit bewustworden is mogelijk door de vrije associatie van de gedachten, en de duiding van de aldus blootgelegde bewustzijnsinhouden door de behandelende arts. Aanvankelijk ging Freud ervan uit dat neuroses veroorzaakt worden door verleiding in de kindertijd. Later liet hij deze gedachte los en ontwikkelde het idee van de kinderlijke seksualiteit, en het ontstaan van neuroses door stoornissen in de ontwikkeling van de kinderlijke seksualiteit.
Deze duiding kan weerstand oproepen bij de patiënt, voor wie de seksuele betekenis van zijn symptomen onwelgevallig zijn. Freud zag het als de taak van de arts om deze weerstand te breken, om zodoende de genezing mogelijk te maken.

Ontwikkeling van het libido
In zijn theorie over de ontwikkeling van de persoonlijkheid onderscheidt Freud twee innig verbonden en parallel verlopende ontwikkelingsprocessen: de psychoseksuele ontwikkeling, en de ontwikkeling van het Ich.

Psychoseksuele ontwikkeling
Volgens Freud slaat de term seksualiteit op gedrag dat lustervaringen meebrengt, en omvat dus ook lustgevende functies zoals voeding, ontlasting, aanraking, kijken. Freud werd in zijn ideeën beïnvloed door Ernst Haeckel, die stelde dat de ontwikkeling van het individu de ontwikkeling van de soort herhaalt. Deze ontwikkeling geldt ook voor de seksuele ontwikkeling van de soort, die via orale en anale fases richting genitale seksualiteit zou zijn geëvolueerd. Freud kwam tot de volgende fasen in de ontwikkeling van het lustleven:

  . De orale fase
De orale fase is, volgens Freud, de eerste fase in de psychoseksuele ontwikkeling en heeft betrekking op de eerste 21 maanden van het leven. In Freuds theorie vormt deze fase de eerste relatie tussen een kind en zijn of haar moeder. De duur van de fase kan verschillen per cultuur; in sommige culturen is het normaal voor een kind om een aantal jaar borstvoeding te krijgen en in andere culturen is dit veel korter. Sommige stammen in Afrika en het zuiden van de Grote Oceaan zien de maag als de zetel van de emoties, en bij deze stammen is deze fase dus bijzonder belangrijk.

De focus van bevrediging ligt bij deze fase bij de mond. Genoegen wordt gehaald uit borstvoeding en het verkennen van de omgeving (nieuwe voorwerpen in de mond doen).

In dit stadium is het Es dominant, omdat het Ich (ego) noch het Über-ich (superego) volledig gevormd zijn. De baby heeft dus nog geen besef van zichzelf en alle acties zijn gebaseerd op het lustprincipe. Het Ich is echter in ontwikkeling in deze eerste fase. Er zijn twee factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van het Ich. Ten eerste ontwikkelt zich het zelfbeeld, wat betekent dat het kind erkent dat het lichaam verschillend is van de buitenwereld. Het kind begint bijvoorbeeld te begrijpen dat het alleen pijn voelt wanneer er kracht wordt uitgeoefend op het lichaam. Door de identificatie met de grenzen van het lichaam begint het kind een gevoel van ego (Ich) te ontwikkelen. Het Ich wordt ook toegeschreven aan een tweede factor: ervaringen waarin bevrediging wordt uitgesteld. Deze ervaringen leiden tot het begrip dat specifiek gedrag bepaalde behoeften bevredigt. Het kind beseft geleidelijk aan dat bevrediging niet altijd rechtstreeks plaatsvindt, en dat hij of zij bepaald gedrag moet vertonen om acties voort te brengen die leiden tot bevrediging van een behoefte.

De belangrijkste ervaring in dit stadium is het spenen, waarin het kind veel intiem contact met de moeder verliest. Dit leidt tot het eerste gevoel van verlies bij het kind. Spenen draagt ook bij aan het zelfbewustzijn, omdat het kind leert dat het niet alles in de hand heeft, maar ook dat bevrediging niet altijd onmiddellijk komt.

