kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Nicephore Niepce

Joseph Nicéphore Niépce (1765-1833)

De Franse scheikundige Joseph Nicephore Niépce (7 maart 1765 - 5 juli 1833) is uitvinder van de fotografie op metalen platen in 1822 en van het irisdiafragma, maker van de eerste foto;

Camera Obscura
In 1519 beschrijft Leonardo da Vinci hoe een camera obscura kan gebruikt worden voor het waarnemen van zonsverduisteringen.

Robert Boyle (1627-1691)
In de 16de eeuw ontdekte de Ier Robert Boyle dat zilverchloride donker wordt. Maar hij dacht dat dit eerder kwam door de blootstelling aan lucht dan door de inwerking van licht.

Johann Heinrich Schulze (1687-1744)
De Duitser Johann Heinrich Schulze (1687-1744) ontdekt in 1727 dat zilverzouten donker worden bij blootstelling aan licht. Deze ontdekking is een belangrijke stap in de geschiedenis van fotografie, maar Schulze wist wel niet hoe hij een blijvend beeld kon bekomen.

Sinds de jaren '90 van de 18de eeuw werken in Frankrijk Joseph Nicephore Niépce (1765-1833) en in Engeland Thomas Wedgwood (1771-1805) aan een procédé om de allang bekende beelden van de camera obscura chemisch te fixeren. Hun belangrijkste doel is niet alleen de productie van beeld simpeler te maken, maar ook de reproductie van het beeld.

Joseph Nicephore Niépce
Joseph Nicephore Niépce werd in Chalon-sur-Saône (Frankrijk) geboren en wordt beschouwd als een van de uitvinders van de fotografie. Zijn proefnemingen waren gericht op het ontwikkelen van een procedé om met behulp van een camera een etsplaat te kunnen maken. Tot zijn vindingen behoren het irisdiafragma en een methode om foto's houdbaar te maken. Ook was hij de eerste die een camera van een balg voorzag om het scherpstellen te vergemakkelijken.

eerste foto
In 1826 maakte Nicéphore Niépce de eerste foto, het was een zicht op de stad Saint-Loup-sur-Varennes. Hij maakte gebruik van een soort lichtgevoelig asfalt (Jodenasfalt of Indea bitumen). De belichtingstijd om deze foto te maken bedroeg maar liefst 8 uur!

heliogravure
Tijdens hetzelfde jaar slaagde Niépce er ook in om op een geasfalteerde en belichte tinnen plaat de onbelichte asfalt weg te wassen en de plaat te etsen.

De techniek met bitumen heeft niet tot de moderne fotografie heeft geleid. Toch is hij nog steeds van belang want hij werd verder ontwikkeld door Abel Niépce de St-Victor, een neef van Nicéphore Niépce. Deze publiceerde in 1853 "Traité pratique de gravure héliographique sur acier et sur verre" en hij ligt zo, samen met de gelatine-bichromaatmethode van Talbot, aan de basis van de moderne fotogravure.

Daguerre
Nadat de Parijse opticien Chevalier, die voor beiden lenzen sleep, Nicéphore Niépce in 1826 in contact bracht met Louis Jacques Mandé Daguerre volgde in 1829 een samenwerkingsverband tussen die twee. Op 5 juli 1833 stierf Niepcé echter plotseling, zonder dat zijn uitvindingen officieel waren erkend.

daguerreotypie
De Fransman Daguerre, die samenwerkte met Niépce tot die stierf, ontdekte een manier om met zilverchloride de belichtingtijd te reduceren tot een half uur. Hij ontdekte ook dat het bekomen beeld kon gefixeerd worden door spoelen in een zoutoplossing. 19 augustus 1839 wordt beschouwd als de geboortedag van de fotografie, op deze dag wordt de daguerreotype-camera van Daguerre voorgesteld aan de wereld.

Daguerre ontwikkelde een techniek waarbij een gladgepolijste met zilver bedekte koperplaat, of in zeldzame gevallen een zilverplaat, lichtgevoelig werd gemaakt door jodiumdamp. Na belichting werden de zilverplaten ontwikkeld onder dampen van verhit kwikzilver. Een vrij gevaarlijke techniek met een prachtig resultaat die ‘ daguerreotypie ' werd genoemd. De verbinding van kwikdamp met zilverjodium vormde amalgaam. Waar de plaat niet werd belicht bleef de zilverjodium verbinding bestaan. Deze werd opgelost in natriumthiosulfaat. Deze laatste stof was de lang gezochte fixeervloeistof. Wat overbleef was amalgaam tegen een achtergrond van koper. Dit was eigenlijk een negatief beeld maar door het glimmende effect van het koper kwam het over als een positief. Hieruit blijkt ook het nadeel van deze techniek want er ontstond een niet reproduceerbaar origineel.

