kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Daguerre

Louis Jacques Mandé Daguerre (1789-1851)

Louis Jacques Mandé Daguerre, geboren op 18 november 1787, wordt beschouwd als een van de uitvinders van de fotografie, in ieder geval is hij het meest bekend.

1826: ontstaan van de oudst gekende foto (Heliograph) door Joseph Nicéphore Niépce (1765-1833).

Als schilder van diorama's was Daguerre zeer geinteresseerd in de mogelijkheid om van de vluchtige beelden in de camera obscura blijvende afbeeldingen te maken. Maar zijn vrouw vreesde dat hij gek aan het worden was en in 1827 ging ze te rade bij Jean Dumas, professor scheikunde aan de Sorbonne. Deze stelde de vrouw van Daguerre gerust. 'Bij de huidige stand van de wetenschap is dit uitgesloten, maar ik denk niet dat het altijd tot de de onmogelijkheden zal behoren', zei Dumas haar.

Nadat Daguerre in 1829 een samenwerkingsakkoord met Niépce heeft gesloten, zoeken ze allebei verder maar zonder grote vorderingen. Tot Daguerre in 1835 bij toeval ontdekte dat een gesensibiliseerde belichte zilverplaat door kwikdampen werd ontwikkeld en dat er op de plaat een positief beeld werd gevormd. Het duurde hierna nog 2 jaar voor hij erin slaagde dit beeld te fixeren.

Op 13 juni 1837 sluiten Niépces zoon en Daguerre een overeenkomst die aan Daguerre het recht geeft om aan het nieuw procédé zijn naam te geven. Hierna openen ze in maart 1838 een inschrijving op 400 aandelen in een maatschappij die de uitvinding moet commercialiseren. Er is echter geen interesse. Dit brengt hen ertoe om de uitvinding aan de regering aan te bieden.

Op 7 januari 1839 wordt de Daguerreotypie voorgesteld in de Academie voor Wetenschappen, maar de dag daarvoor verschijnt er al een artikel over in de gazette de France. Dit leidde ertoe dat in Engeland Fox Talbot, die ook al enige tijd met proefnemingen aangaande fotografie bezig was, gauw de uitslagen van zijn eigen proefnemingen aan de Royal Society meedeelde.

In juli 1839 kocht de Franse regering, op aandringen van Arago, de rechten op de uitvinding van Daguerre. Op 19 augustus van hetzelfde jaar werd het procédé wereldkundig gemaakt en door de Franse regering vrijgegeven. Maar toch slaagde Daguerre erin om 5 dagen voordien nog zijn procédé in Engeland te patenteren.

De Daguerreotypie geeft een positief beeld op een metalen drager.
Het vrij gevaarlijke procédé verloopt als volgt:
1. een koperplaat wordt bedekt met een laagje zilver en spiegelglad gepolijst. In zeldzame gevallen werd een zilverplaat gebruikt.
2. in een camera wordt de plaat blootgesteld aan jodiumdamp en die vormt een laag lichtgevoelig zilverjodide. De plaat moet binnen het uur gebruikt worden.
3. de belichting duurt 20 tot 30 minuten afhankelijk van het beschikbare licht
4. boven een bad kwik (verwarmd tot 75° C) wordt de belichte plaat ontwikkeld. De kwikdamp vormt een amalgaam met het zilver.
5. het bekomen beeld wordt gefixeerd door de plaat te wassen in een warme zoutoplossing.
6. de plaat wordt gespoeld in warm gedestilleerd water.

Een techniek met een prachtig resultaat die “daguerreotypie” (1839-ca.1855) werd genoemd. Na ontwikkelen, fixeren en spoelen wordt een melkachtig wit beeld bekomen (kwikamalgaam).
De eerste platen hadden een afmeting van 8,5 bij 6,5 duim (22 bij 16,5 cm) en dit noemde men de 'volledige plaat'.

Hoewel de kwaliteit van het beeld verbluffend was, heeft het procédé toch enkele tekortkomingen:
- de beelden kunnen niet gereproduceerd worden en zijn dus uniek.
- de oppervlakte van de zilverspiegel is zeer kwetsbaar. Daarom worden de foto's meestal in een kadertje onder glas bewaard. Ook bestaat het gevaar dat onder ongunstige omstandigheden de zilverlaag loskomt van de koperplaat.
- het beeld is een spiegelbeeld (links wordt rechts). In latere camera's wordt soms gebruikt gemaakt van een spiegel om dit te corrigeren.
- de gebruikte chemicaliën (kwik en jood, later ook broom en chloor) zijn zeer giftig en moeilijk veilig te gebruiken.
- de hoek waaronder het beeld kan bekeken worden is beperkt.

