kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 28-03-2010 voor het laatst bewerkt.

Picturalisme

In het picturalisme (painterly aesthetic) zien we een soft focus en schilderachtige foto’s. Hoe minder er van de realiteit te herkennen was des te beter de foto. Onderwerpen en stijl zijn ontleend aan de schilderkunst van de late 19e eeuw en leverde aldus stemmige, net niet scherpe, in een warme tint afgewerkte foto's op.
De picturalistische fotografen hanteerden bij het maken van beeld een romantische benadering. Door middel van verschillende aspecten intensiveerden zij de gevoelswaarden in hun beeld. In de fotografie begint het picturalisme rond 1885 met een hoogtepunt tussen 1889 en 1912 en duurt tot ongeveer 1915.

Geschiedenis
In de jaren die volgden op de ontdekking van de fotografie werd dit nieuwe medium steeds vaker gebruikt als goed alternatief voor schilderijen. Het begon met de schilders die foto’s van landschappen maakten om ze als studie te gebruiken. Hierna werden ook steeds vaker andere onderwerpen zoals portretten van mensen, afbeeldingen van gebouwen en stadsgezichten gefotografeerd in plaats van geschilderd. Deze foto’s waren niet in scène gezet. Ze lieten bijvoorbeeld het dagelijkse leven van arbeiders en arme mensen zien. Maar er waren ook fotografen die heel bewust voor een andere richting kozen. Zo onstonden er rond 1900 een aantal nieuwe stromingen, zoals het Picturalisme, het Modernisme en de Straight Photography.

Veel kunstenaars begonnen meer en meer te experimenteren met de techniek. Adam Salomon, viel terug op het retoucheren voor het artistieke effect, Julia Margaret Cameron gebruikte slecht gemaakte lenzen om tot de “geest” van de geportreteerde door te dringen. Rejlander en Henry Peach Robinson maakten gebruik van fotomontage door meerdere negatieven samen te voegen. Deze experimenten resulteerden in het picturalisme.

Picturalisme
De 'picturalisten' zagen zichzelf meer als kunstenaars en dit kwam ook duidelijk naar voren in hun werk. Ze werden geïnspireerd door klassieke schilders en kozen daarom voor een schilderachtige benadering. Ze maakten geen scherpe realistische beelden, maar beelden met een zachte natuurlijke uitstraling. Sommige delen van de foto’s waren zelfs bewust onscherp, omdat niets in de natuur scherpe omtreklijnen heeft. Ook wilden ze de mensen op de foto’s laten samenvloeien met hun omgeving, omdat ze vonden dat deze onlosmakelijk bij elkaar hoorden. Op deze manier wilden ze de charme en het mysterie van de natuur laten zien. Fotografen zoals Edward Steichen, Alfred Stieglitz en Gertrude Käsebier waren belangrijke mensen binnen deze stroming.

Linked Ring Society
De ‘Linked Ring Society’ gesticht in 1892 door onder andere George Davidson en Henry Hay Cameron (1856-1911)(zoon van Julia Margaret Cameron), was een resultaat van het picturalisme dat in deze tijd in de fotografie erg populair werd. De vereniging was gevormd met als doel om fotografie binnen de ontwikkeling van de kunst te plaatsen. Ze wilden zich niet meer de wet voor laten schrijven door de ‘Royal Photographic Society’. Deze professionele engelse vereniging die in 1853 opgericht werd, concentreerde zich volgens hen te veel op de wetenschappelijke aspecten van fotografie.
Slechts een selectieve groep kwam in aanmerking om lid te worden van de ‘Linked Ring’. We zien in deze periode eenzelfde ontwikkeling ook bij de schilderkunst. De aanhangers van de ‘Linked Ring’ voelden zich verwant met de impressionisten, die zich net als hen ook niet aan de norm van de academie hield. Zo gingen ze een eigen beweging vormen.

De Amerikaanse tegenhanger van de ‘Linked Ring’ is in 1902 opgericht en heette: ‘Photosecession’ opgericht door Alfred Stieglitz (1864-1946), die hiervoor ook lid was van de ‘Linked Ring Society’. ‘Photosecessions’ bracht het tijdschrift ‘Camera Work’ uit, waarin hun doelstellingen uiteengezet werden die vrijwel gelijk waren aan de ‘Linked Ring’. In ‘Camera Work’ werd een hevige discussie gevoerd over welke plaats de fotografie in de kunst moest krijgen en over de theorie van de moderne kunsten in het algemeen. Een van de hoofdthema’s was wederom de tegenstelling tussen de ‘eerlijke’ fotografie (zoals documentaire en natuurgetrouwe fotografie) en de fotografen die manipulatie technieken als een geschikt middel tot artistieke expressie zagen.

Steichen, die ook een getalenteerd schilder was, werkte aanvankelijk in de picturalistische stijl. De foto’s die hij in het begin van de 20ste eeuw maakte, zijn prototypen van de picturalistische stijl en waren heel letterlijk beïnvloed door de schilderkunst. Het meest voor de hand liggende voorbeeld hiervan is het zelfportret dat hij in 1902 maakte met schilderspalet in de hand; de symbiose van fotografie en schilderkunst was compleet, Steichens foto’s werden zelfs als ‘paintographs’ of ‘photopaints’ omschreven.

