kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 08-08-2008 voor het laatst bewerkt.

Societe-Ceramique

Maastrichtse aardewerkfabriek van eenvoudig massa gebruiks- en sieraardewerk, opgericht in 1851 als Clermont en Chainaye - na overname in 1863 gewijzigd in Société Céramique - gefuseerd in 1958 met het bedrijf de Koninklijke Sphinx.

Historie
De ondernemers Winand Nicolaas Clermont en Charles Chainaye stichtten in 1851 in het Maastrichtse stadsdeel Wijck de aardewerkfabriek Clermont en Chainaye. Hun onderneming werd in 1859 overgenomen door de Belgische ingenieur Guillaume Lambert en omgezet in de Commanditaire Vennootschap Société pour la fabrication des faiences en produits céramiques de toute espèce sous la raison sociale Guillaume Lambert & Cie. Vier jaar later, in 1863, werd het bedrijf een Naamloze Vennootschap, die algemeen bekend werd als 'Société Céramique'.

Onder directie van Victor Jaunez (1863-1913), ingenieur P.J. Lengersdorff (1902-1915) en Edgar Michel (1915-1954) kwam Société Céramique tot grote bloei en werd de grootste concurrent van het bedrijf van Petrus Regout, dat in 1899 Sphinx ging heten. Omstreeks 1900 staken de producten van Société Céramique zowel qua prijs als kwaliteit die van Sphinx naar de kroon.

Maastrichts aardewerk is een verzamelnaam voor de productie van een aantal fabrieken in de negentiende en twintigste eeuw. De bekendste zijn Petrus Regout (&Co), later Sphinx aan de Boschstraat, Société Céramique en Mosa in Wyck. De ‘oervader’ van het Maastrichts aardewerk was Petrus Regout, die in 1836 een aardewerk-fabriek naar Engels voorbeeld startte. Later volgden N.A. Bosch, Clermont & Chainaye en Guillaume Lambert. Uit de laatstgenoemde fabrieken kwam in 1863 de Société Céramique voort. In 1883 startte Louis Regout een porseleinfabriek, die als Mosa bekend werd.

Na de opheffing van de vestingstatus in 1867 wordt de uitbreiding van het fabrieksterrein buiten de stadsmuren mogelijk. Deze nieuwe terreinen worden aan het begin van de twintigste eeuw bebouwd met de productiehallen voor het sanitaire aardewerk: de hallen zijn naar de ontwerper J.G. Wiebenga vernoemd en een deel van dit fabriekscomplex is thans in gebruik als expositiehal bij het Bonnefantenmuseum.

Regout en ‘de Société’ maakten een enorme groei door; ze domineerden de Nederlandse markt, inclusief de koloniën en wisten door te dringen op de markten van de Duitse en Britse concurrenten. Tussen 1880 en 1930 was ‘Maastricht’ een van de grootste exporteurs ter wereld. Het assortiment was onwaarschijnlijk uitgebreid – men maakte wat de markt vroeg.

Zowel door De Sphinx van de grootindustrieel Petrus Regout als door Société Céramique werd aardewerk voor huishoudelijke en industriële doeleinden gemaakt. Beide fabrieken orienteerden zich hierbij op aardewerk uit Engeland, met name dat van de fabriek van Josiah Wedgwood. Zowel de werkwijze als de vormgeving werden nauwkeurig overgenomen.
Vooral het servies Beatrix met een fijn, blauw strooibloemdecor ter gelegenheid van de geboorte van prinses Beatrix in 1938 als het steeds weer aangepaste Boerenbont waren de bestsellers van het bedrijf.

Na 1930 en vooral na 1945 kromp de markt tot de nationale grenzen en daarmee tot de smaak van de dag.