Veel van de overgebleven Daguerreotypes zijn merkwaardig door fijne detailweergave. Zo maakte Jean Louis Gros, een amateurfotograaf, de eerste foto's van het Parthenon in Athene. Bij zijn terugkeer in Parijs ontdekte hij dat op de foto's details van beeldhouwwerken kon bestuderen die hij ter plaatse over het hoofd had gezien.
Fox Talbot, Daguerre's rivaal, schrijft hierover:
'Het gebeurt vaak dat - en dit is een van de charmes van de fotografie - de fotograaf bij het bestuderen van de foto, soms veel later, ziet dat hij veel dingen heeft geregistreerd waarvan hij op dat tijdstip geen benul had. Soms zijn er opschriften en datums op gebouwen of aanplakbiljetten, die niets ter zake doen, op de muren. Soms is er in de verte een wijzerplaat met daarop - onbewust vastgelegd - het uur van de dag waarop het zicht werd genomen.'

Het probleem van de lange belichtingstijd (10 to 15 minuten in de volle zon!) maakte de techniek bijna onmogelijk toepasbaar voor portretfotografie. Een portretfoto laten nemen was geen lachertje. In 1839 maakte John W. Draper in New York het eerste fotografisch portret. Om de belichtingstijd wat te verkorten was het gezicht van de persoon met witte bloem bepoederd en dan nog moest hij 30 minuten in het zonlicht doodstil voor de camera poseren. Geen wonder dat bij die eerste portretten de spontaneiteit enigszins ontbreekt.

Er was dus duidelijk nood aan meer effektieve manieren om de belichtingstijd te verkorten en dit gebeurde op 2 vlakken:
- aan de scheikundige kant werd de gevoeligheid van de platen opgevoerd door het gebruik van broom (J.C. Goddard) en chloor (A. Claudet) samen met jodium.
- Aan de optica werd ook gewerkt. De grootste vooruitgang kwam er met de portretlens van Petzval, die een opening had van f3.7 in plaats van de tot dan gebruikelijke f17.

Eigenlijk was het de Oostenrijkse professor Andreas von Ettinghausen die al van in het begin inzag dat het grote probleem de lange belichtingstijd was en dat dit voor een belangrijk deel te wijten was aan de primitieve lens die Daguerre in zijn camera gebruikte. Von Ettinghausen sprak hierover met zijn collega Max Petzval, professor in de wiskunde en hij bracht hem in kontakt met Peter von Voigtländer die een belangrijke optiekzaak leidde in Wenen. Na een jaar denk- en rekenwerk was Petzval klaar met een nieuw lensontwerp. De Petzval-lens die door Voigtländer geproduceerd werd was zestien keer lichtsterker dan de lenzen van Daguerre. Deze lens zou de volgende decennia de standaardlens worden voor de fotografie. Voigtländer maakte er duizenden van voor zijn eigen toestellen en voor andere camerafabrikanten. Met deze verbeteringen konden de fotografen de belichtingstijd herleiden tot enkele seconden zodat portretfotografie praktisch mogelijk werd.

Ook de camera werd door Voigtländer onder handen genomen. De onhandige houten doos van Daguerre werd vervangen door een makkelijk te hanteren metalen camera. Om aan de stijgende vraag te voldoen bouwde Voigtländer een fabriek in Duitsland. Daarmee werd het fundament gelegd voor de Duitse fotografische industrie.

In Engeland waar het patent van Daguerre nog tot 1853 bleef lopen werd de eerste licencie afgeleverd aan Antoine-Jean-Francois Claudet. Hij opende een studio in juni 1841. Zijn Daguerreotypes worden tot de beste gerekend die in Groot Brittanië gemaakt zijn, maar hij was ook verantwoordelijk voor talrijke verbeteringen in de fotografie. Zo verbeterde hij de gevoeligheid van de platen door het gelijktijdig gebruik van chloor en jood en hij introduceerde de stereoscopische Daguerreotype in 1851. Ook ontdekte hij dat de platen ongevoelig zijn voor rood licht en dat rood licht dus in de donkere kamer kan gebruikt worden zonder nadelige invloed op de lichtgevoelige platen. Toen in 1853 in Engeland het patent van Daguerre eindigde, begonnen heel wat meer fotografen een zaak.