De bevrediging van behoeften, in dit stadium, leidt tot de vorming van onafhankelijkheid (de baby krijgt een helder idee over de eigen grenzen en heeft zijn of haar Ich gevormd), en vertrouwen (de baby heeft geleerd dat bepaald gedrag leidt tot bevrediging van behoeften). Aan de andere kant kan fixatie leiden tot passiviteit, goedgelovigheid, onvolwassenheid en onrealistisch optimisme, en ook tot de vorming van een algemene manipulatieve persoonlijkheid door het niet correct vormen van het Ich. Dit kan komen door aan de ene kant te weinig, of aan de andere kant te veel bevrediging. Bij te veel bevrediging leert het kind niet dat het niet alles in de hand heeft en ook niet dat bevrediging niet altijd onmiddellijk komt, waardoor een onvolwassen persoonlijkheid kan ontstaan. Aan de andere kant kan het zijn dat er onvoldoende aan de bevrediging is voldaan, en kan het kind passief worden, omdat hij of zij geleerd heeft dat of hij of zij nu wel of niet bepaald gedrag vertoont, bevrediging sowieso niet het resultaat is.

  . De anale fase
De anale fase is, volgens Freud, de tweede fase in de psychoseksuele ontwikkeling en duurt van ongeveer 15 maanden tot 3 jaar. Het overlapt dus gedeeltelijk met de orale fase. Rond deze leeftijd (2 jaar, maar dit verschilt ook per cultuur) begint ongeveer de zindelijkheidstraining, wat betekent dat het kind gefascineerd raakt over de erogene zone van de anus. Dit stadium valt samen met het begin van het vermogen om de sluitspier te beheersen.

De anale fase vormt een conflict met het Es, het Ich (ego) en het Über-ich (superego). Dit conflict wordt het kind aangeboden door de eisen van de ouders. Het is dus eigenlijk een conflict tussen het Es, Ich, Über-ich en de eisen van de ouders. Dit conflict kan rustig en ontraumatisch verlopen, maar ook heel intens en onstuimig. Dit hangt af van de reactie van de ouders. Een succesvolle voltooiing van deze fase hangt dus af van hoe de ouders op het kind reageren tijdens de zindelijkheidstraining. Wordt het kind beloond en geprezen voor het correct gebruiken van het toilet, dan doorloopt het kind dit stadium vaak zonder problemen. Echter, wordt het kind belachelijk gemaakt of gestraft, dan kan het op een negatieve manier reageren. Het kan op de harde eisen reageren door, bijvoorbeeld, te weigeren naar het toilet te gaan of te kwader trouw zijn of haar behoefte te doen. Dit gedrag kan leiden tot een volwassen karakter dat anale activiteiten uit de weg probeert te gaan; een anaal wegjagend karakter. Deze mensen karakteriseren zichzelf als ongeordend, rommelig, roekeloos, nalatig en opstandig. Wordt de tactiek van het kind verwend, dan kan het leiden tot een zogenaamd anaal vasthoudend karakter. Dit is het tegenovergestelde van een anaal wegjagend karakter en wil zeggen dat het kind plezier ontleent aan het inhouden van zijn of haar ontlasting.

De ideale oplossing is als een kind zich probeert aan te passen en de ouders zich matigen. Het kind leert dan geleidelijk het belang van zindelijkheid en orde, wat vaak leidt tot een beheerste volwassene. Een kind dat deze fase goed doorloopt zal succesvol overgaan op de volgende fase in Freuds psychoseksuele ontwikkeling: de fallische fase.

Deze fase lijkt voornamelijk te gaan over de zindelijkheidstraining, maar gaat ook over het beheersen van gedrag en driften. Een kind moet bepaalde grenzen ontdekken tijdens deze fase, zodat er in de toekomst geen strijd is wat betreft het overschrijden van die grenzen. Terwijl het fysieke vermogen de sluitspier te beheersen beter wordt, verschuift de aandacht van het kind van de orale zone naar de anale zone. Deze verandering verschaft meer uitwegen voor libidineuze bevrediging en verschaft de opkomende agressieve drift.

