kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 30-07-2008 voor het laatst bewerkt.

Pastoe

UMS / Pastoe

De Utrechtsche Machinale Stoel- en Meubelfabriek (UMS) werd 13 april 1913 opgericht in Utrecht. Na de Tweede Wereldoorlog verkocht het bedrijf haar meubelen onder de merknaam PasToe (passe partout).

'Een radicale koerswijziging? Pastoe kiest al negentig jaar liever voor de duurzaamheid van continuïteit.' - (Pastoe streeft naar succesvol voortbestaan en een vooraanstaande positie in de internationale markt van design meubelen. Daartoe ontwerpen, produceren, marketen en verkoopt zij kwalitatief hoogwaardige, esthetisch duurzame meubelen die zich onderscheiden door uitzonderlijke vormgeving. De Pastoe fabriek is (sinds 1918) gesitueerd aan het Rotsoord te Utrecht. In dit fabriekspand, gelegen aan de Vaartse Rijn, werkt een enthousiast team van 60 vakmensen met veel zorg en toewijding aan de vervaardiging van het Pastoe meubel. In 1982 nam Pastoe het initiatief tot de oprichting van het dutch design center dat gevestigd is in een deel van het fabriekspand en waar ruim 20 bedrijven (o.a. Pastoe) hun producten tonen.” - (Historie
Aan het Rotsoord in Utrecht verrees in 1913 de Utrechtsche Machinale Meubel- en Stoelfabriek (UMS) van Frits Loeb (1889 – 1959). Een kleine ambachtelijke stoelenmakerij, die Frits Loeb oprichtte ten behoeve van zijn eigen winkel aan de Ganzenmarkt in Utrecht. Al snel ontwikkelde zich een voor Nederlandse begrippen grote fabriek, waar naast stoelen ook meubelen werden gemaakt. Onder andere kasten, die in grote series, zowel in 'oude' als 'nieuwe' stijlen werden geproduceerd. Naast Loeb speelde D.L. Braakman (1885 – 1966) als bedrijfsleider en tekenaar/ontwerper een belangrijke rol bij de uitbouw van de activiteiten.

Zo vooruitstrevend als Gispen was in zijn meubelontwerp, zo ouderwets was UMS voor de Tweede Wereldoorlog met donker eikenhouten meubeltjes in grootmoeders stijl. De gemiddelde Nederlander zat ook helemaal niet op moderne meubels te wachten, dat was iets voor de elite. Men wilde traditionele meubels, rookstoelen en dressoirs met ornamenten.

De visie op moderne vormgeving, die de UMS in de jaren twintig en dertig liet zien, staat nog steeds mijlenver af van de spraakmakende internationale avant-garde van die jaren van Rietveld/Gispen, Breuer/Mies van der Rohe, Le Corbusier/Perriand. Die vormentaal paste totaal niet bij de smaak van het publiek, waarvoor de UMS werkte. Toch probeerde de UMS, naast de commercieel veel interessantere historiserende stijlen, ook meer eigentijdse meubelen te brengen. Het is niet verwonderlijk, dat men zich daarbij oriënteerde op de meer gematigde vaderlandse 'meubelkunst'. In de jaren twintig vooral van architect-ontwerpers van de Amsterdamse school zoals M. de Klerk, P. Kramer, H. Krop en 'kunstnijveren' als W. Penaat en Corn. Van der Sluys. Later werd vooral de invloed merkbaar van de veel zakelijker en kubistischer Haagse School, H. Wouda, F. Spanjaard, C. Alons en anderen.
Massameubelfabrieken als de UMS werkten niet direct met deze ontwerpers zelf, maar werkten in de eigen tekenkamer de vormentaal van het luxe-meubel om tot een voor het bedrijf en zijn publiek bruikbaar meubel.