De Daguerreotype, toepasselijk 'een spiegel met geheugen' genoemd, was dan wel een verbluffende techniek met een onovertroffen detailweergave, toch was het een doodlopende straat.

1841: William Henry Fox Talbot (1800-1877) ontwikkelde in Engeland een vergelijkbare techniek, maar hierbij werd geen gebruik gemaakt van zilverplaten maar wel van stevig schrijfpapier. Het papier werd eerst in een oplossing van keukenzout gedompeld en daarna bestreken met zilvernitraat. Die eenvoudige chemische reactie levert zilverchloride op, een lichtgevoelige stof. Talbot noemde zijn eerste afbeeldingen “photogenic drawings”. Talbots techniek wordt ook wel “talbotypie” of “kalotypie” genoemd.

1850: Louis-Désiré Blanquart-Evrard (1802-1872) bracht op een dunne gladde papiersoort een laag eiwit aan, voordat hij het papier lichtgevoelig maakte. Het resultaat was een glad, halfglanzend afdrukpapier, dat alle facetten van het oorspronkelijk negatief bleef behouden. Deze techniek bleef tot ca 1890 in gebruik en is bekend als “albuminedruk”.

Daguerre stierf op 10 juli 1851.

1851: Het “natte collodiumprocédé” werd door Frederick Scott Archer (1813-1857) tot een bruikbaar procédé ontwikkeld. Hierbij werd een kleine hoeveelheid collodium, waaraan kaliumjodide was toegevoegd, op een glasplaat gegoten. Wanneer het vluchtige materiaal in de collodiumoplossing bijna was verdampt werd het glas met een oplossing van zilvernitraat behandeld. De nu lichtgevoelige plaat kon in de camera belicht worden.

1854: Kort na de ontdekking van het natte collodiumprocédé werd een nieuwe techniek ontwikkeld. Men ontdekte dat een te dun negatief (niet bruikbaar voor gewone afdrukken) op een zwarte ondergrond een positief beeld gaf. Door toevoeging van salpeterzuur aan de ontwikkelaar en het negatief zeer kort belichten en te ontwikkelen, ontstond er een bruikbaar beeld voor dit procédé. In England stonden de afdrukken bekend als “collodiumpositieven op glas” in Amerika als “ambrotypieën” en op het Europese continent als “amphitypieën”.

1855: De Fransman “Alphonse Louis Poitevin”(1819-1882) neemt een patent op een inktprocédé gebaseerd op het gebruik van een afdrukplaat met reliëfstructuur.

1856: De eerste echte “droge collodiumplaten” werden ontworpen door “dr. Hill Norris” uit Birmingham. De platen werden met een oplossing van arabische gom of gelatine afgedekt. De platen werden dan gedroogd en konden nadien verpakt worden.

1858: “John Pouncy”(1820-1894) vervaardigde de eerste “kooldruk”. Hij gebruikte gom en hete gelatine als oplosmiddel voor het pigment.

1864: Aan de collodiumemulsie, die cadmiumbromide bevatte, werd zilvernitraat toegevoegd om zo een gevoelige emulsie te verkrijgen die meer op zilverbromide dan op zilverjodide was gebaseerd, waarbij het zilverbromide zich in zwevende toestand in de emulsie zelf bevond. Het principe van Poitevin werd door “Walter Bently Woodbury”(1834-1885) voor zijn “woodburytypie” en door “Joseph Wilson Swann”(1828-1914) voor diens “kooldrukprocédé” toegepast.

1871: Uitvinding van de “droge gelatineplaat” door de Engelse arts Richard Lee Maddox (1816-1902).

1873: “Hermann Wilhelm Vogel”(1834-1898), een Duitse professor in de fotochemie in Berlijn, ontdekte dat de collodiumemulsieplaten, wanneer men ze met bepaalde anilineverven behandelde, gevoelig werden voor de kleuren die door de verfstoffen werden geabsorbeerd. De eerste stap naar de kleurenfotografie werd hiermee gezet.

1888: Ontstaan van de eerste “rolfilm” en de daarbij behorende camera, de “Kodak”.

Zie ook bron op Fotografica.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 740.