Het concept van fixatie duikt hier ook op. Te veel bevrediging in dit stadium kan leiden tot de ontwikkeling van een extreem royale, ongeordende persoonlijkheid. Zonder bevrediging kan het individu juist zeer geordend en georganiseerd worden.

  . De fallische fase
 De fallische fase is, volgens Freud, de derde fase in de psychoseksuele ontwikkeling en duurt van ongeveer 3 tot 5 à 6 jaar.
De bron van bevrediging is in dit stadium de geslachtsdelen. Dit is niet in de zin van volwassen seksualiteit; het kind is immers fysiek onvolwassen. Stimulatie van de genitaliën wordt echter wel vaak als plezierig gezien door jongens en, net als volwassen mannen, kunnen ze erecties krijgen tijdens hun slaap. Kinderen worden zich steeds meer bewust van hun lichaam en zijn nieuwsgierig naar hun lichaam en dat van andere kinderen, en ook dat van hun ouders. Freud observeerde dat kinderen rond deze leeftijd vaak "doktertje" spelen met andere kinderen, en hun moeder vragen of zij een penis heeft. Deze observaties leidden ertoe dat Freud bedacht dat de bevrediging zich in deze periode op en rond de geslachtsdelen concentreert.

Oedipus- en elektracomplex: Volgens Freud is dit ook het stadium waarin jongens zich onbewust seksueel aangetrokken voelen tot hun moeder. Dit heet ook wel het oedipuscomplex. Het oedipuscomplex staat voor het idee dat een zoon jaloers wordt op, en bang wordt voor, zijn vader. Hij kan dan zijn vaders eigenschappen overnemen en streven naar zijn gelijkenis, om zo de aandacht van de moeder op te eisen. Eenzelfde theorie kan gelden voor meisjes, die zich aangetrokken voelen tot hun vader. Zij zullen dan hun moeder als concurrente zien en hun vaders aandacht proberen te krijgen. Dit heet het elektracomplex, al gebruikte Freud de term oedipuscomplex voor beide seksen.

Jongens en castratieangst: Freud ging ervan uit dat veel jongens en meisjes zich in deze fase tussen hun ouders proberen te plaatsen, om zodoende een van de ouders weg te jagen bij de ander en zo alle aandacht op te eisen. Een jongen zal in deze fase meer verlangen naar zijn moeder, en jaloers worden op zijn vader en hem als concurrent zien. Hij is immers de persoon die het bed deelt met zijn moeder. Desondanks is hij ook een van de belangrijkste verzorgers. Het Es wil zich verenigen met de moeder en de vader vermoorden (net als Oedipus), maar het Ich, gebaseerd op het realiteitsprincipe, weet dat de vader sterker is. Daarnaast voelt het kind zich ook aanhankelijk tegenover de vader, een van de verzorgers, dus deze gevoelens zijn erg tegenstrijdig. De angst dat de vader bezwaar zal maken tegen de gevoelens van de zoon wordt als het Es uitgedrukt als angst dat de vader hem zal castreren. Deze castratieangst (een fobie voor het verliezen van de mannelijke geslachtsdelen) is niet rationeel en bestaat alleen op een onderbewust irrationeel niveau.