De methode van Daguerre wordt nog altijd gezien wordt als het werkelijke geboorte-uur van de fotografie. Deze in het begin nog heel gecompliceerde methode, waarmee je alleen unieke exemplaren kunt maken, wordt al snel verfijnd en verder ontwikkeld.

Hoewel het Daguerreotype procédé goede resultaten gaf, had het twee grote nadelen: een foto was nogal duur en er was maar één exemplaar van elke foto. Dat laatste werd niet door iedereen als een nadeel gezien want dat betekende ook dat de eigenaar van een Daguerreotype-portret zeker was dat hij een uniek kunstwerk bezat dat niet zomaar gecopieerd kon worden. Maar als er twee of meer copies nodig waren zat er niets anders op dan ofwel meerdere camera's te gebruiken ofwel de sessie telkens te herhalen. Er was echter zo'n grote vraag naar kopieën dat de Daguerreotype daar niet aan kon voldoen.

calotype
William Henry Fox Talbot (1800-1877) ontwikkelde in dezelfde periode in Engeland een vergelijkbare techniek, maar hierbij werd geen gebruik gemaakt van zilverplaten maar wel van stevig schrijfpapier. Het papier werd eerst in een oplossing van keukenzout gedompeld en daarna bestreken met zilvernitraat. Die eenvoudige chemische reactie levert zilverchloride op, een lichtgevoelige stof. et Belichte papier werd ontwikkelde met een oplossing van kaliumjodide en gefixeerd met dezelfde stof die Daquerre gebruikte. Het aldus ontstane negatief werd op een tweede stuk lichtgevoelig papier gelegd en weer belicht. Het resultaat was een positief. Prettige bijkomstigheid was natuurlijk dat je dit proces kunt herhalen. Talbot noemde zijn eerste afbeeldingen “photogenic drawings”. Talbots techniek wordt ook wel “talbotypie” of “kalotypie” genoemd. De kwaliteit van de allereerste calotypes is van mindere kwaliteit dan de eerste Daguerreotypes. Dit werd veroorzaakt door de vezels in het papier. Maar bij de methode van Talbot kon er een onbeperkt aantal positieve afdrukken gemaakt worden. De principes van de calotype techniek vormen aldus de basis van de moderne fotografie.

Parijse fotostudio's
Door steeds kortere belichtingstijden, maar vooral doordat je vrijwel eindeloos kunt reproduceren, ontstaat een nieuwe, fascinerende beeldwereld, die dichter dan ooit bij de af te beelden realiteit in de buurt komt. Veel taken van de schilderkunst raken door de fotografie haast in onbruik. Zo vervangt in de 19de eeuw de fotograaf in toenemende mate de portrettist, en wordt het voor brede bevolkingsgroepen mogelijk een afbeelding van het eigen konterfeitsel aan te schaffen. Niet alleen de persoonlijke geschiedenis, maar ook grote historische gebeurtenissen kunnen probleemloos op de gevoelige plaat worden vastgelegd. Fotografie democratiseert de omgang met het beeld zowel in de privé-sfeer ais in het openbaar.

Als gevolg van de massale verbreiding van de fotografie ontstaan in de jaren '50 en '60 de grote Parijse fotostudio's. Meestal gevestigd aan de boulevards, in de onmiddellijke nabijheid van theaters, restaurants en variété's, zijn dit nieuwe sociale trefpunten voor de rijkere burgers.

albuminedruk
Louis-Désiré Blanquart-Evrard (1802-1872) bracht in 1950 op een dunne gladde papiersoort een laag eiwit aan, voordat hij het papier lichtgevoelig maakte. Het resultaat was een glad, halfglanzend afdrukpapier, dat alle facetten van het oorspronkelijk negatief bleef behouden. Deze techniek bleef tot ca 1890 in gebruik en is bekend als albuminedruk.

