kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 31-12-2015 voor het laatst bewerkt.

antiek

Antiek

Het woord antiek is een collectieve aanduiding voor oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen.

Doordat het woord antiek collectief gebruikt wordt, kan het niet één bepaald voorwerp aanduiden. Wil men dat toch doen, dan spreekt men van "stuk antiek", of van "antiquiteit": dat laatste woord wordt voornamelijk in het meervoud gebruikt. Het woord komt daarnaast voor als bijvoeglijk naamwoord: "antiek voorwerp", "antiek schilderij" enzovoort.

Ouderdomscriterium
Het is niet de kunstwaarde die bepaalt of een voorwerp antiek is. De belangrijkste criteria zijn:
- Het voorwerp moet door mensenhand gemaakt zijn.
- Het moet een zekere ouderdom bezitten. Doorgaans wordt daarbij uitgegaan van een leeftijd van 100 jaar; in bepaalde gevallen is een voorwerp echter pas antiek als het 125 of zelfs 150 jaar oud is.
- Bij boeken geldt een wat minder streng criterium: zij zijn antiek als ze ten minste 75 jaar oud zijn. Boeken van recenter datum, die echter niet meer leverbaar zijn bij de uitgever, heten zeldzaam. Bij het zogenaamd "modern antiquariaat" (of "ramsj") is er in het geheel geen ouderdomscriterium: hier gaat het om uitgeversrestanten die voor een fractie van de prijs worden verkocht.

Schilderijen
Schilderijen kunnen uiteraard tegelijkertijd kunst zijn (als zij artistieke waarde hebben) en ook antiek (als zij aan het ouderdomscriterium voldoen). De veelgehoorde uitdrukking "kunst en antiek" suggereert dan ook ten onrechte dat het hier om twee categorieën zou gaan die elkaar uitsluiten. De waarde van een antiek schilderij is, los gezien van de artistieke waarde, afhankelijk van onder meer de staat waarin het verkeert, het onderwerp (hier zijn modetrends herkenbaar) en de toepasselijkheid (vaak is een schilderij dat een bepaalde lokaliteit weergeeft, in de regio zelf meer gewild dan elders).

Meubilair
Meubilair wordt wel gezien als verlengstuk van de architectuur, zij het dat meubels dan het beweeglijke deel vormen. (Het Latijnse mobilis, "beweeglijk", verwijst wellicht naar die verplaatsbaarheid, hoewel ook wel is verondersteld dat het herinnert aan de reiskisten die hooggeplaatsten in de Middeleeuwen op hun reizen meenamen om hun bezittingen te vervoeren.) Aangezien meubels vaak van hout zijn gemaakt, waren zij vergankelijk. De meeste stammen uit de Gotiek of uit later perioden. Daarbij is de periodisering deels afhankelijk van het land van herkomst: zo spreekt men in Engeland van stijlen als Regency of George III, terwijl op het vasteland van Europa stijlen als Louis XVI bekender zijn.
(zie verder het artikel meubels)

Klokken, horloges
Een klok is zowel een mechaniek als een meubelstuk. Uit de Oudheid stammen zonnewijzers en waterklokken, terwijl over de vroege Middeleeuwen weinig bekend is. Mechanische klokken zijn vanaf de 13e eeuw bekend. De eerste mechanieken werden door gewichten gaande gehouden; aan het begin van de vijftiende eeuw kwam het veermechanisme is gebruik, en in de zeventiende eeuw deden zich grote technische vorderingen voor. - (zie verder het artikel klok)

Kleden, tapijten, textiel
Het verschil tussen kleden en tapijten betreft de afmetingen: kleden zijn niet groter dan ruwweg 2,5 bij minder dan 2 m. Is die breedte ongeveer 1 m, dan is het een loper.

Grondstoffen kunnen sterk variëren; met name zijn natuurlijke materialen gebruikt: wol, katoen, zijde. Dit geldt natuurlijk met name voor de tapijten die in vele landen reeds uit de derde eeuw voor onze jaartelling bekend zijn.