In de twintigste eeuw richtte Société Céramique zich meer en meer op de productie van sanitair. In 1958 fuseerde het bedrijf tot verrassing van velen met de Maastrichtse concurrent, Sphinx. In 1968 werd de productie van huishoudelijk aardewerk gestaakt. De fabrieksgebouwen werden begin jaren 1990 gesloopt om plaats te maken voor een prestigieuze nieuwbouwwijk, die de naam Céramique kreeg.

Websites:
. Alle 17574 objecten uit de collectie decoraties Maastrichts aardewerk, 1836-1969 (Nicolaas Clermont werd in 1802 geboren en groeide in Maastricht op in een tijd dat de eerste stappen tot industrialisatie werden gezet. Hij trouwde in 1829 met Adèle Elisabeth Chainaye. Aanvankelijk werkte hij samen met Petrus Regout. Sinds 1842 exploiteerden zij gezamenlijk een geweerfabriek en zij zaten beiden sinds 1841 in een commissie ter bestudering van de aanleg van een spoorweg naar Aken. Clermont maakte deel uit van de directie van de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij te Maastricht. Verder bezat Clermont een zout- en zeepfabriek, die hij sinds 1839 samen met N.A. Bosch beheerde. Vanaf 1843 was hij lid van de gemeenteraad en vanaf 1851 wethouder. Tijdens zijn wethouderschap trok de gemeente Maastricht de concessie in voor de gasleverantie die zij in 1847 aan Regout had verleend.
Het succes van de fabrieken van P. Regout wordt wel als aanleiding gezien voor Clermont om een aardewerkfabriek in Wijck te beginnen. Hij vroeg samen met zijn zwager Ch. Chainaye in 1850 vergunning aan tot vestiging van een aardewerkfabriek op een terrein grenzend aan zijn zout- en zeepziederij in Wijck. Die vergunning werd hem op 4 november van dat jaar door Gedeputeerde Staten verleend. Zijn schoonvader J. Chainaye trad bij de oprichting als borg op.
De aardewerkfabriek werd geheel binnen de toen nog bestaande vestingwerken gebouwd. Een onderaardse verbindingsgang (poterne) met de Maas bleek ideaal voor de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van producten. Het bedrijf ging met ongeveer tien arbeiders van start en telde er in 1852 reeds meer dan honderd. Kennelijk beschikte het bedrijf over voldoende geschoold personeel om snel goede resultaten te kunnen behalen. Dit bleek uit de inzending in hetzelfde jaar naar de Tentoonstelling van Voortbrengselen der Nationale Nijverheid van Nederland en zijne Overzeesche Bezittingen die in Arnhem werd gehouden. De inzending toonde een groot assortiment aan bedrukt aardewerk en complete serviezen. De kwaliteit van dit materiaal zal zeker bevorderd zijn door het wegkopen van personeel bij de aardewerkfabriek van P. Regout. Die trachtte deze praktijk tegen te gaan door eind 1851 zijn personeel een contract te laten tekenen, waarin zij zich verbonden niet bij concurrerende bedrijven te werken. Kort nadien voerde hij zelfs een proces tegen enkele werklieden die bij Clermont en Chainaye in dienst traden.
Voor de aanmaak van glazuur kocht het bedrijf in 1853 de voormalige graanmolen aan de Reek, de Bovenste Weijer genaamd, gelegen nabij de Heksenhoek. In deze molen werden acht kuipen opgesteld en met paard en wagen werden de grondstoffen naar de fabriek in Wijck gereden. Het bedrijf profiteerde van de toenemende vraag naar huishoudelijk aardewerk. Uit certificaten van oorsprong die moesten worden aangevraagd bij het ministerie van Koloniën, blijkt dat Clermont ook naar Nederlands-Indië exporteerde.
Het aantal arbeiders groeide tot 245 in 1855, maar een jaar later waren het slechts 185. Als middelgrote onderneming bleek het bedrijf conjunctuurgevoelig. Tijdens de crisis van 1857 en volgende jaren stagneerde de afzet en werd de financiële positie van het bedrijf sterk aangetast. In 1859 slaagde men er in een groep Belgische financiers voor het bedrijf te interesseren. De contacten van Clermont als consul voor België alsmede de relaties van zijn schoonvader J. Chainaye, afkomstig uit Hoei, hebben daaraan bijgedragen. De onderneming werd in een commanditaire vennootschap omgezet.

