kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30 10 2016 15:13 voor het laatst bewerkt.

Verlichting

De Verlichting. (Wij kiezen er in deze encyclopedie om technische reden voor Verlichting met een hoofdletter te schrijven.)

Verlichting, in algemene zin: iedere geestelijke stroming, die zich met behulp van de sceptische kritiek van de rede zowel tegen vooroordelen alsook tegen de dogmatische schema's van het geloof wendt. Tevens is de Verlichting voorstander van een zodanige uitleg van de wereld, dat daarbij geconstateerde waarheden slechts als voorlopig beschouwd worden, en de kennis dus voortdurend opnieuw beoordeeld wordt. In dat opzicht zijn de antieke sofisten en de Griekse filosoof Socrates, die uitgaat van het eigen niet-weten, al vertegenwoordigers van de Verlichting.

In engere zin wordt daarentegen met de Verlichting een van de 16e tot de 18e eeuw durend Europees transformatieproces van het denken, toen de oude theologische kennisschema's moesten wijken voor een methode, waarbij de actieve rede samen met de zintuigen en de ervaring als nieuwe bron voor het vinden van de waarheid diende. Dit proces werd na afloop van de middeleeuwen en bij het begin van de nieuwe tijd door de burgerlijke maatschappij aangemoedigd. Nadat de burgerij zich stapsgewijs van de beperkingen van haar stand geëmancipeerd had, eiste men ook de mogelijkheid het leven zelf te organiseren, onafhankelijk van de stelregels van de geestelijkheid en van de adel. De wens naar geluk en een vervuld bestaan had niet meer betrekking op het hiernamaals, maar op het aardse leven. Het strevende individu op zich werd - onafhankelijk van geloofsovertuigingen - tot een zelfstandige waarde verklaard, dit was gelijktijdig ook de oorsprong van de, door Voltaire, Denis Diderot en Gotthold Ephraim Lessing uitgedragen ideeën van tolerantie en wereldburgerschap.

De geestelijke beginselen van dit proces gaan tot de subject-filosofie van de Engelse empiristen uit de 16e en 17e eeuw terug. Auteurs als Francis Bacon, Thomas Hobbes, Isaac newton en John Locke gingen ervan uit, dat na het eind van de middeleeuwse metafysica de opperste rede van bestaan niet meer in God of in een idee in de zin van Plato lag, maar in de mens zelf. Deze diende zich als subject (filosofie), aan de heersende entiteiten in natuur en omgeving te onderwerpen (Lat. subjectum = het onderliggende), opdat hij deze uiteindelijk zou herkennen en beheersen.

Deze theorema's werden toen in de 18e eeuw door de sensualistische filosoof der rede David Hume en door de moralist en estheticus Anthony A. C. Shaftesbury nauwer omlijnd en naar de gebieden ethiek en moraal uitgebreid.

Anders dan in Engeland beriepen de Franse vertegenwoordigers van de Verlichting, die in het midden van de 17e eeuw met René Descartes en zijn filosofie van de radicale twijfel naar voren traden, zich op uitgesproken rationalistische kennismodi, een traditie, die daarna door Pierre Bayle alsmede door Bernard de Fontenelle voortgezet werden. In de 18e eeuw namen voltaire, Charles de Montesquieu, Diderot en Jean Jacques rousseau deze leerstellingen weer op, breidden deze echter aan de hand van de stellingen van de Engelse empiristen en sensualisten tot een materialistisch georiënteerde kennis- en zedenleer uit.

In Duitsland werd pas met de filosofie van Gottfried Wilhelm Leibniz en Christian Wolff het eerste begin met de verlichtingsgedachte gemaakt. Deze gedachte werd later onder invloed van de Franse en Engelse verlichting, door denkers als Moses Mendelssohn en Georg Christoph Lichtenberg verder ontwikkeld en bereikte met de filosofie van Immanuel Kant en Johann Georg Hamann een waarachtige soevereine vorm. Maar anders dan in Frankrijk stonden het rationalisme van Kant en het sensualisme van Hamann relatief onverzoenlijk tegenover elkaar. En wat betreft invloed en populariteit domineerde Kant uiteindelijk duidelijk boven Hamann en dit had voor de uit Duitsland afkomstige poëtische verlichting gevolgen. Het dwepen van de sentimentele stroming en van de Sturm und Drang-periode, die pas in de klassieke tijd van Weimar een korte en vanwege de idealistische tendensen tevens ook weer door de romantiek betwiste correctie ondervond, is hiervoor een bewijs.

Uitingen van een Verlichte literatuur treft men in de 18e eeuw in alle Europese staten aan. Die uit Frankrijk, Engeland en Duitsland blijken de meest belangwekkende te zijn geweest. In de poëzie dient men de oden van Friedrich gottlieb Klopstock, de epigrammen van Lessing en de leergedichten van Alexander Pope te noemen; in het proza de fabels van Jean La fontaine, de ontwikkelingsromans van Christoph Martin Wieland, Daniel Defoe en Antoine Prévost d'Exiles, de satires van Diderot, Voltaire en Jonathan Swift alsmede de komische romans van Henry Fielding en Lawrence Sterne; en tenslotte in het dramatische genre de blijspelen van Alain-René Le Sage, Caron de Beaumarchais en de tragedies van Thomas Moore, Diderot en Lessing.

Vanaf het begin van de 19e eeuw was de verlichting in de gebieden literatuur en filosofie aan groeiende kritiek blootgesteld. Onder andere keerde men zich tegen de door onwankelbaar optimisme gedragen beginselen van vooruitgang en rede, die tot een dogma versteend waren en die in de maatschappelijke realiteit niet verder gingen dan een bourgeois-pragmatisme. Deze bezwaren lijken gerechtvaardigd, en dit vooral met het oog op het feit, dat de beide dominante ideologieën van de 20e eeuw - het fascisme en het communisme - resultaten of beter gezegd produkten van het verlichte denken zijn, de verlichting was dus tegen haar intenties in zelf tot dogma verworden. Theodor W. Adorno en Max Horkheimer hebben dit in hun in 1944 in ballingschap verschenen werk 'Dialektik der Aufklärung (Dialectiek van de Verlichting)' op verhelderende manier beschreven.

Maar ondanks deze ontwikkeling lijkt het voorbarig, om vanuit het huidige perspectief de Verlichting als geheel als een mislukte onderneming te beschouwen. Want volgens Kant is de Verlichting vooral het zichzelf Verlichten, waardoor de hierdoor bereikte mondigheid ook geen vaststaande verworvenheid is, maar door een kritische uiteenzetting met de bestaande werkelijkheid en de eigen positie steeds weer opnieuw verkregen moet worden. Verlichting is geen constructieve logica, maar een logica van de twijfel, en vereist zoals Socrates reeds gesteld had, een voortdurende herziening. In dat opzicht heeft de Verlichting ook vandaag nog een onverminderde actualiteit. Dit tonen vooral schrijvers en filosofen als Günter grass,Jürgen Habermas, Pierre Bourdieu, Salman Rushdie en Saul Bellow, die zichzelf ondanks al het voorbehoud als vertegenwoordigers van de verlichting zien.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2051.