Meisjes en penisnijd: Freud betoogde dat jonge meisjes een soortgelijke psychoseksuele ontwikkeling doormaakten als hierboven beschreven voor jongens. Waar de jongen echter castratieangst ontwikkelt, kan het meisje zogenaamde penisnijd krijgen. Dit betekent dat het meisje beseft dat ze geen penis heeft en jaloers kan zijn op mannen, die dat wel hebben. Freud betoogde dat deze nijd ligt in het idee dat, zonder penis, het meisje zich niet kan verenigen met de moeder, zoals het Es dat eigenlijk wil. Daarom zal ze, in plaats van de moeder, seksuele vereniging willen bereiken met haar vader. Na dit stadium heeft de vrouw nog een stadium in haar psychoseksuele ontwikkeling, waarin haar clitoris volledig of gedeeltelijk zijn gevoeligheid en belang overdraagt aan de vagina. Het jonge meisje moet op een gegeven moment haar eerste keuze, de moeder, opgeven, en haar vader kiezen als nieuw object. Haar uiteindelijke verschuiving naar heteroseksuele vrouwelijkheid, die het toppunt bereikt bij een bevalling, komt voort uit haar eerdere kinderlijke verlangens. In het algemeen beschouwde Freud het oedipale conflict bij meisjes intenser dan bij jongens, wat kan leiden tot een onderdaniger en minder zelfverzekerde persoonlijkheid.

Onderdrukking en identificatie: Freud geloofde dat de fallische fase tegenstrijdige gevoelens van schuld over de kinderlijke seksuele verlangens en hun angst voor bestraffing van deze gevoelens met zich meebrengt, en dat er met deze gevoelens wordt omgegaan door deze te onderdrukken en, in plaats van zich aan te trekken tot de moeder bij een jongen (oedipuscomplex) of tot de vader bij een meisje (elektracomplex), het kind zich juist zal richten tot de ouder van hetzelfde geslacht. Dit staat bekend als 'identificatie met de agressor' (Engels: identification with the aggressor). De jongen zal dit onder andere doen om de castratieangst te doen verminderen, omdat hij denkt dat de gelijkenis met zijn vader hem voor zijn vader zal beschermen.
In beide gevallen wordt het conflict tussen de verlangens van het Es en het Ich opgelost door twee afweermechanismen van het Ich. Een daarvan is onderdrukking, waarbij herinneringen, impulsen en ideeën van het bewuste worden geblokkeerd, maar dit leidt niet tot een oplossing van het conflict. De tweede is identificatie, zoals hierboven beschreven. Jongens zullen zich gaan identificeren met de vader en meisjes met de moeder. Freuds theorie over vrouwelijke seksualiteit, met name penisnijd, wordt in zowel geslachtstheorie als feministische theorie scherp bekritiseerd.

Gevolgen op latere leeftijd: Als het oedipale conflict wordt opgelost, zal het kind in het algemeen uitgroeien tot een seksueel normale volwassene. Wordt het conflict niet opgelost, dan kan het kind seksuele afwijkingen als promiscuïteit, extreme seksuele remming en seksuele verwarring ervaren. Een fixatie in dit stadium kan ertoe leiden dat volwassen vrouwen streven naar superioriteit over mannen, alsof ze een overweldigend gevoel van verwoesting hadden door het ontbreken van een penis. Aan de andere kant kan de vrouw verleidend en flirterig worden, of juist erg onderdanig met een gebrek aan zelfvertrouwen. Mannen kunnen daarentegen buitensporige ambitie en ijdelheid vertonen.
Het oedipale conflict is erg belangrijk voor de ontwikkeling van het Über-ich. Bij het identificeren met een van de ouders wordt moraliteit en socialiteit namelijk geïnternaliseerd, en is het zich houden aan regels niet langer enkel het resultaat van de angst voor bestraffing. Een slechte identificatie met de ouder van hetzelfde geslacht kan, volgens de theorie van Freud, leiden tot roekeloosheid of zelfs onzedelijkheid.

  . De latentiefase
De latentiefase is, volgens Freud, de vierde fase van de psycho-seksuele ontwikkeling die begint rond het 6e levensjaar en duurt tot 11 à 12 jaar. Met ongeveer zes jaar vangt de latentieperiode aan. De interesse van het kind krijgt dan een minder egocentrisch en seksueel karakter. Het is een periode van typisch zakelijke belangstelling en een grote drang van weten. Als de seksuele nieuwsgierigheid van de vorige fase al te sterk onderdrukt is, bestaat er kans, dat zich deze weetdrang bij het kind niet doorzet. Zijn exploratiedrang en nieuwsgierigheid hebben hem dan reeds te veel narigheid bezorgd.

