kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02 11 2016 14:37 voor het laatst bewerkt.

scholastiek

Van het Latijns scholasticus = schools, retorisch, geleerd.

Schoolse wijsheid, een combinatie van wijsbegeerte en godgeleerdheid die aan de hogescholen van de middeleeuwen onderwezen werd, vooral aansluitend op Aristoteles. Deze onderwijsmethode betreft een logische manier van denken in tegenstellingen, een vorm van dialectiek.

Oorsprong en indeling
De oorsprong van de scholastiek ligt in de Karolingische Renaissance. Aan de hofschool van Karel de Grote begint in de negende eeuw onder leiding van Alcuinus de cultuur en de filosofie weer op te bloeien. De filosofie wordt gezien als een ancilla theologiae, een dienstmaagd van de theologie. Geleidelijk ontwikkelt zich in kloosters, domscholen en aan de hoven weer wetenschap.

De scholastiek kent globaal drie fasen.

I. De vroege scholastiek in de 11e en de 12e eeuw. Twee belangrijke vertegenwoordigers zijn: Anselmus van Canterbury en Petrus Abaelardus.

II De hoogscholastiek in de 13e en 14e eeuw. Twee belangrijke vertegenwoordigers zijn: Albertus Magnus en Thomas van Aquino.

III De late scholastiek in de 14e en 15e eeuw. Twee belangrijke vertegenwoordigers zijn: Johannes Duns Scotus en Willem van Ockham.

Doelstelling
Net als de methodiek van het onderricht aan de middeleeuwse kloosterscholen wilde de scholastiek God vinden door middel van de wetenschap. De scholastieke theologie werd mettertijd een zelfstandige wetenschap die steeds meer betekenis ging toekennen aan 'rationele' processen van het denken. De kloostercultuur daarentegen bleef bij haar meer mystiek georiënteerde methode.

Thomistische filosofie
De scholastiek vond haar belangrijkste monument in de summa's van de dertiende eeuwse Dominicaanse filosoof en theoloog Thomas van Aquino. De thomistische filosofie werd eerst bekritiseerd, maar in 1323 werd haar grondlegger heilig verklaard en later zelfs tot kerkleraar uitgeroepen (1568). De tijd was rijp voor een rationele aanpak. In 1879 riep paus Leo XIII het thomisme uit tot de officiële filosofie van de Kerk.

Scholastiek systeem (Artes Liberales of Zeven vrije kunsten)
Het scholastieke systeem wordt in de Middeleeuwen gebruikt voor de studie van de zeven vrije kunsten, oorspronkelijk bekend onder hun Latijnse naam septes artes liberales, en de overige wetenschappen. De zeven vrije kunsten vormden een vroege Europese indeling van de wetenschappen, en vormden de basis van het universitair onderwijs in de Middeleeuwen.

Kunsten
In de Griekse Oudheid had Aristoteles het menselijk kunnen verdeeld in twee categorieën: de mechanische of handwerkkunsten, en de vrije kunsten. Tot de eerste groep behoorde alles wat met vaardigheden te maken had, of het nu het werk van de zadelmaker betrof of dat van de kunstschilder. De vrije kunsten daarentegen waren die vakken welke zich tot hersenwerk bepaalden. In beide gevallen is het woord kunsten dan ook misleidend. De mechanische kunsten waren in wezen ambachten, de vrije kunsten waren de voorlopers van onze wetenschappen.

De vrije kunsten werden weer onderverdeeld in het Trivium van taalvakken en het Quadrivium van rekenvakken. Het Trivium vormde de basis van de universitaire studie; daarna kwam het Quadrivium. De Artes Liberales bestonden uit:

Het Trivium
1 Grammatica (literatuur en tekstanalyse)
2 Rhetorica (argumenteren)
3 Dialectica (logica)

Het Quadrivium
1 Arithmetiek (rekenkunde)
2 Astronomie (sterrenkunde)
3 Muziek
4 Geometrie (meetkunde)

Daar kwamen in de loop van de dertiende eeuw nog drie vakken bij, alledrie vormen van filosofie.

De kunsten heten "vrij" (in tegenstelling tot de artes illiberales) omdat ze deel uitmaakten van de intellectuele training van vrije, of vrijgestelde, mannen. De niet-vrije kunst bestond dan uit al die kennis die we tegenwoordig vakkennis zouden noemen, kennis die ten dienste van een bepaald doel staat. Dat wat we "vrije wetenschap" noemen, verwijst nog naar deze vroegere indeling, en tot voor kort berustte het onderscheid tussen universiteiten en hogescholen hier ook op.