Rond 1930 begon UMS in te zien dat het moderne meubel commercieel was geworden: '… Het publiek vraagt hoe langer hoe meer naar modern en wel naar het goede modern, zonder de lelijke lijstjes en versieringen; een modern meubel, dat uitsluitend spreekt door zijn spel van lijnen en niet meer door de ornamentering'.
"De UMS is met de grootste energie over stag gegaan - bij haar is over de heele linie een prachtige opmarsch begonnen, die leiding zal geven; leiding aan haar afnemers en aan het groote publiek, want de opmarsch gebeurt met waarachtige overtuiging en met zakenbeleid, dat succes waarborgt" Aldus criticus Paul Bromberg in zijn juichende commentaar over de nieuwe richting die door UMS werd ingeslagen.
Exemplarisch is een dressoir uit die jaren, naar ontwerp van een zekere W. Barnasconi. Een asymmetrische, naar verschillende kanten gerichte stapeling van kubistische volumes en een decoratief gebruik van fineer leverden een tamelijk architectonisch monumentaal meubel op, dat deel uitmaakte van een serie van maar liefst zeventien modellen.
De UMS was echter te optimistisch over de smaak van de markt. Dat blijkt ook uit het mislukken van een project rond een serie aanbouwmeubelen van de Amsterdamse binnenhuisarchitect A.K. Grimmon; dat kwam niet verder dan één prototype – een zeer uitgesproken, orthodox ladenkastje.
Ook origineel, en gezien de situatie gedurfd, maar evenmin commercieel succesvol, waren de demontabele stalen buisstoelen naar ontwerp van de architect H.F. Mertens (1885 - 1960).

Desalniettemin veroverde het meer moderne meubel zich in de collecties van de UMS langzamerhand een eigen plaats, naast de conventionele stijlen. In de loop van de jaren dertig werd de invloed zichtbaar van verschillende buitenlandse stromingen. Vooral de Franse Art Déco en de Skandinavische vormgeving zorgden voor een vriendelijk, eigentijds idioom door gebruik van afgeronde vormen en een voorkeur voor lichtere houtsoorten.

De fabriek was inmiddels sterk gegroeid, met een gedeeltelijk gemechaniseerde productie van standaardonderdelen. Deze werd in De Tweede Wereldoorlog leeggeroofd.

Na de Tweede Wereldoorlog maakte het bedrijf een nieuwe start. Aanvankelijk leek het erop, dat het vooroorlogse vormgevingsbeleid zou worden voortgezet: naast elkaar werden modellen in 'old finish' en in meer moderne stijlen naar ontwerp van Mart Stam (voor Goed Wonen) en de architect A.A. Patijn ontwikkeld.

Cees Braakman (1917- 1995) die van 1945 tot 1978 zijn vader als bedrijfsleider en ontwerper opvolgde zette een radicaal nieuwe koers in. Hij experimenteerde met gebogen plywood en ontwierp de eerste moderne designlijn voor Pastoe. Hij wist na een studiereis door de Verenigde Staten, waar hij onder andere kennis maakte met het werk van Charles en Ray Eames, zijn directie te overtuigen van de noodzaak gebruik te maken van nieuw ontwikkelde produktietechnieken. Onder andere het hoogfrequent buigen van gelamineerde houtsoorten (triplex, multiplex) die Braakman bij Philips en bij Charles Eames gezien had – en het afstemmen van de vormgeving daarop. Vooral zijn bergmeubelen vielen op. Ze waren licht en flexibel; de consument kon uit verschillende elementen zijn eigen wandmeubel samenstellen.

Bovendien wilde men in het voetspoor van de Stichting Goed Wonen (1946 – 1968) inspelen op de beperkte afmetingen van de gemiddelde Nederlandse woning - van grote eikenhouten meubels kon dus geen sprake zijn -, de bescheiden financiële mogelijkheden van de consument, en de wisselende eisen die in een gezinssituatie aan meubilair wordt gesteld.

PasToe
In het vormidioom volgde Braakman de grote voorbeelden uit het buitenland – in eerste instantie vooral Zweden en Finland (Aalto) en de Verenigde Staten (Eames), later vooral Italië, Denemarken en de Bondsrepubliek. Braakman maakte deze vormentaal geschikt voor de in het bedrijf voorhanden produktietechnieken. Zo ontstonden duidelijke, coherente collecties meubelen, die bezien werden als functionele gebruiksvoorwerpen. Doordat ze in het algemeen rustig en terughoudend van uiterlijk waren, pasten ze in de meest uiteenlopende situaties. Dit ‘passe partout'-principe werd verwerkt in de merknaam PasToe, waarmee de fabriek in binnen- en buitenland een grote reputatie verwierf als producent van modern meubilair.