De weefvormen vallen in twee hoofdgroepen uiteen. Platte weefsels zijn een samenstel van haaks op elkaar geweven draden, schering en inslag; kleden met pool hebben opstaande draden, de schering, vaak van wol en op maat geknipt, staat rechtop.

Oosterse kleden en tapijten
Bij de bekende Oosterse kleden en tapijten wordt al gauw aan producten van Perzische oorsprong gedacht, maar de herkomst kan variëren: zij komen evenzeer uit Turkije, Turkmenistan, de Kaukasus en het Verre Oosten.

Perzische tapijten van voor 1800 zijn vak groot van afmeting, van wol of zijde geweven, soms met metaaldraad daar doorheen. Tussen 1800 en 1850 is de kwaliteit veel minder, maar na 1850 worden hoogwaardige tapijten gemaakt voor de export naar het Westen. Er zijn dan twee soorten: die welke van stammen afkomstig zijn en waarnaar ook nu nog veel vraag is, en die uit de steden. Rond 1880 worden westerse motieven waarneembaar, zoals bloemen.

Vroege Ottomaanse tapijten (voor 1700) hebben vaak geometrische bloemmotieven en schrifttekens. De vraag naar deze tapijten is groot, de prijs hoog. Ook hier valt, vanaf de 19e eeuw, westerse invloed te bespeuren: voor die markt werden de tapijten nu veelal gemaakt. In tegenstelling tot de oudere exemplaren, die overwegend van wol waren, werd nu zijde en katoen meer gebruikt.

Van het heterogene gebied dat de Kaukasus vormt, is van voor 1600 weinig productie bekend. Daarna zijn de motieven vaak helder van kleur en groot, de voorstellingen betreffen dikwijls bloemen of dieren. Er zijn, vooral uit het zuiden, veel kleden en lopers, vaak met vrij grove motieven.

Voorwerpen uit Turkmenistan zijn vaak klein van omvang, wol wordt veel gebruikt, en behalve kleden en tapijten zijn er veel zakken, tuigage en andere gebruiksvoorwerpen vervaardigd. Geometrische dier- en platmotieven komen veel voor.

Tapijten uit het Verre Oosten zijn afkomstig uit China, maar ook uit Mongolië, Nepal, Tibet of Oost-Turkestan. Ze zijn vaak zwaar van uitvoering; de rug is vaak van katoen, de pool van wol. Hier zijn behalve de roodachtige kleuren ook vaak geel en blauw aanwezig. Ook nu weer komen gebruiksvoorwerpen voor. De motieven weerspiegelen vaak een andere cultuur dan die van het Nabije Oosten: zo komen op Chinese tapijten vaak draken of lotusbloemen voor.

Europese kleden en tapijten
Handgeknoopte Spaanse tapijten stammen uit de Moorse periode. Vaak is in de motieven een Turkse invloed herkenbaar, later ook Franse. Portugese tapijten zijn vaak op volkskunst gebaseerd.

Een geheel ander soort tapijten werd in Frankrijk vanaf 1627 vervaardigd in de Savonnerie (een gebouw bij Parijs) en later, toen de vraag toenam, ook in het Zuid-Franse Aubusson. Motieven kunnen classicistisch zijn, maar ook allerlei andere stijlen weerspiegelen, afhankelijk van de heersende smaak. Na een onderbreking door de Franse Revolutie kwam de productie opnieuw op gang, voortaan vaak in de empirestijl en met militaristische of zeer gecompliceerde motieven. Goede Savonnerietapijten zijn uitzonderlijk duur.

In Groot-Brittannië en Ierland kwam de productie pas rond het midden van de 18e eeuw op gang; tot dan toe werd er vooral geïmporteerd uit Perzië en Turkije. Toen er eenmaal tapijten werden geproduceerd, volgen die vaak de smaak van de dag, en ze laten dus een veelheid van stijlen zien. Enkele kenmerkende motieven zijn rozen en aardbeiplanten, maar ook heraldische figuren.