Aardewerkfabriek Commanditaire Vennootschap Guillaume Lambert et Compagnie (1859 – 1863)
Bij de omzetting van de onderneming in een commanditaire vennootschap, bij notariële akte van 28 maart 1859, werd een uitvoerige beschrijving van de fabriek en installaties opgenomen. Wij hebben hier te maken met een unieke opsomming van roerende en onroerende zaken van een middelgrote fabriek uit het midden van de negentiende eeuw. Het bedrijf was modern ingericht met stoommachines en stoomdrukpersen van het merk Fourdrinier uit Engeland, die sinds enkele jaren op de markt waren en in 1851 door Regout als eerste waren ingevoerd. De fabriek werd voor haar tegenwaarde door de ondernemers Clermont en Chainaye ingebracht, waarvoor zij de helft van de aandelen in de vennootschap kregen, 500 stuks. De andere helft kwam in handen van F. de Haussy, gouverneur van de Nationale Bank en oud-directeur van de Société Générale, L. Troye, gouverneur van de provincie Henegouwen, B. Lyon uit Brussel en G. Dumont uit Luik. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg naar Nederlandse valuta 236.250 gulden, verdeeld over duizend aandelen. Door de omzetting in een nieuwe vennootschap was het kapitaal verdubbeld. De naam van de fabriek luidde voluit: Société pour la fabrication des faïences fines et produits céramiques de toute espèce, sous la raison sociale Guillaume Lambert et Compagnie.
De leiding kwam in handen van de mijningenieur G. Lambert. Met het aantrekken van Lambert waren de geldschieters in ieder geval verzekerd van deskundige leiding. Hij was lid van het Koninklijke Instituut der Mijnen in Henegouwen en bleek zeer bereisd. In het jaar 1850 had hij Amerika doorkruist, waar hij tal van fabrieken en mijnen had bezocht. Hij bleek goed op de hoogte van de modernste ontwikkelingen, ook van die van de fabricage van aardewerk. In het jaar van zijn benoeming tot directeur diende hij een aanvraag in voor twee octrooien, één voor het aanbrengen van versieringen op keramiek en één voor een verbeterde aardewerkoven.
Bij de start van de nieuwe vennootschap leken de perspectieven groots. Men signaleerde een regelmatige afname in Noord-Nederland en de koloniën. In 1861 en 1862 werden respectievelijk 54.030 en 180.862 kilo aardewerk naar Nederlands-Indië uitgevoerd. In dezelfde periode werd een tweede stoommachine geplaatst. Het aantal arbeiders bedroeg circa 200. Toch verliepen de zaken niet voorspoedig. Het probleem waren de oude voorraden die van slechte kwaliteit bleken, zodat de afzet naar verloop van tijd stagneerde. Later moesten deze zelfs tegen afbraakprijzen worden verkocht. De verliezen bleven oplopen van 13.000 francs in 1859 tot meer dan 50.000 francs in 1862.
Ook de uitrusting van de fabriek raakte snel verouderd. Men hield serieus rekening met een faillissement. Een buitengewone vergadering van aandeelhouders besloot tot omzetting in een naamloze vennootschap. Bij KB van 2 april 1863 werd dit besluit goedgekeurd.

