kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 28-06-2008 voor het laatst bewerkt.

Andries Copier

Nederlands keramist, edelsmid, glaskunstenaar, glasschilder, monumentaal kunstenaar (mozaïek) en muurschilder, geboren 11 januari 1901 Leerdam - overleden 19 december 1991 Wassenaar.

Veel van de ontwerpen van A.D. Copier worden gekenmerkt door een heldere, geometrische vormentaal, die destijds aansloot bij De Stijl en de Nieuwe Zakelijkheid. Bol, cylinder en cirkel speelden een belangrijke rol. Eerdere ontwerpen waren beïnvloed door natuurvormen zoals bloemen en vruchten.
Wat opvalt aan de glasontwerpen van A.D. Copier is de eenvoud. Strakke ronde vormen, soms glad, soms versierd met ribben, geometrische figuren, een sierlijk gedraaide hals of een zwierige lijn. Vaak zit het bijzondere hem in de verfijnde kleur en de technische afwerking: de optische vormen, het craquelé effect en de kleurcontrasten.
Karakteristiek voor Copiers artistieke oeuvre is het feit dat hij zich altijd heeft opengesteld voor nieuwe ontwikkelingen op allerlei gebieden binnen de beeldende kunst en de architectuur. Deze invloeden wist hij te vertalen in persoonlijke, eigentijdse ontwerpen. Hierdoor getuigen de producten van de Glasfabriek 'Leerdam' en ook zijn latere 'vrije' glas van een internationale actualiteit.

Biografie
Andries Copier groeide op als oudste van tien kinderen in Leerdam, het stadje aan de Linge waar sinds 1765 glas werd geblazen. Hij was de zoon van Gijsbert Copier, afdelingshoofd glasfabriek, en Antje van Hoogdalem.

In 1914, op zijn 13de, direct na zijn lagere schooltijd, trad hij in dienst bij de NV Glasfabriek 'Leerdam', voorheen Jeekel, Mijnssen & Co., voor 50 cent per dag als werkman op de etsafdeling als assistent van zijn vader, die daar werkzaam was als hoofd van de etsafdeling. Andries Copier was van 1914 tot 1971 aan de Glasfabriek verbonden en leverde een constante stroom van ontwerpen, zowel voor gebruiksglas als kristallen Unica en Serica.

De jonge Copier kon goed tekenen en volgde van 1915 tot 1918 een cursus schilderen bij de vereniging 'De Middenstand' te Leerdam.

Zijn artistieke talent werd opgemerkt door P.M. Cochius, van 1912 tot 1933 directeur van de fabriek. Kochius stelde Copier in de gelegenheid zich op kosten van de fabriek verder artistiek te bekwamen, waardoor hij in het bedrijf breder inzetbaar zou zijn. Hij stuurde Copier eerst van 1918 tot 1919 naar de Vakschool voor de Typografie in Utrecht en vervolgens studeerde hij van 1920 tot 1925 - buiten werktijd - aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam, voornamelijk onder de vormgever Jac. Jongert, die destijds de grafische vormgeving van de Glasfabriek 'Leerdam' verzorgde. Tijdens zijn studie nam Copier steeds meer het reclamemateriaal van de fabriek voor zijn rekening en vanaf 1923 mocht hij zich officieel 'aesthetisch medewerker' noemen.

De eerste decennia van Copiers artistieke carrière waren nauw verweven met de artistieke aspiraties van Cochius. Deze had in 1915 het initiatief genomen om, naast het bestaande assortiment van verpakkings- en gebruiksglas, een collectie kunstnijverheidsglas op de markt te brengen die niet alleen betaalbaar, maar ook goed vormgegeven was. Hiervoor werden op freelance basis een dertigtal gerenommeerde kunstenaars aangetrokken - zoals K.P.C. de Bazel, H.P. Berlage, C.J. Lanooy en J.J.C. Lebeau - van wie velen omstreeks de eeuwwisseling het voortouw hadden genomen bij de vernieuwing van de Nederlandse interieurkunst. Copier werd begin jaren twintig aangesteld om het ontwerpproces en de productie van deze kunstnijverheidscollectie te begeleiden. Vanaf 1921 begon hij zelf te ontwerpen voor de kunstnijverheidscollectie. Copier zou decennialang als enige ontwerper in vaste dienst aan de fabriek verbonden zijn.

Cochius omschreef Copier later als een vormgever die kans heeft gezien 'met onuitputtelijke energie ieder jaar en dikwijls twee maal per jaar een aantal nieuwe artikelen te ontwerpen, die steeds weer blijk gaven van grote gevoeligheid, originaliteit, maar waarvan het geheim, dat de gebruiker zich in zijn werk blijft interesseren, mijns inziens, hierin moet worden gezocht, dat hij bijna steeds kans zag, strenge vormgeving te paren aan aantrekkelijkheid en doelmatigheid'. Tot de hoogtepunten van zijn vroege werk worden de serviezen 'Smeerwortel' (1923), 'Romanda' (1924) en 'Peer' (1927) gerekend. Het servies 'Smeerwortel' werd in 1925 op de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes in Parijs bekroond met een zilveren medaille. In de late jaren twintig ontwierp Copier ook glas-in-lood, dat onder de naam 'Vitrica' op de markt werd gebracht.

