kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 28-06-2008 voor het laatst bewerkt.

Adolf le Comte

Nederlands kunstenaar en docent aan de Polytechnische school in Delft, 30 augustus 1850 Geestbrug (Rijswijk) – 3 januari 1921 Den Haag).

Le Comte heeft een fundamentele rol gespeeld bij de herleving van de Delftse aardewerkindustrie. Daarnaast is hij van belang geweest voor de ontwikkeling van de Nederlandse profane, decoratieve glasschilderkunst.

Biografie
Adolphe Le Comte volgde opleidingen aan kunstnijverheidsscholen te Karlsruhe en Neurenberg en aan de Polytechnische School te Delft. Na zijn opleiding werkte hij een tijdlang als decorateur in Parijs (1872). Hij was een leerling van zijn vader dr. Le Comte en kreeg raadgevingen van Anton Mauve en Charles Polisch. Hij was leermeester van o.m. Anton Abraham van Anrooy, Bernardus Arps, Sieger Baukema, Hendrik van Borssum Buisman, Jaap Gidding, Abraham Frans Gips, Menso Kamerlingh Onnes, Jan van Lijnschooten, Hendrik Gerardus Luitwieler, Arend Jan Nieuwenhuis, Michiel Noordewier, Leendert Ringlever, Jan Schonk, Leon Senf, Marie Slager, Adrianus Arnoldus Teerlink, Willem Bastiaan Tholen, Frits Weiland en Johannes Embrosius van de Wetering ...

Na zijn opleiding werd Le Comte assistent van professor Eugen Gugel, zijn voormalige docent in Delft.

Delftsche Aardewerkfabriek De Porceleyne Fles
In 1877 verbond Adolf LeComte zich aan plateelbakkerij De Porceleyne Fles in Delft als artistiek adviseur, waar hij tot 1922 zou blijven werken. In die periode groeide hij van ontwerper uit tot artistiek leider van de fabriek. In 1840 was De Porceleyne Fles de laatst overgebleven plateelbakkerij, die zich met moeite het hoofd boven water kon houden, tot de fabriek in 1876 in handen kwam van Joost Thooft (1844-1890). Thooft’s droom was om de traditionele Delftse aardewerkindustrie nieuw leven in te blazen. Adolf Le Comte zou zich bij dit bedrijf eerst concentreren op de artistieke en de technische kwaliteit van het traditionele blauwwit aardewerk.

Adolf le Comte en geschilderd door Leon Senf (1860-1940), Delft, 1884, Tegeltableau van 50 beschilderde, geperste tegels, en 4 tegels en een plaat in basreliëf. Beschilderd en geglazuurd aardewerk, h. 145,6 cm, b. 92,4 cm.
Het aantrekken van de jonge en ambitieuze ontwerper Adolf Le Comte was een goede greep voor de fabriek. Leon Senf, kort na de overname door Joost Thooft aangetrokken om het vak te leren van de enig overgebleven plateelschilder in het bedrijf, de bejaarde Cornelis Tulk (1803-1893), bleek een goede plateelschilder te zijn die de ontwerpen van Le Comte met een veel raffinement kon uitvoeren.
De eerste jaren na de heroprichting van de fabriek was er in technische zin nog veel aan te merken op de kwaliteit van de uitvoering; men beperkte zich tot composities uitgevoerd in eenkleurig blauw.
Voor de inzending van de internationale tentoonstelling in Antwerpen die in 1885 zou plaatsvinden had men voor het eerst grootsere plannen.
Er werd een tegeltableau ontworpen van 145,6 bij 92,4 centimeter, bestaande uit 54 tegels en een centrale tegelplaat in reliëf. Het geheel moest een ambitieuze veelkleurige beschildering dragen, met zinnebeeldige voorstellingen en opschriften betreffende Arbeid (Labor), Eeuwige Jeugd (Aeterna Juventas) en Rust (Requies).
Op dinsdag 28 april 1885, kort voor de verzending naar Antwerpen, werd het product enkele dagen in Delft getoond.
Het commentaar in het Bouwkundig Weekblad was enthousiast: Deze compositie, meesterlijk uitgevoerd, is een symphonie, een gedicht met het menschelijke leven tot onderwerp. Overal zijn kleur en teekening één; we zien ’t frische heldere van de lente, ’t volle warme van den zomer, ’t rijke krachtige van den herfst, ’t grijze sombere van den winter; en toch, hoe verschillend al die gedeelten van toon en stemming ook mogen zijn, in ’t geheel is een harmonie, een eenheid, een rust, die het tableau tot een enkel kunstwerk maakt. Nergens komt iets teveel voor, niets dringt zich op, en wij zijn er zeker van dat een vluchtige beschouwer verbaast zal staan als hij hoort wat er al in die eenvoudige rand te zien is.Wij weten niet wat meer te bewonderen, de heerlijke diep doordachte teekening, de rijke harmonische kleurverdeeling, of de zoo uitmuntend geboetseerde gedeelten en relief; zooveel is zeker, dat het een decoratief kunstwerk is, schooner dan wij ooit tevoren zagen (Bouwkundig Weekblad 5 (1885), nr. 17, pp. 107-108).
Het 'Bouwkundig Weekblad' stond in zijn enthousiasme kennelijk niet alleen, want de inzending in Antwerpen leverde De Porceleyne Fles een gouden medaille op.