Het specifieke karkater van het bedrijf is ook in deze periode het duidelijkst zichtbaar in de achtereenvolgende series bergmeubelen, die de hoofdmoot van de omzet vormden. Zitmeubelen speelden een minder belangrijke rol. Uitgangspunt bij de bergmeubelen was de al voor de oorlog ontwikkelde gedachte van het ‘combinatiemeubel': niet meer autonome, ‘afgeronde' kasten, maar een meubeltype, dat flexibel zou kunnen groeien. De eikenserie (1948) en de berkenserie (1950) waren gebaseerd op kastjes met streng kubistische grondvormen, die door hun gladde afwerking rondom, naast, en desnoods bovenop elkaar gestapeld konden worden tot grotere gehelen. De vormgeving is uitgesproken sober te noemen, hoewel de keuze voor lichte houtsoorten zorgde voor een vriendelijke uitstraling en een visueel licht en neutraal karakter.

De introductie van de in teak uitgevoerde ‘Pastoe Meubelen-naar-maat'-serie (1955) was een radicaal nieuwe uitwerking van het concept. Het systeem was gebaseerd op een ‘hoeklijst', waarin in vier richtingen planken en andere onderdelen konden worden gemonteerd. Met een beperkt aantal basiselementen waren zo de meest uiteenlopende combinaties mogelijk, die desgewenst steeds uitgebreid en veranderd konden worden. In de jaren daarna werd dit systeem ook in andere uitvoeringen leverbaar (palissander, licht grenen en diverse kleurlakken).
Het had groot succes, in binnen- en buitenland. De teakversie werd op de 11e Triennale in Milaan onderscheiden met een zilveren medaille, en in 1957 in België bekroond met ‘Le Signe d'Or'. Dit aanbouwconcept culmineerde in de serie 125M (1965). Met behulp van opvulstukken kon het bergmeubel naadloos worden ingepast tussen vloer en plafond. Tot kastenwand geworden was het meubel niet langer een autonoom object in de ruimte.

Naast de flexibele ‘Meubelen-naar-maat' verschenen na enige tijd toch ook weer meer conventionele ‘vaste' meubels. Blijkbaar wilde niet iedereen aan de kastenwand. De modellen uit de ‘U+N'-serie (1958) hadden door hun voorslaande fronten, uitgevoerd in een combinatie van houtsoorten en kleurlakken een streng formeel geometrisch karakter, dat paste bij hun autonome status. De ‘DC-Kollektie' (1962) was hierin veel minder uitgesproken.

PAP (1963)
In 1963 sloegen UMS/Pastoe en Artifort de handen ineen om een tegenwicht te bieden aan het groeiende aanbod van inferieure meubels. Ze wilden het publiek 'op waardige wijze informeren over de filosofie die ten grondslag ligt aan wat vandaag de dag nog kwaliteit genoemd mag worden, wat progressief is en toch blijvend logisch van vorm'. Een paar jaar later sloot ook stoffenproducent De Ploeg zich aan bij dit initiatief. Met Pastoe en Artifort vormde De Ploeg in de late jaren zestig het samenwerkingsverband PAP, dat in reclamecampagnes de aandacht vestigde op hun producten. 'Drie van deze tijd' was de slogan. Hun pleidooi voor duurzame kwaliteit hebben de bedrijven wel waargemaakt. Artifort maakt nog steeds de zitsculpturen en Pastoe met bijvoorbeeld de roldeur buffet A'dammer uit 1973 is nog steeds toonaangevend in de wandmeubelen. Ook De Ploeg is nog in bedrijf en verkrijgbaar in de betere stoffenzaak.
- (Pastoe-kubus' (1967) en de ‘K 369'-serie (1971) bouwde Braakman voort op het oude principe van het stapelen van losse elementen tot een groter geheel. Beide series waren gebaseerd op een nieuw ontwikkelde productietechniek, waarbij een met PVC beklede spaanplaat overdwars werd ingefraisd, zodat hij tot een kistvorm kon worden gevouwen. Deze aanpak is typerend voor de manier, waarop Braakman steeds zijn vormen liet ontstaan vanuit de techniek. Dit is zichtbaar in alle catalogi van de Pastoe collectie.

Voor hun inventiviteit en durf werden Braakman en de UMS-Pastoe in 1968 onderscheiden met de BKI-prijs en een tentoonstelling in het Centrum voor Industriële Vormgeving in de Beurs van Berlage.

Tot omstreeks 1970 was Braakman de belangrijke eerste ontwerper, toen de bedrijfsleiding de vormgeving wilde vernieuwen en hem uiteindelijk verving door het Pastoe designteam met onder anderen Karel Boonzaaijer en Pierre Mazairac.