De NV Société Céramique (sinds 1863)
Onder de benaming Maatschappij tot vervaardiging van fijn aardewerk en ceramieke voortbrengselen van alle soorten werd het bedrijf nagenoeg ongewijzigd voortgezet. De notariële akte van notaris Haenen uit 1859 diende als uitgangspunt voor de beschrijving van de goederen en gebouwen die in de naamloze vennootschap werden ingebracht.
Er traden enkele nieuwe aandeelhouders toe: Ch. Gilliot, E. de Haussy, A. en J. Clermont en A. de Cartier de Marchiennes. Met E. de Haussy als president vormden B. Lyon, L. Troye, W. Clermont en G. Dumont de Raad van Bestuur (Conseil d’Administration).
De oprichting werd geëffectueerd door W. Clermont en G. Dumont ten overstaan van notaris Haenen op 9 maart 1863.
G. Lambert werd tot administrateur benoemd en kreeg zeventig aandelen. Men mag veronderstellen dat de aandeelhouders het vertrouwen in G. Lambert toch enigszins hadden verloren. Hij was op technisch gebied een expert, maar bleek minder geschikt om een bedrijf te leiden. In augustus 1863 werd hij voor zijn diensten bedankt. Kort voor zijn ontslag had Clermont de heer A. Jaunez te Metz benaderd. Hij behoorde tot een oude keramiekfamilie en had zich onlangs teruggetrokken uit de directie van het bedrijf van Villeroy & Boch te Wallerfangen (B). Hij verklaarde zich bereid voor een periode van twee jaar het bedrijf te leiden en tevens zijn zoon Victor in te werken.