Het werk van Copier is in twee hoofdgroepen te verdelen. Ten eerste het serieglas, in vorm geblazen gebruiksglas met de nadruk op functionaliteit. Ten tweede, en daarmee werd Copier wereldberoemd, de unieke, experimentele kunstvoorwerpen: de Leerdam Unica Copier ontwierp deze vanaf 1923, zonder van tevoren een ontwerp te maken, direct aan de oven in samenwerking met een meesterglasblazer. Daar experimenteerde hij met nieuwe vormen en technieken. Wat in eerste instantie in 1923 begon als een gezamenlijk experiment met de meesterglasblazer Gerrit Vroegh om de mogelijkheden van het materiaal te onderzoeken, groeide uit tot een wereldberoemd product: de 'Leerdam-Unica'. In 1925 werd de naam 'Leerdam-Unica' geïntroduceerd als nieuw geregistreerd onderdeel van de kunstnijverheidscollectie. Het zijn vazen, schalen en decoratieve objecten met een eenmalig karakter - de vroege ontwerpen worden gekarakteriseerd door het gebruik van craquelé decors - die in nauwe samenwerking met meesterglasblazers ontstonden. In de late jaren twintig ontstond een aantal gelobde schalen, waarbij de vormgeving voortkwam uit voorbeelden van zeedieren. Wat Copier in zijn Unica uitprobeerde, paste hij later toe op de Leerdam Serica, in serie gemaakt glaswerk dat functioneler is en strakkere vormen heeft dan de Unica Ook de Serica werden meestal apart geblazen, waardoor ze onderling verschillen in vorm, kleur en decoratie. Ze werden gemaakt in een beperkte oplage van 50 tot enkele duizenden, al naar gelang de belangstelling.

Gehuwd op 27-5-1927 met Theodora Catharina Matthijsen (1899-1976). Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 1 dochter geboren.

In de geest van het opkomende modernisme en het Nieuwe Bouwen werden Copiers ontwerpen voor gebruiksglas veel eenvoudiger. Zelf heeft hij zijn bezoek aan de internationale architectuurtentoonstelling 'Die Wohnung' in 1927 op de Weissenhofsiedlung te Stuttgart als begin van deze kentering aangegeven. De strakke, eenvoudige modelwoningen - van onder meer Le Corbusier, J.J.P. Oud en M. Stam - die hij daar zag, inspireerden Copier tot zijn bekendste ontwerpen, zoals de geperste glazen bloempotten in zogeheten 'Graniver' (1928-1929) en de bol- en cilindervazen (1928-1930). Hetzelfde geldt voor het veelverkochte servies 'Gilde' (1930), door hem ontworpen in opdracht van de Vereeniging van Nederlandsche Wijnhandelaars en in 1958, als een van de eerste serviezen, volautomatisch geproduceerd. Het grote succes van dit servies ontlokte bij Copier eens de uitspraak dat er in Nederland geen huishouden bestond waar geen werk van hem aanwezig was.

1930 Glasfabriek Leerdam - Gilde serie
De kelk van het Gilde-glas wordt gezien als de designtopper van de 20e eeuw. De maatverhouding van Gilde wordt bepaald door de gulden snede.

1930 Het Gildeglas: Het Gilde-servies, een ontwerp uit 1930 van A.D. Copier, is een vormgevingsklassieker. Het wordt nu bijna 70 jaar geproduceerd, zowel in mondgeblazen kristal als machinaal vervaardigde vorm. Het Gildeglas was oorspronkelijk een set van drie verschillende wijnglazen en werd ontwikkeld in nauwe samenwerking met de Vereeniging van Nederlandsche Wijnhandelaren. Tegenwoordig worden ook glazen voor andere dranken geproduceerd. De vormgeving is bij uitstek geschikt voor het drinken van wijn, omdat de tulpvormige kelk ruimte aan de wijn geeft om te walsen en de toegesloten vorm het bouquet lang vast houdt. Het ontwerp wordt gekenmerkt door een tijdloze schoonheid en functionaliteit. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken gebruikt het servies bij alle officiële diners van de diplomatieke diensten in het buitenland.

In de jaren dertig zou Copier - sinds 1927 artistiek directeur -, mede als gevolg van de slechte economische situatie, als enige ontwerper van glaswerk voor de fabriek werkzaam zijn. Pas omstreeks 1940 zou de fabriek weer externe ontwerpers aantrekken. Als ontwerper concentreerde hij zich op een vereenvoudiging van het kunstnijverheidsglas en op twee nieuwe, eenvoudiger collecties: de 'Sonoor'-collectie en de 'Huishoud'-collectie. Karakteristiek voor zijn werk uit deze periode is het gebruik van zachte transparante kleuren, zoals grijsviolet, zilvergroen en saffier, en het verwerken van zowel dik- als dunwandigheid in hetzelfde werkstuk.