Langzamerhand werd het duidelijk dat het picturalisme op een dood spoor zat en dat de fotografie aangewend werd om de schilderkunst en grafische kunsten te imiteren. Voortrekkers als Stieglitz ontdekten de mogelijkheden van de ‘zuivere’ fotografie en maakten kort na de eeuwwisseling de overgang naar de ‘straight photography’. Eenvoudige onderwerpen namen de plaats in van de beladen taferelen van het picturalisme en alle technische ballast werd overboord gegooid. Foto’s mochten er voortaan uitzien als foto’s: haarscherp en accuraat.

Tijdens de eerste wereldoorlog was Paul Strand een van de eerste fotografen die de softfocus esthetiek van de Pictorialisten de rug toekeerde. Hij was een tijdgenoot van Picasso, Braque, en Brancusi. Parallel tot hun werk op het doek, introduceerde Strand cubistische abstractie, spontane portretten en extreme close-ups in de fotografie. Stieglitz ging onder invloed van de fotograaf Paul Strand over op de “Straight Photography”.

Straight Photography
Deze groep hield zich vooral bezig met het fotograferen van close-up’s. Door alledaagse voorwerpen en lichamen van heel dichtbij te fotograferen, ontstond er een abstract vormenspel. Ze wilden met deze beelden de essentie van schoonheid laten zien. Paul Strand en Edward Weston maakten bij-voorbeeld extreme close-ups van schelpen en paprika’s, die daardoor bijna een erotische uitstraling kregen. Als reactie hierop, gingen een aantal fotografen letterlijk en figuurlijk meer afstand nemen van hun onderwerp. Maar ze wilden het persoonlijke karakter in de foto’s niet verliezen. De werkelijkheid werd in zijn totaliteit getoond, maar dan wel gezien door hún ogen. Zo onstond er rond 1920 de reportage-fotografie.

Reportage-fotografie
Fotografen als Dorothea Lange en Henri Cartier Bresson gingen zich richten op reportages. Ze wilden het leven van de mens in een soort fotografisch dagboek vastleggen. De omgeving speelde hierbij een belangrijke rol, omdat deze het persoonlijke karakter zeker zo goed verbeeldde als de mens zelf. De reportages van de kunstenaar Rodchenko lieten ook heel duidelijk ’de gewone mensen’ in hun dagelijkse omgeving zien. Vreemde standpunten en invalshoeken benadrukten zijn persoonlijke visie.

Modernisme
Deze groep beschouwde de fotografie meer als een grafische techniek. Ze wilden vooral ideeën fotograferen, inplaats van de zichtbare werkelijkheid. Door te experimenteren met verschillende vormen en materialen ontstondener abstracte beelden. Kunstenaars zoals Man Ray en Moholy Nagy maakten zelfs foto’s zonder camera, door voorwerpen direct op het fotopapier te leggen. Ze hielden zich ook bezig met fotomontages. Door stukken van verschillende foto’ste combineren, maakten ze een geheel nieuw beeld.

Aan het begin van de 20ste eeuw werden er meer magazines gepubliceerd en werd de vraag naar fotografie als illustratie groter. Tegelijk kwamen er lichtere en makkelijk te gebruiken cameras op de markt, zoals de leica en de 35mm film. Deze nieuwe ontwikkelingen zijn duidelijk zichtbaar in het werk van Andre Kertesz en Cartier Bresson. In 1930 begon hij een stijl te ontwikkelen die hij later benoemde als het zoeken naar het “moment descisive”.

Hedendaagse Fotografie
Na de Tweede Wereldoorlog wilden de fotografen meer als individu naar voren treden. Ze wilden niet meer bij een bepaalde stroming horen, maar zelf een eigen herkenbare stijl ontwikkelen. Ook de techniek stond niet stil. De doorbraak van de kleurenfotografie zorgde voor een belangrijke verandering. En er kwamen nieuwe camera’s op de markt, die door iedereen eenvoudig te bedienen waren. Het werd dus nog veel makkelijker om te fotograferen. Na deze tijd ging het allemaal heel snel. Tegenwoordig is fotografie niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Overal om je heen zie je foto’s; inreclamefolders, op cd-hoesjes en op het internet. Alles kan en alles mag. Er zijn veel verschillende stijlen en technieken, die door elkaar worden gebruikt. Toch zijn er nog genoeg fotografen die opvallen door hun persoonlijke visie en stijl. Nederlandse fotografen zoals Erwin Olaf, Paul Huf, Patricia Steur en Anton Corbijn zijn wereldberoemd geworden door hun eigen herkenbarestijlen. Zo heeft Erwin Olaf veel bekendheid gekregen door zijn opvallende fotoseries. Ook Anton Corbijn is wereldberoemd geworden met zijn herkenbare foto’s van filmsterren en beroemde muzikanten. Zo heeft hij veel foto’s gemaakt van U2, The Red Hot Chilli Peppers en andere bekende bands. Erwin Olaf en Anton Corbijn maken ook videoclips. Dit komt omdat fotografie veel overeenkomsten heeft met video. Beide media laten met behulp van licht een beeld van ’de werkelijkheid’ zien. Daarbij speelt de compositie van het beeld natuurlijk een heel belangrijke rol. Het grote verschil is dat fotografie stilstaande beelden laat zien, en dat video bestaat uit bewegende beelden.

Websites: www.project-project.org, www.klaartjeesch.nl, trizee.be/janna/?p=8, hbo-kennisbank.uvt.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 24.