collodium-methode
De Engelsman Frederic Scott Archer (1813-1857) was niet tevreden met de onscherpte van de calotypes en zocht naar andere methodes. In 1851 is hij er in geslaagd om de belichtingstijden te verkorten tot enkele seconden. Deze methode wordt de collodium-methode genoemd. Hierbij werd een kleine hoeveelheid collodium, waaraan kaliumjodide was toegevoegd, op een glasplaat gegoten. Wanneer het vluchtige materiaal in de collodiumoplossing bijna was verdampt werd het glas met een oplossing van zilvernitraat behandeld. De nu lichtgevoelige plaat kon in de camera belicht worden.

ambrotype
In 1852 wordt de ambrotype bekend gemaakt. Deze methode werd gebruikt in de periode 1850 – 1890.
Men ontdekte dat een te dun negatief (niet bruikbaar voor gewone afdrukken) op een zwarte ondergrond een positief beeld gaf. Door toevoeging van salpeterzuur aan de ontwikkelaar en het negatief zeer kort belichten en te ontwikkelen, ontstond er een bruikbaar beeld voor dit procédé. In Engeland stonden de afdrukken bekend als “collodiumpositieven op glas” in Amerika als “ambrotypieën” en op het Europese continent als “amphitypieën”.

ferrotype
Het tintype of ferrotype procédé wordt in 1852 uitgevonden door de Fransman Alexandre Martin (1826-1892). Het is een variant van de ambrotype en zal deze methode ook snel vervangen.

1855: De Fransman Alphonse Louis Poitevin (1819-1882) neemt een patent op een inktprocédé gebaseerd op het gebruik van een afdrukplaat met reliëfstructuur.

1856: De eerste echte “droge collodiumplaten” werden ontworpen door “dr. Hill Norris” uit Birmingham. De platen werden met een oplossing van arabische gom of gelatine afgedekt. De platen werden dan gedroogd en konden nadien verpakt worden.

1858: “John Pouncy”(1820-1894) vervaardigde de eerste “kooldruk”. Hij gebruikte gom en hete gelatine als oplosmiddel voor het pigment.

1864: Aan de collodiumemulsie, die cadmiumbromide bevatte, werd zilvernitraat toegevoegd om zo een gevoelige emulsie te verkrijgen die meer op zilverbromide dan op zilverjodide was gebaseerd, waarbij het zilverbromide zich in zwevende toestand in de emulsie zelf bevond. Het principe van Poitevin werd door Walter Bently Woodbury (1834-1885) voor zijn woodburytypie en door Joseph Wilson Swann (1828-1914) voor diens kooldrukprocédé toegepast.

1871: Uitvinding van de “droge gelatineplaat” door de Engelse arts Richard Lee Maddox (1816-1902).

1873: Hermann Wilhelm Vogel (1834-1898), een Duitse professor in de fotochemie in Berlijn, ontdekte dat de collodiumemulsieplaten, wanneer men ze met bepaalde anilineverven behandelde, gevoelig werden voor de kleuren die door de verfstoffen werden geabsorbeerd. De eerste stap naar de kleurenfotografie werd hiermee gezet.

George Eastman (1854-1932)
In 1884 kwam de volgende grote doorbraak: de Engelsman George Eastman (1854-1932) , de stichter van Kodak, introduceert de flexibele film op celluloid basis. Toen in 1891 ook de rolfilm werd uitgebracht kon de fotografie aan zijn grote opmars beginnen.

Kleurenfotografie
In het jaar 1904 neemt Louis Lumiére een patent op zijn Autochrome procédé. Tot 1955 was dit de enige techniek voor kleurenfotografie voor amateur-fotografen. Het principe van deze methode was eigenlijk heel eenvoudig: drie lagen zetmeelkorrel, gekleurd met rode, groene en blauwe kleurstof die wordt aangebracht op een zwart – witte glasplaat.

Rolleiflex
De Duitser Reinhold Heidecke (1881-1960) ontwerpt in 1928 de eerste Rolleiflex voor 6x6 negatieven. De term rollei is een samenvoeging van de naam ′roll film′ en ′Heidecke′. De Rolleiflex was meteen een succes, er waren binnen een paar weken meer camera′s verkocht dan de totale jaarproductie.

Kodak
In het jaar 1935 produceert Kodak de Kodachrome kleurenfilm en in 1941 introduceert het ook de populaire Kodacolor negatieffilm.

Digitale fotografie
In 1974 ontwikkelt Kodak de eerste kleurenfilter voor digitale beelden, de Bayer Pattern. Het is opgebouwd uit twee groene filterelementen voor elk blauw en rood element. Nu nog wordt dit systeem gebruikt in de meeste digitale camera's. .


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1755.