  . De genitale fase
De genitale fase is, volgens Freud, de vijfde en laatste fase van de psychoseksuele ontwikkeling die begint rond het 11e à 12e levensjaar en duurt tot de volwassenheid. De genitale fase volgt de latentiefase op en kan beschreven worden als de ontwikkeling van de geslachtsdrift.
De volgende momenten kunnen in het seksuele rijpingsproces onderscheiden worden (min of meer chronologisch):
 . Een algemeen zinnelijke prikkelbaarheid en verscherping van de zintuigen die deels eigenaardige subjectieve gebeurtenissen in dromen en dagdromen, deels bijzonder sterke reacties op objectieve zinnelijke prikkels schijnt te veroorzaken. Met deze zinnelijke prikkelbaarheid schijnt de seksuele nieuwsgierigheid ten nauwste verbonden te zijn.
 . Er ontstaan specifiek lichamelijke prikkels, die tot onanistische handelingen en bevrediging dwingen.
 . Er ontwikkelt zich een onbepaald en vaag verlangen, een gevoel ontwaakt en zoekt dwingend naar een object.
 . Uit dat onbepaalde verlangen kristalliseert zich een besliste wil tot overgave, in het begin meestal van zuiver platonische aard. Het object van deze wil is vaak een onbekende en ver verwijderde persoonlijkheid van willekeurige leeftijd en geslacht, jegens wie de overgave innerlijk, vaak zonder enige uiterlijke toenadering, wordt voltrokken.
 . Er worden fysieke toenaderingspogingen jegens een bereikbare partner op speelse wijze gedaan, waarbij deze partner zelden dezelfde is als degene op wie de wens tot overgave gericht is.
 . Seksueel verkeer wordt beproefd of nagestreefd.
 . De psychische gemeenschap van belangen, levenshoudingen en gemeenschappelijk begrijpen met de partner wordt gewenst en nagestreefd.

Ontwikkeling van het Ich
Als het kind ouder wordt, en zich bewuster wordt van zichzelf en zijn driften, vindt er een ontwikkeling plaats van het lustprincipe naar het realiteitsprincipe. Het kind leert omgaan met de eisen van de omgeving, en wordt beter in staat zich daaraan aan te passen. Hierbij is evenwicht belangrijk: te sterke aanpassing leidt tot de ontwikkeling van een 'vals zelf'. Maar een gebrek aan aanpassing leidt uiteraard tot deviant gedrag en uitsluiting uit de samenleving. Met de ontwikkeling van het Ich vindt er ook betere uitbouw van de verdedigingmechanismen plaats. De ontwikkeling van het Ich is uitgebreid bestudeerd in de Ego-psychologie.

Ontwikkeling van Freuds ideeën
Het werk van Freud is omvangrijk en het beslaat vrijwel alle belangrijke menselijke activiteiten en maatschappelijke fenomenen. Freud heeft zijn hele leven aan deze theorie gewerkt waarbij hij zelf ook een ontwikkeling doorgemaakt heeft. Daarvan valt iets in zijn opvattingen over de steeds terugkerende begrippen als het libido en de verschillende driften te bespeuren. Aanvankelijk is het libido een seksuele drift die gaandeweg naar een soort vitalistische levensenergie lijkt te evolueren.

In veel van de huidige psychoanalytische theorieën valt vaak nog weinig van de oorspronkelijke ideeën van Freud te bespeuren. Van de centrale entiteiten in de oorspronkelijke theorie van Freud is bij veel van de huidige psychoanalytische denkers en schrijvers steeds minder terug te vinden. Recent hersenonderzoek levert veel interessante inzichten over de werking van de hersenen op. Aanwijzingen dat de theorieën van Freud kloppen zijn er nog niet. Vaker tonen die onderzoeksresultaten aan dat Freud ernaast zat.