Onder directie van V. Jaunez (1863 – 1913)
De situatie die de beide heren Jaunez aantroffen, bleek niet rooskleurig. De eerste jaren van hun directie stonden dan ook in het teken van reparatie, uitbreiding en vernieuwing. De eerste aandelenemissie van 166.500 francs ging grotendeels op aan de afbetaling van schulden van de commanditaire vennootschap; een tweede investering van 100.000 francs bleek noodzakelijk om de vernieuwingen te kunnen uitvoeren. Het totale bezit van de onderneming aan roerende en onroerende goederen werd gewaardeerd op 210.689 francs. De Raad van Bestuur vergrootte zijn greep op het beleid door de directie maandelijks financiële overzichten te laten opstellen. De arbeidstijd van de werknemers werd vastgesteld op 11 uur per dag in de zomer en op 10,5 uur per dag in de winter.
Het machinepark bleek dringend aan vernieuwing toe. Oude machines werden hersteld of van nieuw aandrijfwerk voorzien. Voor de aardbereiding werden in Engeland nieuwe persen besteld, de grote molen werd verbeterd, de ateliers gereorganiseerd en het aantal vernis- en biscuitovens uitgebreid. De productie, zo was het streven, moest tot 500.000 francs per jaar worden opgevoerd.
De vernieuwingen maakten een aanpassing van de brandverzekering noodzakelijk: het verzekerd bedrag werd vastgesteld op 382.264 francs. Ondanks al deze inspanningen bleef winstgevend resultaat achterwege. In 1865 was het verlies zelfs opgelopen tot 159.356 francs. Met moeite slaagde president F. de Haussy erin, met steun van de in 1867 tot administrateur benoemde graaf H.F. de Meeûs d’Argenteuil, een lening van 300.000 francs bij de Crédit Général te Luik te verwerven.
In 1865 was het merkteken van de fabriek, de leeuw, uitgebreid met het randschrift Société Céramique de Maestricht-Wyck. Intussen was het contract met Victor Jaunez als directeur-gérant verlengd. Ter verbetering van de afzet werd H. Beaurain tot commercieel agent benoemd, een functie die in 1869 uitgroeide tot een aparte commercieel directeur. W. Vogelaar werd als eerste in deze functie benoemd. In hetzelfde jaar overleed president F. de Haussy; hij werd een jaar later opgevolgd door H.F. de Meeûs d’Argenteuil. W. Clermont trad in 1872 om gezondheidsredenen af als lid van de Raad van Bestuur. Naast de grote inspanningen om het bedrijf gaande te houden, stond het verwerven van terreinen, die na de opheffing van de vesting Maastricht in 1867 te koop werd aangeboden, hoog genoteerd. Beducht voor de vestiging van concurrerende bedrijven was de directie voortvarend in het tijdig aankopen van deze stukken grond. Als eerste kocht zij in 1867 de kazernegebouwen met aangrenzend terrein. Vervolgens knoopte zij onderhandelingen aan met de regering en de gemeente over de aanleg van een raccordement, een aansluiting op het Staatsspoor. Ook op kleinere schaal vonden er tal van vernieuwingen plaats. Men schakelde voor de verlichting van de ateliers over van de brandstoffen olie en petroleum op gas. In 1869 werden er tien draaitafels (tours) en zes machines met aandrijving gekocht voor de productie van zogenaamde Liebigpotten, die voor het conserveren van levensmiddelen zeer geschikt bleken en uitermate goed werden verkocht.
Voor de aanvoer van de grondstof veldspaat exploiteerde men een groeve in Nivelles.
Op een aangrenzend terrein, gekocht van de gemeente Heer, begon men met de fabricatie van bakstenen tot een aantal van twee miljoen stuks per jaar. Zo voorzag de onderneming zich van producten die in de fase van opbouw en uitbreiding in eigen beheer werden gemaakt of gewonnen. Toch draaide men nog steeds met verlies; in 1868 waren de schulden opgelopen tot 260.000 francs. In het midden van de jaren 1870 stagneerde bovendien de afzet en drong de bank aan op versnelde aflossing van de lening van 300.000 francs. De aandeelhouders H. de Meeûs, B. Dewandre, Ch. Gilliot en E. de Haussy leenden een bedrag van 260.000 francs aan de onderneming, waarvoor zij de 760 aandelen in portefeuille ter beschikking kregen. Een liquidatie van de onderneming werd hiermee voorkomen. Sindsdien is het bedrijf bijna geheel in handen gebleven van de families De Meeûs, De Haussy, Gilliot en hun erven.
Het vertrouwen van de volhardende geldschieters werd uiteindelijk beloond. De vraag naar bedrukt aardewerk bleef stijgen en het rendement van het bedrijf steeg mee. De vergaderingen van de Raad van Bestuur werden in de volgende decennia veelal in beslag genomen door het verlenen van toestemming voor de aanschaf van nieuwe machines, uitbreidingen en het beschikbaar stellen van benodigd kapitaal. Het aantal stoommachines breidde zich sterk uit, evenals het aantal ovens; dit maakte de bouw van een nieuw molengebouw noodzakelijk. In het begin van de jaren 1880 beantwoordde men met de bouw van een nieuw decoratelier met zes moffelovens aan de stijgende vraag naar bedrukt aardewerk. In 1883 werden er nog eens zes ovens bijgebouwd en de ateliers vergroot. Deze nieuwe investeringsgolf vergde een kapitaal van 400.000 francs.
De Société Céramique groeide in deze jaren uit tot een krachtige onderneming. Het aantal arbeiders steeg van 229 in 1866, via 325 in 1871 tot 764 in 1887. De toenemende productie en afzet manifesteerden zich in een groeiend balanstotaal en forse winsten; zij liepen op van 42.000 francs in 1878 tot 750.000 francs in 1911. Met het aflossen van de leningen van de banken werd de invloed van deze zijde nihil; in juli 1891 vermeldde men trots dat de onderneming geheel schuldenvrij was.
De wijzigingen in de nieuwe statuten van 1893 waren minimaal; het maatschappelijk kapitaal werd vastgesteld op bijna twee miljoen gulden. Voor Jaunez werd de titel directeurgérant gereserveerd; W. Vogelaar werd tot secrétaire général benoemd. De technische ontwikkelingen in de fabriek op het gebied van machines en aandrijfmechanismen en allerlei verbeteringen in transport en productieonderdelen maakten het aantrekken van een technisch ingenieur noodzakelijk. In deze functie werd in september 1896 Franz de Walque benoemd, die in 1902 door P.J. Lengersdorff werd opgevolgd.