Textiel
Bij textiel valt te denken aan een veelheid van toepassingen: borduur- en ander naaldwerk, merklappen, lappendekens en gestikte dekens, maar ook kleding: jurken, sjaals, omslagdoeken, kantwerk, herenkleding.

De marges van de antiek
Onder druk van de markt neigt de ouderdomsgrens van antieke voorwerpen naar verschuiving; steeds recenter werk wordt dan als antiek beschouwd. Zo vielen uitingen van de Jugendstil al na zestig jaar binnen de categorie; Art Deco wordt nu als antiek beschouwd, terwijl ook voorwerpen uit de schrale oorlogstijd en uit de vijftigerjaren gretig aftrek vinden, evenals memorabilia zoals oorspronkelijke singles van de Beatles, oudere gesigneerde voetbalshirts, oud speelgoed enzovoort. In al deze gevallen gaat het, strikt genomen, (nog) niet om antiek in engere zin. Belangrijker is hier dat het voorwerp een authentieke vertegenwoordiger is van de periode waaruit het stamt.

Antiekhandel
Veel antiek wordt verhandeld op beurzen, rommelmarkten en veilingen. Een handelaar in antiek wordt een "antiquair" genoemd, tenzij hij in oude boeken handelt: dan is de aanduiding "antiquaar". In beide gevallen heet de handel, of de winkel waarin die plaatsvindt: "antiquariaat".

Oudheid
In een andere betekenis wordt ook de Latijnse en Griekse Klassieke Oudheid wel de "Antieke Oudheid" genoemd; mensen uit die periode zijn dan "(de) antieken”.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article ABC

Knipkunst
Met behulp van schaar en mesje uitgeknipte en gesneden voorstellingen van papier, die vaak opgeplakt worden op een ondergrond van afstekende kleur en als wandversiering dienst doen. Vooral in de 18de eeuw in de mode. Veel knipwerken zijn gelegenheidsstukken, die werden gemaakt ter ere van geboorte, verjaardag, huwelijk enz.

Koekprenten (-planken, -vormen)
Werden gebruikt bij het maken van droog deeggebak, koek (speculaas, taaitaai, harde koek, gezoet wittebroodsdeeg) en marsepein. Zij werden aanvankelijk gemaakt door de bakkers zelf of door rondtrekkende kooplieden. De negatieve voorstellingen werden meestal gesneden in peren- of kersenhout; men drukte het deeg erin voordat het in de oven gebakken werd. De figuren waren traditioneel en ontleend aan volksverhalen.

Kraantjeskan
Buikige, dikwijls zwartgelakte en van een kraantje voorziene tinnen kan op drie gebogen pootjes, rustend op een driehoekig komfoortje in Louis XV-stijl. Komt ook voor in de Louis XVI-stijl als cilindrische kan op vierkant komfoor, maar dan meestal uitgevoerd in koper. Ofschoon typisch Nederlands, ook bekend in Noord-Duitsland (Dröppelminna), met Elberfeld Barmen als productiecentrum. Stamt uit midden van de 18de eeuw.

Kuei
(Chin.) Ritueel jadetablet, langwerpig van vorm met rechthoekige onderkant en puntige bovenkant, ook bekend vanaf de Shang-dynastie, wellicht een symbool van macht. De term kuei wordt ook gebruikt voor een bepaald bronzen vat.

Ku wên
Zie Pi.

Kwispedoor
(v. Port. cuspidor) Spuugpotje, komt in China al in de T’ang- en Sungperiode voor. Met het toenemende roken in de 18de eeuw ingeburgerd in het Westen. Het meest voorkomende model is een rond potje met een grote uitstaande rand. Kwispedoors (met blauwe en met polychrome bloemdecoraties) werden veel uit China geïmporteerd, maar ook in Delft gemaakt. Wit Delftse kwispedoors waren zeer algemeen tot ver in de 19de eeuw.