Psychoanalytische vereniging
Het genootschap dat Freud met zijn kring in het leven geroepen had was allerminst een homogeen gezelschap. Het genootschap maakte regelmatig turbulente ontwikkelingen door. Vaak betrof het ontwikkelingen die Freud zelf niet altijd wenste, zoals de conflicten met Carl Gustav Jung en diens vertrek uit het genootschap.

Freud wilde een strikt wetenschappelijk gefundeerde theorie en therapeutische methode ontwikkelen. Georg Groddeck liet zich er echter op voorstaan dat hij een geheel onwetenschappelijke benadering hanteerde. Zijn boeken, "Het Boek van het Es" met "brieven aan een vriendin" en de roman "De Zielzoeker", ademen een frivoliteit en morele losbandigheid die niet goed past bij het imago dat het genootschap normaliter heeft. Groddeck wordt beschouwd als de grondlegger van de haptonomie wat niet vreemd is aangezien zijn therapeutische methoden vaak meer fysiek dan mentaal van aard waren.

De ontwikkelingen in Duitsland in de loop van de jaren dertig en de gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog legden de ontwikkelingen binnen de psychoanalyse grotendeels stil. Na deze periode kwamen die ontwikkelingen geleidelijk weer op gang, zij het zonder Freud.

De bekendste naoorlogse vertegenwoordiger van de psychoanalyse is Erich Fromm. Zijn boek "De angst voor de vrijheid" is een internationale bestseller geworden. Fromm heeft daarmee het aanzien van de naoorlogse psychoanalyse voor een groot deel bepaald en een grote invloed gehad op de verdere ontwikkelingen.

Kritiek op de psychoanalyse
Naast fervente aanhangers heeft de psychoanalyse van het begin af ook hevige tegenstanders van velerlei pluimage gehad. De kritiek is onder meer van:
  . Wetenschappelijke aard: De waarachtigheid van de etiologie kan enkel bevestigd worden door de effectiviteit van de therapie. Als methode wordt de psychoanalyse onvoldoende empirisch bevestigd door experimenteel onderzoek. Daarom is de waarachtigheid van de psychoanalyse niet bevestigd.
  . Morele aard: de psychoanalyse is autoritair: de alwetende psychoanalyticus verplicht de onmondige patiënt zijn visie, over de oorzaken van zijn problemen en hoe ze op te lossen, te aanvaarden. Hoewel de psychoanalyse claimt heilzaam te zijn, kan evengoed verondersteld worden dat ze in plaats daarvan schadelijk zou kunnen zijn.
  . Financiële aard: de psychoanalyse als therapie is duur, duurt lang en is dus enkel toegankelijk voor mensen met veel geld en veel tijd. Vanwege de hoge kosten wordt psychoanalyse sinds 2010 in Nederland niet meer vergoed.
  . Religieuze of politieke aard: zie de aanvallen uit zowel christelijke, marxistische als nationaal-socialistische hoek.
  . Effectiviteit: psychoanalyse is een langdurige vorm van therapie, en volgens sommige onderzoeken lijkt het weinig op te leveren. och is er ook voldoende onderzoek beschikbaar dat op positieve resultaten wijst.

Wetenschappelijke kritiek
De wetenschappelijke kritiek op de psychoanalyse kwam onder meer van de kant van de bekende wetenschapsfilosoof Karl Popper. Volgens Popper is een van de kenmerken van een wetenschappelijke theorie, dat zij falsifieerbaar is. Dat wil zeggen: dat zij uitspraken en voorspellingen over de werkelijkheid doet, die door de feiten kunnen worden tegengesproken. Een theorie die niet aan dit criterium voldoet, moet worden beschouwd als onwetenschappelijk (bijvoorbeeld de astrologie) of als voorwetenschappelijk (bijvoorbeeld de psychoanalyse). In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, zegt Popper hiermee niet dat de psychoanalyse oplichterij is of dat zij geen zin of betekenis zou hebben.