P.J. Lengersdorff, ingenieur-directeur (1902 – 1915)
In het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde men plannen voor een uitbreiding van de fabriek. Men overwoog zelfs een vestiging in België te bouwen. In Visé (B) werden in 1906 hiervoor terreinen aangekocht. Deze plannen kwamen echter niet tot ontwikkeling. De uitbreiding werd uiteindelijk in Maastricht gerealiseerd. De fabriek heeft hierbij zeker geprofiteerd van de inzichten van ingenieur Lengersdorff.
In 1907 werd voor het eerst en met succes een tunneloven gebouwd, die niet alleen de kwaliteit van de producten verbeterde, maar bovendien een belangrijke besparing opleverde op het verbruik van kolen. Er werd in deze jaren veel geëxperimenteerd met de toepassing van nieuwe energiebronnen. De onderneming ging in 1910 over tot elektrificatie. Het jaar daarvoor had men hiervoor een contract met de Maatschappij tot Verkoop van Elektriciteit afgesloten, waarop vervolgens honderd elektromotoren werden geplaatst. Met de gemeente Maastricht en de directie van de Waterleiding Maatschappij, waarvan de gebouwen aan het fabrieksterrein grensden, werden langdurige onderhandelingen gevoerd over de verwerving van gronden. Ook op bouwkundig gebied deden zich vernieuwingen voor, zoals het gebruik van gewapend beton bij de bouw van de tweede Dana-molen in 1911. Een studiereis van de directie en de technisch ingenieur leverde een experiment op met gasovens volgens het systeem Meiser, uitgevoerd met aanpassingen van Lengersdorff.
In de eerste jaren van deze eeuw wist het bedrijf haar positie op de markt te stabiliseren, ondanks sterke concurrentie uit het buitenland. Van tijd tot tijd moesten er afdelingen worden ingekrompen door stagnerende afzet en werden de voordelen van technische verbeteringen en besparingen weer tenietgedaan door loonsverhogingen en uitgaven voor sociale voorzieningen. Toch maakte het bedrijf kort voor de Eerste Wereldoorlog een expansieve periode door, dat zijn neerslag vond in de bouw van een geheel nieuwe divisie voor de productie van sanitair aardewerk, de zogenaamde Division II.
Voor dit plan, dat duidelijk het stempel droeg van ingenieur Lengersdorff, bedroegen de investeringen in totaal één miljoen gulden, inclusief de aankoop van terreinen en machines. De kosten werden geheel door de eigen reserves gedekt. De bouw van het reusachtige complex aan de zuidzijde van de fabriek werd gegund aan de firma F.J. Stulemeijer te Breda (de zogenaamde Wiebengahal). De toepassing van gewapend beton op een dergelijke schaal gold als een noviteit in Nederland. In juni 1913 werd het complex opgeleverd.
In de Raad van Bestuur was H. de Meeûs d’Argenteuil inmiddels opgevolgd door zijn zoon L. de Meeûs. Op 20 juli 1912 werd op grootse wijze het vijftigjarig jubileum van de onderneming en van de directeur Victor Jaunez gevierd (overigens een jaar te vroeg). De Raad van Bestuur riep een sociaal fonds van 50.000 francs in het leven voor de werklieden. In hetzelfde jaar werd het contract met Lengersdorff verlengd; het is duidelijk dat hij toen al een belangrijk deel van de dagelijkse leiding had overgenomen.
Een jaar later, in juli 1913, volgde zijn benoeming tot directeur-gérant; Jaunez werd benoemd tot administrateur. D. Braakenburg en H. Defesche werden respectievelijk benoemd tot secretaris en hoofd commerciële zaken. Tot technisch ingenieurs werden vervolgens F. Müller en E. Michel benoemd.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog geraakte het bedrijf in de problemen door de stagnatie van de aanvoer van grondstoffen. Een onvoorziene tegenvaller was het door de Engelsen in 1915 afgedwongen ontslag van de Duitser Lengersdorff. De dreiging tot stopzetting van de levering van china-klei maakte zijn ontslag noodzakelijk. De nog jonge ingenieur E. Michel, afkomstig uit het Belgische Enghien, volgde hem als directeur technische zaken op.