In 1937 nam Copier deel aan de Wereldtentoonstelling in Parijs.

Eind 1938 verhuisde Copier met zijn gezin van Leerdam naar Amersfoort, waar hij tot 1951 zou wonen.

In 1940 richtte Copier de Glasschool Leerdam op, een intern opleidingsinstituut voor blazers, slijpers en andere vakmensen in decoratie en ontwerp van glas. Het droeg bij aan een eigentijdse vormgeving van het Leerdamse glas. Na een lange tijd van sobere vormgeving kwamen gegraveerde, gezandstraalde en geslepen versieringen veelvuldig voor, waardoor het glas aansloot bij toentertijd heersende modes. In deze tijd zou Copier ook glasramen ontwerpen met gezandstraalde voorstellingen en vlakverdelingen. De 'Leerdam-Unica' uit die tijd waren dikwandige vazen en schalen waarin door middel van metalen stempels afbeeldingen waren ingedrukt van zeedieren, planten en vogels.

Aan de Glasschool Leerdam volgde Willem Heesen (1925) een vierjarige opleiding voor ontwerpers en decorateurs. Na een aansluitend studiejaar aan de Vrije Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag werd Willem Heesen in 1948 aangesteld als ontwerper bij de glasfabriek in Leerdam. Na de pensionering van Andries Copier werd Willem Heesen in 1967 hoofdontwerper. Tot dan toe had hij zich uitsluitend beziggehouden met het ontwerpen en decoreren van glas, maar intussen zocht hij voortdurend naar mogelijkheden om zelf glas te gaan blazen. In 1977 nam hij ontslag in Leerdam en begon in het voormalige watergemaal De Oude Horn in Acquoy een eigen, gelijknamige glasstudio. Andries Copier toonde grote belangstelling voor de studio en kwam er vanaf 1978 zelf unica maken. AI spoedig waren producten van de Oude Horn vertegenwoordigd op tentoonstellingen in Europa, de Verenigde Staten, Canada en Japan.

Na de oorlog werd zijn pompoenvormig, hel oranje 'bevrijdingsvaasje' uit 1945 een gewild object.

Copier was in 1950/1951 directeur van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs te Amsterdam. In 1951 verhuisde Copier met zijn gezin naar Den Dolder, naar een door de architect Gerrit Rietveld - voor wie hij altijd grote bewondering heeft gehad - voor hem ontworpen huis.

In de jaren vijftig en zestig heeft Copier maar weinig ontwerpen voor glas gemaakt, daar hij zich in toenemende mate met meer organisatorische zaken, zoals de promotie van het Leerdamglas, was gaan bezighouden. In 1958 verzorgde hij op de Wereldtentoonstelling te Brussel de inrichting van een Leerdam Paviljoen. Deze werd met een Grand Prix bekroond.

Hij stond in 1968 aan de wieg van het Glasvormcentrum, dat nog steeds de basis is van de ambachtelijke kristalproductie van Leerdam.

Vanaf het eind van de jaren zestig volgden de tentoonstellingen van zijn werk in binnen- en buitenland elkaar in snel tempo op. Zijn 'Leerdam-Unica' uit de jaren vijftig hadden een experimenteel karakter, waardoor ze als voorlopers van het studioglas worden beschouwd.

In 1971 beëindigde Copier zijn Leerdamse loopbaan om zijn vrouw te verzorgen. Zij verruilden eind 1975 het Rietveldhuis in Den Dolder voor een appartement in Wassenaar. Na haar overlijden in het daaropvolgende jaar begon Copier in 1979 aan een nieuwe artistieke fase in zijn leven. Met behulp van eeuwenoude technieken, zoals filigraan en overvangen, wist hij experimentele stukken 'vrij' glas te creëren, die door harmonie en kleurgebruik altijd te herleiden waren tot zijn persoonlijke handschrift. Hierbij maakte hij gebruik van de vaardigheid van vele meesterglasblazers uit de hele wereld, die hij in allerlei studio's opzocht. Met regelmaat werkte hij met Bernard Heesen in de studio 'De Oude Horn' van Willem Heesen sr. in Acquoy, met Lino Tagliapietra in het Italiaanse Murano en met Petr Novotny en Jan Friedrich in het Tsjechoslowaakse Novy Bor.

Tot kort voor zijn overlijden heeft Copier met niet aflatende energie aan een fascinerend oeuvre in glas gewerkt. Hij genoot van de groeiende publieke belangstelling en gaf tot op het laatst van zijn leven interviews, waarin hij steevast zijn fascinatie voor glas verwoordde. In de jaren tachtig kreeg Copier verschillende onderscheidingen, waaronder het erelidmaatschap van de American Glass Art Society in 1985 en de David Röell Prijs in 1987.

Websites: http://www.inghist.nl/


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 244.