Als docent ornamenttekenen aan de academie in Den Haag (1874-1878) en in de ornamentleer aan de faculteit bouwkunde van de Polytechnische School in Delft (1878-1894) speelde hij een bepalende rol op het gebied van bouwdecoratieve kunst en andere toegepaste kunsten.

Overvloed (architect C.B. Posthumus Meyjes. In het bestek werd al genoemd dat er tegeltableaus gemaakt moesten worden door de fabriek van Joost Thooft, zoals de Porceleyne Fles toen werd genoemd.
In de stationshal werden vier tegeltableaus geplaatst met allegorische voorstellingen van 'Overvloed', 'Telegrafie', 'Stoomkracht' en de 'Delftse stedemaagd'. De tableaus zijn ontworpen door Adolf le Comte, die artistiek adviseur en ontwerper van de Porceleyne Fles was. Zijn ontwerpen sloten aan bij de traditie van het Delfts blauw, waarvoor de belangstelling destijds een eerste opleving kende. De keuze voor allegorische voorstellingen doet ook traditioneel aan, de thematiek verwijst daarentegen nadrukkelijk naar de 'moderne tijd'. Leon Senf, hoofd van de schilderswerkplaats van de Porceleyne Fles, heeft de tableaus geschilderd. Op de tableaus staan signaturen van de ontwerper en de schilder.
Binnen de geschiedenis van de Nederlandse tegelindustrie zijn het opmerkelijke en belangrijke tableaus. De Nederlandse aardewerkindustrie was in de negentiende eeuw achtergebleven bij de technologische ontwikkelingen in Engeland. De Porceleyne Fles was de eerste plateelbakkerij die in Nederland vanaf 1881 industrieel geperste tegels in onderglazuurtechniek beschilderde. Omdat men in het begin nog geen eigen tegelpers had werden aanvankelijk ongedecoreerde tegels uit Engeland geïmporteerd.

maagd van Amsterdam’, 1900, aardewerk, h: 273. x b: 150., N.V. Koninklijke Delftse Aardewerkfabriek De Porceleyne Fles. In bruikleen aan het Drents Museum in Assen.
‘De Maagd van Amsterdam’ was één van de vier sectieltegeltableaus die werden ingezonden naar de Wereldtentoonstelling, waar mondiaal nieuwe ontwikkelingen en snufjes werden gepresenteerd. De sectiel-techniek was ook nieuw. Kenmerkend zijn de voegverbindingen, die de hoofdlijnen van de tekening volgen, zoals bij glas-in-lood. Hierdoor ontstaan ongelijkvormige tegelfragmenten, waarmee de storende werking van het vierkante tegelpatroon wordt vermeden. De matte tegelfragmenten van de ‘Maagd van Amsterdam’ zijn vervaardigd van hardgebakken laagjes porselein zonder glazuur. De vervaardiging van het matte sectiel was moeilijk, omdat droog- en bakkrimp van de bovenlaag en ondergrond op elkaar afgestemd moesten worden en de tegelfragmenten niet mochten kromtrekken of scheuren.
In het midden van het tableau staat een jonge vrouw afgebeeld, de Maagd van Amsterdam, met open armen en in Hollandse klederdracht. Zij staat voor een lage muur met zonnebloemen aan haar voeten. Met haar rechterhand leunt zij op een schild met het wapen van Amsterdam en met haar linkerhand op een schild met de Hollandse leeuw. Een bloemenkrans siert haar hoofd. Op de achtergrond bevindt zich Amsterdam als havenstad aan het IJ. Op het water varen zeilschepen, maar ook een stoomboot. Aan de haven ligt het stationsgebouw met de ronde overkapping. In de rimpeling van het water en in het gewaad van de maagd zijn de stilistische kenmerken van de Jugendstil te herkennen.
De nieuwe vormen en kleuren van het sectieltegeltableau kregen op de wereldtentoonstelling internationale erkenning en werden onderscheiden met een gouden medaille. De techniek werd naderhand slechts in beperkte mate toegepast en raakte spoedig geheel buiten gebruik. Nu is het tableau niet alleen vanwege zijn techniek, maar ook door zijn afbeeldingen kenmerkend voor de industriële revolutie aan het begin van de twintigste eeuw.