In de jaren zeventig ontstond een zekere tweeslachtigheid in de collecties, die tot dan toe zo coherent waren geweest. Het bedrijf bracht enerzijds meer exclusieve meubelen van hoge kwaliteit, maar wilde anderzijds ook een nieuw en jong publiek bedienen, dat behoefte had aan goedkoper en minder uitgesproken meubilair. Aan deze verwarring is aan het begin van de jaren tachtig een eind gemaakt. Een nieuwe directie zette een éénduidige nieuwe lijn uit, die inmiddels goed zichtbaar is geworden. Centraal staan een uitgesproken en herkenbare vormgeving en een hoog afwerkingsniveau.

De malaise in de Nederlandse meubelindustrie ging ook aan Pastoe niet voorbij. Na overname door de meubelfirma Wyers (in 1976) ging het steeds slechter met het bedrijf tot het onder aandeelhouder-directeur Harm Schellens opnieuw besloot in een nieuwe collectie te investeren. De kunststof (!) kast Amsterdammer van Aldo van den Nieuwelaar was exemplarisch voor het nieuwe elan bij Pastoe en een begin van een artistiek en commercieel voorspoedige periode. Als opvolgers van deze generatie meubelen ging Pastoe in de jaren negentig in zee met toonaangevende ontwerpers als nip I ken Shiguru Uchida.

Dutch design center
In 1982 nam Pastoe het initiatief voor de oprichting van het dutch design center. In een deel van het oude fabriekspand laten zo’n twintig bedrijven hun kijk op woninginrichting zien. Technisch directeur Remco van der Voort: "Wij verkopen hier niet. Het dutch design center is puur bedoeld als een plek waar mensen zich kunnen oriënteren en laten adviseren. Voor de uiteindelijke verkoop verwijzen wij de bezoekers door naar onze dealers. Omdat de medewerkers geen verkoopdruk voelen, kunnen zij heel vrijblijvend adviseren. Klanten ervaren dat als zeer plezierig. We geven workshops en cursussen en organiseren exposities." Jaarlijks trekt het design center zo’n 35.000 bezoekers.

De meubelen in de huidige Pastoe-collectie zijn niet langer louter functionele gebruiksvoorwerpen, maar gedragen zich ook als autonome beeldende objecten in de ruimte. Daarmee past Pastoe in de ontwikkeling, die zich in de afgelopen 10 jaar allerwegen in de avant-garde van de vormgeving heeft afgespeeld.
Deze nieuwe lijn betekent in sommige opzichten een breuk met het verleden, vooral wat betreft de organisatie van het bedrijf. Niet langer vindt de productie geheel in eigen huis plaats, veel wordt ook uitbesteed. Hierdoor zijn een grotere verscheidenheid aan vormentaal en een evenwichtiger collectieopbouw mogelijk.
Pastoe profileert zich niet alleen met bergmeubelen, maar toont ook origineel zitmeubilair in diverse technieken en uitvoeringen. Daarbij richt Pastoe zich niet meer, zoals in het verleden, op een zo breed mogelijke binnenlandse markt, maar op een relatief klein segment van de internationale markt.

Pastoe put uit de rijke Nederlandse ontwerptraditie, maar oriënteert zich ook internationaal. De verbinding met Japan is – gezien de minimalistische inslag van onze collectie – een logische. Na een samenwerking met Shiro Kuramata profileert Shigeru Uchida zich nu al jaren als Pastoe's belangrijkste externe ontwerper. Daarnaast is er de eigen ontwerpafdeling, waar veel conceptontwikkeling en ontwerpwerk wordt verricht, ook bij het samenstellen van het eigen kleurconcept. Ieder detail is belangrijk. Omdat ook de details een lang leven beschoren zijn. In diverse museumcollecties, in showrooms en galeries over de hele wereld en in het bijzonder in de woonhuizen van onze kopers die door de jaren de waarde van hun meubel zien groeien.

Ontwerpers: Shigeru Uchida, Hannes Wettstein, Giampaolo Babetto, Karel Boonzaaijer, Pierre Mazairac, Aldo van den Nieuwelaar, Klaus Vogt, Maarten Van Severen, Elisabeth Lux

Greep uit de pastoe collectie sinds de jaren 80:
. 1972 Desq / Jan des Bouvrie
. 1979 L160 / Pastoe
. 1978 A'dammer element / Aldo van den Nieuwelaar
. 1981 FM62 / Radboud van Beekum
. 1983 Harmony / Arnold Merckx
. 1984 TM70 / Peters & Krouwel
. 1985 Vision / Pierre Mazairac & Karel Boonzaaijer

Websites: www.pastoe.com


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 934.