kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 29-09-2013 voor het laatst bewerkt.

Michael Thonet

Duits-Oostenrijkse meubelmaker, geboren 2 juli 1796 in Boppard, Duitsland - overleden 3 maart 1871 in Wenen.

De zeer succesvolle door Thonet opgerichte meubelfirma bestaat nog steeds. Haar succes is af te meten aan het grote aantal kopieën en navolgingen, waarin zij zich mag verheugen.

  Zie ook Biografie
Michael Thonet groeide op in het Duitse plaatje Boppard dat in een gebied ligt waar veel aan meubelvervaardiging werd gedaan.

Hij was de zoon van een leerbewerker en ging in de leer als schrijnwerker. In 1819 opende de jonge meestermeubelmaker in Boppard am Rhein een eigen werkplaats waar hij niet de voor die tijd gebruikelijke zware meubelen van mahoniehout wilde maken, maar mooie en lichte wilde meubels die door zo veel mogelijk mensen konden worden gebruikt.

Bopparder stoel

Thonet experimenteerde met diverse houtbewerkingstechnieken en kwam uiteindelijk uit op het buigen van hout. Hij lijmde in de lengterichting van de nerf gezaagde repen hout op elkaar die vervolgens werden gestoomd om ze dan in een mal in ronde vormen te kunnen buigen. Vervolgens bekleedde hij deze vorm met fineerhout. Dankzij deze techniek konden er binnen korte tijd veel meubelen van een zelfde soort geproduceerd worden. Zijn "Bopparder stoelen" die volgens dit procedé werden gemaakt waren klassiek van vorm en uitwendig niet te onderscheiden van de op traditionele vervaardigde stoelen.

Omdat Thonet graag wilde laten zien wat er met de buigtechniek allemaal mogelijk was werden zijn ontwerpen aanvankelijk geroemd als curiosa en niet als mooie functionele meubelen. De eerste modellen van zijn meubelen die volgens het nieuw procedé waren gemaakt toonde hij in exposities in Koblenz in 1841 en Mainz in 1842.

Thonet vestigde zich op uitnodiging van de Oostenrijkse vorst van Metternich in Wenen, waar zijn houtbuigtechniek door het hof gepatenteerd werd en hij samen met de Weense meubelmaker Carl Leister werkte aan de stoelen voor Paleis Lichtenstein.

In 1849 opende hij met steun van de Prins van Liechtenstein en de architect P.H. Desvignes (1804-1883) samen met vier zonen een meubelatelier in Gumpendorf, een voorstad van Wenen. De ontwerpen die hij hier ontwikkelde werden getoond op de Geat Exhibition van 1851 in in Chrystal Palace in Londen waar hij een bronzen medaille won.

Hij werkte zijn methode om hout te buigen verder uit door in plaats van dunne latjes bundels houten staafjes te buigen. In 1849 ontwikkelde Thonet op deze wijze stoel Nr 4. In de 18e en 19e eeuw was het koffiehuis in Europa dé plek waar mensen elkaar ontmoetten om te praten over dagelijkse zaken. De allure van het Koffiehuis verandert in 1851 definitief met de introductie van de Thonet nummer 4 in het Weense koffiehuis Daum. Niet lang daarna gebruiken veel koffiehuizen dezelfde stoelen. Tot op de dag van vandaag roept de lichte Thonet stoel de geur van het koffiehuis op.

Zijn zoons die in 1853 het bedrijf overnamen, bouwden de industriële produktie uit en verkochten de op Rococo geïnspireerde Thonet-produkten over de hele wereld.

De eerste grote fabriek van de Gebrüder Thonet zoals het bedrijf toen heette werd in 1856/57 in Koritschan in Oostenrijk gevestigd dat midden in de beukenbossen lag die de beste grondstof leverden voor zijn stoelenproductie en over een goede spoorwegverbinding beschikte. Hij werkt verder aan productietechnieken en kookt het hout niet langer in lijm, maar buigt het na een urenlange inwerking van hete stoom. Dankzij deze methode slaagde hij er in 1859 in massieve houtstaven te buigen. Ook ontwikkelde hij modellen die met een eenvoudige verbinding door middel van schroeven gemonteerd werden en die in onderdelen geëxporteerd en naar de consument konden worden verstuurd.

Dankzij de gemechaniseerde productietechnieken waardoor goedkoop en door ongeschoolde arbeidskrachten geproduceerd kon worden bleef de fabriek zich uitbreiden. In 1860 kostte de bekendste stoel van het bedrijf 'Nr. 14' minder dan een fles wijn en stelde het bedrijf 300 mensen te werk die dagelijks 200 stoelen produceerden.

Stoel A 14, 1859
gebogen hout, hoogte 90 cm

In plaats van het representatieve stelde hij steeds meer het functionele op de voorgrond. Met het produceren van de beroemde Weense koffiehuisstoel nr. 14 introduceerde Thonet het eerste klasseloze meubelstuk, welke iedereen kon kopen. Er geen ontwerper aan te pas, de vorm werd in feite bepaald door de techniek. Tot 1930 werden er 50 miljoen stuks van geproduceerd en wereldwijd verkocht. De stoel kan ook gezien worden als de logische uitbreiding van het streven van de Biedermeier-stijl naar complete en natuurlijke simpliciteit. De minimale vormgeving en het economische materiaalgebruik wijzen vooruit naar het modernisme.

Omstreeks 1871, het jaar van overlijden van Michael Thonet, bezat de onderneming filialen in de hele wereld.

In de jaren 1890 ontwierpen toonaangevende ontwerpers uit Wenen, waaronder Josef Hoffman, meubilair in de secessionstijl.

In 1900 zou de firma met behulp van 6000 arbeiders en 20 stoommachines een dagelijkse produktie van 4000 meubels gehaald hebben.

In het midden van de jaren twintig van de 20e eeuw ontstond met de stalenbuizen stoelen een nieuw en ook onhistorisch meubeltype. Dit materiaal bood weer nieuwe mogelijkheden, waarop ontwerpers als Le Corbusier en de Bauhaus architecten hun artistieke lusten konden botvieren. Deze werden geproduceerd bij de dochterfirma Thonet Frères in Frankrijk dat later verhuisde naar Frankenberg.

  Zie ook vintage Thonet op de website van Galerie Kunstbus  


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2100.