Richard Webster stelt dat Freuds werk gebaseerd is op een verkeerd begrip van het ontstaan van hysterie. Freud zag hierin een psychogene oorzaak, namelijk trauma's op seksueel gebied. Waarschijnlijker is dat hysterische verschijnselen epileptische verschijnselen waren, veroorzaakt door minieme hersenbeschadigingen die eind 19e eeuw niet waarneembaar waren met microscopen. Tevens stelt hij dat de cathartische methode vanaf het begin geen werkelijk resultaat opleverde, maar vooral het resultaat was van de wisselwerking tussen arts en patiënt, waarbij de patiënt probeerde aan de verwachtingen van de arts te voldoen.

Psycholoog Alice Miller, zelf geschoold en jarenlang werkzaam als psychoanalytica, was een sterke opponent van Freuds ideeën over de kinderlijke seksualiteit als bron van de neurose. Zij stelde dat seksueel misbruik bij kinderen niet een product is van de kinderlijke fantasie, maar dat het wel degelijk vaak voorkomt en het een verwoestend effect heeft. Miller verwierp Freuds theorie over het oedipale conflict en zijn drifttheorie. Zij schreef over Freud: "Wanneer een mens de loochening van de werkelijkheid een grote wetenschappelijke stap noemt en een school sticht die haar leerlingen steunt in hun blindheid, dan is dat geen particuliere aangelegenheid meer. Het is een vergrijp jegens de belangen van de mensheid, ook al wordt het onbewust bedreven.

In Nederland heeft onder anderen de rechtspsycholoog en hoogleraar Hans Crombag zich zeer kritisch uitgelaten over Freud en de soms desastreuze gevolgen van de toepassing van de psychoanalyse. De wetenschapsjournalist Marcel Hulspas noemt Freud en de psychoanalyse in verschillende boeken over pseudowetenschap. De socioloog Han Israëls geeft in zijn boek "De Weense Kwakzalver" een kritische analyse van het leven en de activiteiten van Freud. Met de hoogleraar in de Slavische letterkunde Karel van het Reve bespreekt Han Israëls Freud in "De gier van Freud".

Een uitgebreid overzicht van de wijze waarop de psychoanalyse door haar beoefenaren, Freud voorop, is 'geïmmuniseerd' tegen weerlegging en falsificatie wordt gegeven door Maarten Boudry.

Als Freudkriticaster van het eerste uur moet met name de Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov genoemd worden.

Ethische kritiek - Autoritair en schadelijk

Kritiek uit de hoek van de psychiatrie zelf kwam van de heterogene beweging die bekendstaat als de antipsychiatrie.

Het begrip 'afweer' is bedoeld om aan te geven dat patiënten zich verzetten tegen traumatische en pijnlijke herinneringen. Feitelijk verwijst het naar Freuds neiging om zijn eigen inzichten en speculaties op te dringen aan zijn patiënten, met voorbijgaan aan hun eigen redelijk inzicht, vindt schrijver Richard Webster.

De postfreudiaan Jacques Lacan kwam tegemoet aan deze kritieken. Hij stelt dat de enige weerstand in de analyse die van de therapeut zelf is, namelijk de weerstand bij de therapeut om de patiënt te laten uitspreken. Hij stelt dat het niet mogelijk is de subjectiviteit van de patiënt volledig te kennen en dat de autoritaire positie van de therapeut een antwoord is uit weerstand om dit in te zien. De patiënt moet dus zijn eigen drijfveren leren kennen met de therapeut als klankbord.

Psychoanalyse in de kunst
De psychoanalyse is in de beeldende kunst vaak toegepast voor het achterhalen van de verborgen betekenis van beelden een betekenis die niet hoeft samen te vallen met de bewuste bedoelingen van de maker. Freuds ideeën waren met name van belang voor Salvador Dali en de surrealisten, die poogden zich te ontdoen van het rationele denken door werk te creëren dat ontsprong aan de impulsen van hun onderbewustzijn.

Bovenstaand artikel is uit onderstaande artikelen samengesteld:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Psychoanalyse


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1476.