Onder leiding van E. Michel (1915 – 1954)
Gedurende de oorlogsjaren daalde de productie sterk en werd het personeel zelfs geregeld met verlof gestuurd. Het aantal werklieden werd van ruim 2.000 teruggebracht tot 1.400. Het voor de oorlog genomen besluit om sanitair te gaan fabriceren bleek in deze jaren van groot belang; de concurrentie van buitenlands glas en aardewerk deed zich in deze periode sterk voelen. Ter versterking van dit onderdeel had het bedrijf in 1921 de Société Anonyme Faïencerie de Nimy nabij het Belgische Mons overgenomen met een personeelsbezetting van circa 1.000 arbeiders.
E. Michel werd in juli 1922 met de algehele leiding belast en tot directeur-gérant benoemd; de ervaren handelsman J. Defesche werd aangesteld tot commercieel directeur. Door de stijgende vraag naar sanitair en tegels keerde geleidelijk het tij. Aan het eind van de jaren 1920 werd een groot nieuw complex aan de Heugemerweg gebouwd voor de productie van grote stukken sanitair zoals douchebakken en gootstenen, Division III genoemd. De gebouwen werden opgetrokken in een skeletbouw van beton, met wanden opgevuld met baksteen. Voor de opslag van de aardklei werd een enorme loods gebouwd.
De crisisjaren 1930 brachten het bedrijf vervolgens in de rode cijfers. Mede door de devaluatie van de Nederlandse gulden herstelde de onderneming zich enigszins, een opleving die zich in de jaren van de Tweede Wereldoorlog voorzette.
Na de bevrijding in 1944 werd de wederopbouw krachtig ter hand genomen. De fabriek had weinig oorlogsschade geleden en de stijgende vraag naar serviesgoed en sanitair bracht geleidelijk herstel. In 1947 werd een begin gemaakt met de volledige transformatie van de aardewerkdivisie. De bouw van continu-ovens voor de productie van sanitair en de levering van mijngas waren vervolgens belangrijke stappen in de vernieuwing van het bedrijf. In de jaren 1950 zetten op allerlei gebied de vernieuwingen zich voort. Oude ovens werden afgebroken en door nieuwe vervangen en er werd met nieuwe systemen geëxperimenteerd, zoals met de toepassing van de methode silkscreen voor het decoreren van het aardewerk en met nieuwe ovens van het type Heimsoth (Vitriussysteem). Het bedrijf moest hiervoor flinke bedragen investeren.
Ondanks de bestedingsbeperking en stijgende loonkosten kon de productie worden gehandhaafd en diende de divisie sanitair door de stijgende bouwmarkt belangrijk te worden uitgebreid.