Tegenwoordig worden de vrije wetenschappen wel in de volgende drie hoofdgroepen onderverdeeld:
1 de humanoria (taal, literatuur, filosofie, de fijne kunsten en geschiedswetenschappen)
2 de wiskunde, natuurwetenschappen en biologische wetenschappen
3 de sociale wetenschappen.

In de Middeleeuwen bestond theologie vooral uit het verklaren van teksten, allereerst de Bijbel, met aanhalingen uit de commentaren en andere werken van gezaghebbende kerkvaders. De zeven vakken die bestudeerd werden ten behoeve van de theologie, werkten vooral met teksten van Plato en steeds meer ook van Aristoteles. Toen de contacten tussen de domscholen groeide door de toenemende politieke stabiliteit, wilde men theologie en wijsbegeerte in één stelsel verenigen. Op beide terreinen moest dezelfde methode toegepast worden: dezelfde scholastiek. Men wilde aantonen dat het logisch denken van de oudheid niet in strijd was met de bijbelse boodschap.

Later werd de sleutelwetenschap binnen de theologie de dialectica, de kunst van het redeneren. De basis van de theologie bleef echter nog altijd de lectio divina, het lezen van heilige teksten, in concreto allereerst de bijbel. Stilaan werden eigen commentaren bij de Schrift toegestaan, en werd wetenschap beoefend aan de universiteit, tegen betaling van een salaris.

In zijn Summa Theologica probeerde Thomas van Aquino alle verworvenheden van de scholastiek ten dienste te stellen van de theologie. Abaelardus was eveneens een leraar van de scholastiek. Dankzij Thomas werd de scholastiek de basis voor het empirisch denken en de kritische wetenschapsbeoefening van latere eeuwen.

De scholastieke methode
De scholastieke methode steunt op gezaghebbende teksten. Er ontstonden in de Middeleeuwen voor de artes liberales en overige wetenschappen vaste rangordes voor de relevante autoriteiten op een bepaald terrein. De scholastiek wordt verder inhoudelijk gekenmerkt door een vaste werkwijze om problemen en teksten te bestuderen. Eerst poneerde men een quaestio, die werd onderverdeeld in verschillende articula met stellingen. Vervolgens kwamen de tegenwerpingen aan de orde, ingeleid met bijvoorbeeld sed contra. Hierop volgde een antwoord (responsio), waarna per articulum van de quaestio de argumenten kort besproken werden. Ook de variant waarbij men op willekeurige vragen -niet op een vooraf bekend thema- moest antwoorden, het zogeheten quodlibet, had dezelfde opbouw. Ook het onderwijs aan de middeleeuwse universiteiten richtte zich naar deze methode. Het eindproduct van de scholastiek waren de grote summae.


Filosofie in de Middeleeuwen was voornamelijk een zaak van kloosters en geestelijken. De kloosterlingen schreven de klassieke geschriften over en voegden er af en toe een bespiegeling of commentaar aan toe. Ook de filosofisch ingestelde monniken liepen voor een belangrijk deel aan de leiband van de kerk. Waar verzet de kop op stak klonken de bezwerende woorden van de machtige Petrus Damiani (1007-1072): Philosophia ancilla Theologiae (Filosofie is de dienstmaagd van de theologie). De theologen kenden de bijbel, Gods woord, God was boven de rede verheven en dus mochten filosofen niet al te lastige vragen stellen. Zelfs als het geloof volstrekt onzinnig leek en bijvoorbeeld in strijd was met het door Aristoteles bedachte non-contradictieprincipe - je kunt niet bij vol verstand beweren dat iets tegelijkertijd waar en onwaar is - accepteerde de kerk geen kritiek.

Vooral naar buiten toe was de kerk streng. Binnen de muren van de kloosters werd aan het dienstmaagdengebod niet altijd even strikt gehoor gegeven. Buiten het zicht van het gewone volk voerden de geestelijken ruige discussies, oogluikend toegestaan door de kerkleiding die ook belang had bij intellectuele vooruitgang. De resultaten zijn in de marges van de vrome geschriften terug te vinden. Op de paar centimeters in de kantlijn vocht men de strijd uit tussen de theologie en de 'dialectiek', wat wij tegenwoordig filosofie noemen. Deze strijd markeerde het begin van de Scholastiek, een periode die rond 800 na Christus begon en ergens rond 1450 eindigde.