Lakstempel
Onmisbaar gereedschap om brieven te sluiten en te verzenden, tot aan de instelling van de postzegel (in Nederland in 1852) maar ook daarna nog van nut bij de verzegeling van postpakketten. Naast de gebruikelijke zegelringen met stenen matrix en metalen stempels met houten handvat komen in het begin van de 18de eeuw lakstempels (cachets) in zwang die aan de châtelaine werden gedragen. De matrix (het deel waarin het monogram of wapen staat gegraveerd) werd toen ook vaak uit steen, of zelfs van gekleurd glas gemaakt. Uit het einde van de 18de eeuw dateren de stempels die, zoals bij de stam van de slingerglazen het geval was, een glazen handvat hebben waarin een gewonden spiraal van gekleurd glas is gesmolten. Toen de châtelaine in onbruik raakte, aan het begin van de 19de eeuw, verschenen stempels met fantasiehandvatten in de vorm van schelpen, bloemen, dierenkoppen, enz. Na 1845 toen de presse-papiers van millefioriglas uit Baccarat in de mode kwamen, werden ook bijpassende handvatten voor lakstempels gemaakt.

Lamp
De vroegste vorm van kunstlicht bestond uit een bakje gevuld met olie waarin een pit dreef; deze was al in 3000 v. C. bekend. Uit dit olielampje ontwikkelde zich in de 17de eeuw de bekende ‘snotneus’. Uit ca. 1780 stamt een hoge, staande olielamp waarbij het oliereservoir van glas was en van een maatverdeling voorzien, zodat de lamp tegelijkertijd kon dienen als een simpele tijdmeter; de pit is bevestigd in een aan de zijkant van de lamp naar buiten komend buisje. In 1784 werden twee belangrijke verbeteringen ingevoerd: de binnen twee concentrische buizen lopende cilindrische pit en het lampenglas. De nieuwe olielampen worden naar de uitvinder ‘argandlamp’ of naar de Franse fabrikant ‘quinquet’ genoemd. Zij zijn vaak van beschilderd blik (tôle peinte) gemaakt. Een staande lamp met kaarsen uit dat tijdvak was de bouillotte. Omstreeks 1816 deed de gasverlichting haar intree, maar daarnaast bleef gedurende de hele 19de eeuw de olielamp in gebruik.

Lantaarn
Geheel of gedeeltelijk omsloten kaarshouder die hetzij verplaatsbaar en draagbaar is dan wel aan een arm aan wand of deur werd bevestigd. Vooral in grote hallen werden dikwijls een of meer lantaarns opgehangen. Vanaf de middeleeuwen tot in de 17de eeuw in gebruik. De oudste vorm is een bronzen kegel of cilinder, met open zijkanten; hieruit heeft zich een vierkante of achthoekige vorm ontwikkeld, waarvan de zijkanten waren afgesloten met dunne plaatjes hoorn, perkament of glas.

Lepelrek
Wandplankje met gaten voor het bergen van lepels, ook combinatie uit verscheidene plankjes. Oorspronkelijk volkskunstproduct, waaruit de meest originele en boeiende modellen stammen.

Letterlap of merklap
Lap voorzien van meestal in kruissteek uitgevoerde decoratief behandelde voorstellingen, lettertekens en cijfers. Ook verschillende borduursteken komen voor. Deze lappen, die een typische uiting van Nederlandse volkskunst zijn, werden gemaakt als proeve van bekwaamheid door schoolmeisjes. Meestal 19de eeuws, maar ook wel uit de 18de en zelfs uit de 17de eeuw.

Levensboom
Zinnebeeldige voorstelling van het menselijk leven, die veel in de volkskunst als versiering voorkomt. In Nederland treft men het motief veel aan in houtsnij-, borduur- en koperwerk.

Liksteen
Paddestoelvormig glazen gereedschap voor het gladwrijven van linnen. Sinds de middeleeuwen in gebruik.

Loopwagen of rolwagen
Rollend rekje waarin kinderen werden neergezet om te leren lopen. Het bestaat uit twee ringen, de kleinste aan de bovenkant, verbonden door gedraaide spijlen. Aan de onderste ring zijn wieltjes bevestigd. Al bekend in de 16de eeuw.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1244.