Fusie
In 1954 was directeur E. Michel opgevolgd door graaf C.A. de Meeûs d’Argenteuil; een jaar eerder had K. van Hindeloopen Labberton de functie van commercieel directeur van J. Defesche overgenomen. In 1956 werd de naam van de onderneming gewijzigd in: NV Keramische Industrie genaamd Céramique Maastricht NV. De aardewerkfabriek in Nimy werd in deze periode geliquideerd.
In de volgende jaren werden belangrijke bedragen geïnvesteerd voor de mechanisatie van het bedrijf. De tweede grote oven van het type Heimsoth werd in december 1957 ontstoken om aan de groeiende vraag naar sanitair te kunnen voldoen. Het overleg in mei 1958 met de plaatselijke concurrent, de aardewerk- en sanitairfabriek Sphinx, en het besluit tot fusie van beide ondernemingen kwam dan ook voor velen uit de lucht vallen. Toch bestonden er, zeker op directieniveau, al langer contacten tussen beide bedrijven. Regelmatig trof men elkaar op de tweejaarlijkse keramische congressen. Tevens bestond de praktijk van geregeld overleg bij de vaststelling of aanpassing van verkoopprijzen. Bovendien was men goed op de hoogte van elkanders bedrijfsresultaten.
Door het fuseren van beide ondernemingen beoogden de directies, met het oog op de toekomstige Europese markt, sterker te staan als één keramisch bedrijf. De directeuren van Céramique, graaf C.A. de Meeûs d’Argenteuil en K. van Hindeloopen Labberton, werden in de directie van de nieuwe NV Sphinx-Céramique opgenomen. Hiermee kwam een einde aan het ruim honderdjarig bestaan van de Société Céramique, een Belgische onderneming op Nederlands grondgebied. De werkzaamheden op het terrein van de aardewerkfabriek werden in 1963 beëindigd. In de leegstaande gebouwen zouden in
de volgende decennia enkele nieuwe bedrijven worden gevestigd. Pas in de jaren 1980 slaagde de gemeente Maastricht erin de onderhandelingen over de verkrijging van het terrein succesvol af te ronden.
Op het gehele fabrieksterrein van circa 24 hectare is inmiddels de stadsuitbreiding van Maastricht van de jaren 1990 gerealiseerd. In de benaming van dit stadsdeel Céramique blijft de oude aardewerkfabriek voortbestaan. Enkele gebouwen (de Wiebengahal en de bordenhal) herinneren nog aan de Société Céramique.

NV Koninklijke Sphinx-Céramique voorheen Petrus Regout (1958 - 1972)
Voor de buitenwacht verrassend, maar voor ingewijden voor de hand liggend, kwam in 1958 een fusie tot stand tussen de twee concurrenten NV De Sphinx en de Société Céramique. Het concern kreeg bij deze gelegenheid een nieuwe naam: NV Sphinx-Céramique v/h Petrus Regout. In het jaar 1959 werd het 125-jarig jubileum van de Sphinx en het 100-jarig jubileum van de Société Céramique gevierd. Als gevolg van dat jubileum verkreeg in datzelfde jaar het nieuwe bedrijf het predikaat ‘Koninklijke’.

In 1960 werd de aardewerkfabriek De Toekomst te Oosterhout (NB) overgenomen, welke fabriek in 1980 haar poorten sloot. In 1962 werd de NV Filtropa voor productie en verkoop van papieren koffiefilterzakjes opgericht. In 1968 werd de NV Handelsmij. Randwyck opgericht, een zaak die voornamelijk geschenkartikelen verkocht. In datzelfde jaar werd ook een tegelfabriek in het Belgische Hemiksem overgenomen.
In 1969 werd gestopt met de productie van huishoudelijk aardewerk, omdat deze bedrijfstak sinds 1960, ondanks toepassing van rationalisatie van productietechnieken en investeringen in kostenbesparende machines, niet meer rendabel bleek te zijn. De Sphinx richtte zich voortaan uitsluitend op de productie van tegels en sanitair en wat nevenproducten als vuurvaste aardewerk producten en verpakkingsglas.

NV Koninklijke Sphinx (sinds 1972)
Een ingrijpende reorganisatie, begonnen in 1971, mondde uit in een omvangrijke statutenwijziging. In 1972 werd de naam van het bedrijf veranderd in NV Koninklijke Sphinx, waaraan niet veel later te Maastricht werd toegevoegd. In 1974 werd het bedrijf overgenomen door de Britse multinational Reed International. Onder de naam Sphinx Tiles Limited werd in Thatchem, Berkshire, een Engels zusterbedrijf opgericht, speciaal voor de Engelse markt. - (bron http://shcl.x-cago.com/shcl/resources/files/inventaris.pdf


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 36.