De rationele ideeën van de Griekse filosoof en natuurwetenschapper Aristoteles, die in het Oosten de toon zetten en via het hof van Karel de Grote waren verspreid, werden in deze periode langzamerhand invloedrijker dan die van Augustinus. In de Lage Landen was lange tijd alleen het Organon bekend, maar via de joodse gemeenschap in Spanje kwamen steeds meer onbekende geschriften van Aristoteles naar de Lage Landen. De bestaande vertalingen van de Aristoteles werden aangevuld met die van Willem van Moerbeke (1215-1286), die zijn werk in opdracht van de filosoof Thomas van Aquino (1225-1272) verrichtte.(52) Filosofen schreven pittige en polemische commentaren in de kantlijn van Aristoteles, die bij hen zo geliefd was dat men hem kortweg 'de filosoof' noemde. Ook de Arabische commentaren op Aristoteles kwamen in de schijnwerpers te staan. Want alles wat uit het Oosten kwam, had een streepje voor. Bagdad had rond 1100 geplaveide straten en waterleiding. Amsterdam en Brussel waren nog onhygiënische modderpoelen. Arabieren kenden de beweging van de sterren en konden op zee navigeren en waren bovendien handig met cijfers, wat internationale handel mogelijk maakte. In de Lage Landen stelde de economie niet veel voor en deden ziektes en honger de noodzakelijke bevolkingsgroei teniet. Dogma's, epidemieën en aanhoudend analfabetisme zorgden ervoor dat het Westen onderontwikkeld bleef. Vooruitstrevende intellectuelen keken met belangstelling naar het Oosten. In Parijs timmerde de Nederlander Siger van Brabant (1240-1281) aan de weg. Hij ontdekte dat Arabier Averroës (1126-1198) in zijn commentaren op Aristoteles aardige dingen had gezegd, bijvoorbeeld dat de aarde niet was geschapen, maar altijd al had bestaan. En dat de menselijke ziel sterfelijk was. Het bracht Siger in conflict met Thomas van Aquino (1225-1368), de meest invloedrijke filosoof uit de Scholastiek. Siger kreeg bijval van Dante Alighieri (1265-1321), die hem in zijn Divina comedia 'het eeuwig stralend licht' noemt. Thomas van Aquino schreef een boek De unitate intellectus contra magistrum Sigerum en kreeg steun van de machtige kerk die hem in 1332 postuum heilig verklaarde. Siger werd het zwijgen opgelegd. De nieuwe pauselijke universiteit van Parijs, de uit haar voegen gegroeide paleisschool van Karel de Grote, en de universiteiten van Luik en Keulen ontpopten zich tot de grote culturele centra van Europa. Vooral in Parijs rommelde het. Op 7 juli 1228 deed paus Gregorius IX zijn beklag: de theologen van Parijs kwamen veel te veel onder invloed van die al te vrije voorchristelijke geschriften van Aristoteles. Filosofie is allemaal leuk en aardig, schreef hij, maar 'wanneer men de geloofswaarheden met de rede en de filosofie wil ondersteunen, maakt men ze ijdel en nutteloos.' De paus koos partij voor de kerkvader en gevoelsmens Augustinus, die alle wetenschappen bij voorbaat ondergeschikt had gemaakt aan het geloof. De filosofen bleven echter bij hun keuze voor de strenge, aardse logica van 'de filosoof', waarmee zij het geloof hoopten te ondersteunen. In 1277 leidde dit tot een heftige strijd. De kerk won het pleit. Enkele filosofen werden verketterd en in 1280 kregen theologen het expliciete verbod zich nog verder in te laten met die verderfelijke filosofie. De bloei van het vrije denken was bruut onderdrukt. De filosofen drukten hun snor en verplaatsten noodgedwongen hun aandacht van de inhoud naar de vorm van de discussie. 