Tussen 1892 en 1902 ontwikkelde de fabriek door toedoen van Adolf le Comte nieuwe soorten aardewerk met daarbij behorende glazuren en decoraties, zoals het Berbas, Reflet Metallique, Jacoba en het Porselein Biscuit, waarmee de Delftse fabriek tot de voorlopers in de vernieuwing van de vormgeving behoorde.

Van 1902 tot 1908 gaf Adolf le Comte aan de Academie van beeldende kunsten te Rotterdam les aan kunstschilders. Schilders als Jan Toorop, Harm Kamerlingh Onnes en Tholen volgden de lessen van Le Comte.

Le Comte was ook op actief in het culturele en politieke leven. Hij was bevriend met Lambert van Meerten en Jan Schouten met wie hij samen een belangrijke rol speelde in de totstandkoming van het Kunstnijverheidsmuseum Lambert van Meerten in Delft. In 1909 werd Le Comte de eerste directeur van dit museum.

ADOLF LE COMTE f 1850—1921.
Begin Januari is de bekende schilder van landschappen en riviergezichten, Adolf le Comte, op ruim zeventig]arigen leeftijd te 's-Gravenhage overleden. Met recht mag van dezen krassen zeventiger gezegd worden, dat de dood hem te midden van zijn werk heeft overvallen; want zagen wij
op de tentoonstelling in Pulchri en in den kunsthandel Biesing niet nog tal van stukken uit den laatsten tijd bijeen?
Na zijn ontslag als Directeur van het Rijksmuseum „Huis Lambert van Meerten" te Delft in November 1918 heeft LeComte dus niet lang meer van zijn zoo welverdiende rust mogen genieten. En wat had hij er zich niet veel van voorgesteld, om den tijd, dien hij thans beschikbaar had, geheel aan zijne lievelingsbezigheid, het schilderen, te kunnen wijden! Zijn eigenlijke werkzaamheden toch, en er waren er vele, lagen feitelijk op een ander gebied.
Op gelukkige wijze heeft Le Comte de intuïtieve gaven van den artist in het leven zelf, in dienst en tot nut der maatschappij in toepassing en tot ontplooiing kunnen brengen, zoodat hij in den vollen zin des woords een kunstenaar, een „Lebenskünstler" genoemd mag worden.

Van groote waarde bleek zijn invloed bij het onderwijs in decoratieve kunst aan de Polytechnische school te Delft (1878-1894) en later aan de Academie van beeldende kunsten te Rotterdam (1902-1908).
Gaarne onderschrijven wij hetgeen een oud-leerling, thans hoogleeraar, eens getuigde : „Wat Le Comte deed tot verheffing van het artistieke element aan de Polytechnische school kan moeilijk hoog genoeg worden aangeslagen. — In een tijd, dat de versierende kunst bij ons te lande op een laag peil stond en de publieke belangstelling daarvoor vrijwel tot het vriespunt was gedaald, in een tijd van wansmaak en groote onverschilligheid, wist deze jonge kunstenaar de liefde voor zijn vak bij zijn leerlingen aan te wakkeren en door zijn invloed de verdoolde Nederlandsche kunstnijverheid voor een groot deel wederom in de goede banen te leiden."
Te verwonderen is het niet, dat tijdgenooten en oud-leerlingen steeds vol lof en waardeering over de persoonlijkheid van Le Comte en zijn met zooveel bezieling gegeven onderwijs spreken. Typisch voor het karakter van Le Comte en zijn optreden als docent is nog het volgende oordeel van genoemden oud-leerling. „Zijn correctie's op hun werk, hetzij deze in schertsenden, ironischen vorm waren ingekleed, hetzij als nuchtere kritische opmerkingen, werden altijd met veel takt, en als een genoegelijke, vertrouwelijke bespreking gegeven en wanneer hij het potlood nam om aan zijn woorden duidelijkheid bij te zetten, dan wisten zij niet wat meer te waardeeren, het vlotte van zijn schetsen of de raakheid van zijn opmerkingen, die bij alle pittigheid nimmer kwetsend of ontmoedigend maar daarentegen opbouwend en aansporend waren."
- (www.elseviermaandschrift.nl)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 26.