'Gaandeweg werden de meest onbeduidende kwesties tot voorwerp van gedachtewisseling gemaakt', meldt Neerlands bekendste geschiedschrijver op filosofiegebied, Ferdinand Sassen, 'enkel met de bedoeling het vernunft te scherpen en de techniek van het dispuut door herhaalde oefening aan te leren.' De middeleeuwse quaestio disputata was verworden tot een schoolse - het woord scholastiek is hiervan afgeleid - methode zonder inhoud. Ieder probleem, relevant of niet, bediscussieerden de geleerden in vijf stappen: eerst schetste men het probleem, vervolgens kwamen de argumenten van anonieme - we willen geen openlijke ruzie - tegenstanders aan de orde. Dan volgde het argument van de auteur, waarna het probleem werd opgelost. De vijfde stap was een terugblik op de argumenten van de tegenstanders, die een voor een werden weerlegd. De methode was verfijnd, jammer alleen dat de discussies nooit over echt belangrijke onderwerpen gingen.(79) Terwijl de filosofie in academisme verviel, raakte de kerk verwikkeld in intriges. In 1378 waren er twee pausen, in 1409 drie, en allen claimden the one and only te zijn.(80) Het spelletje 'Wie van de drie' eindigde voor Fransen in een keuze voor de paus in Avignon. Wie een ander bordje op de schoot had en Avignon niet volgde, kon maar beter het land verlaten. De rector van de Parijse universiteit, de Nederlandse logicus Marsilius van Inghen (ca. 1335-1396), trok weg naar Heidelberg, waar in 1386 een universiteit werd gesticht. De filosofen van de Lage Landen hadden voortaan de keuze tussen de universiteiten van Parijs of Heidelberg en Keulen, in 1388 opgericht. Grote delen van de noordelijke Nederlanden ressorteerden onder het bisdom Keulen en dus was het logisch dat de laaglanders gingen studeren. Uit Keulen waaide een frisse wind. De filosofen probeerden er de via moderni - de nieuwe weg - te bewandelen. Deze moderne jongens stonden onder invloed van de Engelsman William van Ockham (ca. 1285-1349). Ockham beweerde dat algemene begrippen - bijvoorbeeld 'mensheid' - verzinsels van de geest waren en niet in de werkelijkheid konden worden aangetoond. Als je wilt weten wat zich in de werkelijkheid afspeelt, kun je maar beter naar de individuele zaken - de afzonderlijke mensen - kijken, volgens Ockham. 'Je moet de zijnden niet onnodig vermeerderen', was zijn motto. Hij stelde voor overbodige metafysische begrippen weg te snijden. Zijn methode daarvoor, nu bekend als 'mes van Ockham', trof vooral vage christelijke termen. De Vlaming Jean Buridan (ca. 1292-1360) - geboren op de taalgrens in het nu Franse plaatsje Béthune - ontpopte zich tot leider van het ockhamisme. Hij bewees op majestueuze wijze dat de wereld misschien voor een groot deel deterministisch in elkaar zit, maar dat de mens vrij is. De mens heeft namelijk, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een ezel, de mogelijkheid om zijn wensen kritisch te onderzoeken. Een legende vertelt dat Buridan lesgaf over een ezel die stierf van de honger toen hij moest kiezen tussen twee gelijke hooibalen. Zoiets zou de mens niet overkomen, zou Buridan hebben gezegd. De menselijk wil wordt namelijk niet alleen bepaald door omgevingsfactoren. De mens heeft een zekere vrijheid, omdat hij zijn keuze mogelijkheden voor kan leggen aan de rede. Een mens is dus geen weerloze slaaf van de wil of het lot. Buridan stierf aan de pest die vanaf 1347 in golven door Europa trok en waarbij een kwart van de bevolking het loodje legde. Maar rond 1400 waren zijn ideeën al tot ver in Oost-Europa doorgedrongen. Terwijl Heidelberg, Keulen en zelfs Parijs onder Buridans invloed op de moderne toer gingen, besloten aanhangers van de via antiqua een eigen universiteit op te richten voor het Vlaamse en Nederlandse publiek. Dat gebeurde in 1425 te Leuven. Het was de eerste Alma Mater van de Lage Landen. Op het lesrooster stonden toen, net als nu, veel werken van Thomas van Aquino en de inmiddels steeds meer geaccepteerde Aristoteles. Twee jaar na de oprichting kregen de docenten officieel de opdracht om nooit iets van die moderne jongens als Marsilius van Inghen, Buridan of Ockham te onderwijzen. - (http://www.xs4all.nl/~nox/middeleeuwen.htm)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 692.