kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Ad Gerritsen

Ad Gerritsen (Arnhem, 1940)

Albertus Gradus Gerritsen, geboren 18-3-1940 in Arnhem, woont in Arnhem werkt in Heveadorp. Graficus, schilder, collagekunstenaar, beeldhouwer, conceptueel kunstenaar. Autodidact. Doceert aan de afdeling gemengde media van de AKI te Enschede.

Na de ambachtsschool volgde Ad Gerritsen in Arnhem een opleiding tot banketbakker.
,,Een oom van me had een banketbakkerij in Nijmegen. Het was mijn moeders diepste wens dat ik ook een eigen zaak zou hebben. Dat was voor haar de top. Maar ik had altijd getekend en geschilderd en toen ik een jaar of achttien was kwam er de klad in dat bakken. Ik besloot mijn banketcarrière op te geven..''

Hij ging in militaire dienst en daarna naar de Arnhemse kunstacademie, waar hij het anderhalf jaar uithield: ,,Ik kwam in aanvaring met de hoofddocent. We zaten met houtskool stillevens te tekenen en die man corrigeerde mijn tekening met een rood potlood. Het bloed schoot me achter mijn ogen, ik kon het niet hebben. Het was een autoritaire man, die ons via de traditie van Cézanne wilde laten schilderen en alles kleineerde wat anders was. Ik ging weg van die academie, zocht een atelier en hield me met allerlei baantjes in leven.''

Sinds 1965 heeft Ad Gerritsen een oeuvre opgebouwd waarmee hij een eigen en zeer herkenbare positie in de Nederlandse kunst bezet. In zijn schilderijen nemen menselijke figuren een centrale plaats in. Deze zijn echter niet bedoeld als portretten, maar als persoonlijk geformuleerd, schilderkunstig commentaar op de uiteenlopende wijzen waarop in de visuele cultuur wordt omgegaan met het beeld van de mens. Gerritsen zoekt zijn beeldmateriaal in de geschiedenis van de beeldende kunst, in de visuele media en de massacultuur, in wetenschappelijke beeldinterpretaties, en ook in zijn eigen wereld.

Ad Gerritsen heeft zich in zijn werk vaak gericht op de marge van de samenleving: hoeren, criminelen, psychiatrische patiënten, in het algemeen mensen die "er niet bij horen". Het gaat hierbij meestal om het herkenbare cliché (van bijvoorbeeld bepaalde gemoedstoestanden) en Ad Gerritsen's specifieke vertaling daarvan in Kleur en beeld, waarvoor hij zich baseert op boeken en tijdschriften. Foto's en afbeeldingen uit boeken zijn niet meer dan een uitgangspunt voor zijn schilderijen. Op een doorzichtig vel trekt hij de contouren van een foto over, met weglating van details. Het overgetrokken beeld projecteert en tekent hij vervolgens op het doek. Daarna begint het schilderen.

Beeldtradities voorziet Ad Gerritsen graag van zijn eigen codes. In de jaren zestig met een zweem van humor, wanneer hij een vakantiekiekje schildert als een absurdistische maskerade; in de jaren zeventig waarin hij, in het verlengde van ontwikkelingen in de beeldende kunst van die jaren, de schilderkunst tijdelijk vaarwel zegt en voornamelijk fotografie, met wat Grafische en keramische uitstapjes, als uitdrukkingsmiddel verkiest. Hij werkte toen als creatief therapeut in de psychiatrie en in de gevangenis. Zijn interesses spitsen zich dan toe op het menselijk gedrag en de thematiek in zijn werk draagt de sporen van zijn bezigheden.

In de psychiatrische inrichting deed hij `creatieve therapie' in de vorm van tekenen en schilderen met een groep geestelijk gestoorden. Hij wist niets van de psychiatrie, maar werd gedreven door nieuwsgierigheid. In hoeverre dit werk invloed had op zijn kunst, vindt hij moeilijk te zeggen. ,,Mijn belangstelling voor fysionomie en verschijnselen als bijvoorbeeld hysterie heeft er misschien wel mee te maken. Maar van meet af aan was het menselijk gezicht aanleiding tot mijn schilderijen en dan kom je al snel terecht bij de fysionomie.''

Monumentale psychologische portretten,
In de jaren tachtig pakt hij de schilderskwast weer op. Hij ontmaskert de emoties die Lebrun in de zeventiende eeuw catalogiseert. Gerritsen paart deze aan archtypen van angst, pijn en lijden waarvoor de christelijke iconografie, verbeeld door illustere voorgangers, model staat. Vaak ook toont hij een sociale betrokkenheid waarbij hij bijvoorbeeld de beeldconventies van het Russische sociaal realisme toepast. Zijn schilderijen verleiden door de kleur maar de voorstelling wordt grimmiger dan ooit. Zelfs een koesterende madonna verliest haar tederheid als hij dit beeld naar het heden vertaalt. Gerritsens confronterend realisme is onontkoombaar.

,,De beeldtaal van de fascistische schilderkunst en van het socialistisch realisme zaten vol clichés over de schoonheid van het menselijk lichaam, de Körperkultur. Het was een en al bedrog en net als de reclame ontdaan van alle menselijkheid. Ik probeer in die doeken te achterhalen hoe dat bedrog in elkaar zit, waar het in schuilt.''

De kunst van Gerritsen is altijd figuratief en verhalend geweest, al is het verhaal dat in een schilderij besloten ligt vaak niet precies te traceren. Zo maakte hij na een bezoek aan Sicilië het doek Dubbelportret (1988), waarop hij een wulpse vrouwenkop naast een doodshoofd met nonnensluier schilderde. In een gang onder een klooster bij Palermo had hij gemummificeerde kloosterlingen aan de muur zien hangen. Bij sommigen waren nog plukjes haar of stukjes kleding te zien en dat inspireerde hem tot het gesluierde doodshoofd.

Gerritsen: ,,Ik heb geen vermogen om abstract te denken en daarom heb ik ook nooit abstract werk gemaakt. Als ik een figuur schilder, zijn er criteria waarnaar ik kan beoordelen of die figuur voor mij betekenis heeft of niet. Bij abstracte schilderijen ligt die beoordeling vooral in de esthetiek en dat is voor mij niet genoeg.''

Gelderland Grafiek Prijs (2000)

Anders dan zijn onderwerpen soms doen vermoeden schildert Gerritsen geen extraverte beelden. Hij laat zich bij de keuze voor beelden juist leiden door houdingen van mensen die naar binnen gericht zijn, in zichzelf gekeerd. In extreme vorm betreft dit de meest recente serie portretten, waarvoor hij zich liet inspireren door foto's van mensen die in hun slaap zijn overleden.

2001 solotentoonstelling Dordrechts Museum, Dordrecht

2002 Het ontstellende werk van Ad Gerritsen
Je hoeft nog maar door deze monografie/catalogus te bladeren om vast te stellen dat het werk bevat van een hoogst origineel talent, dat van Ad Gerritsen. Het verloop is chronologisch, vanaf 1963 tot nu. De afbeeldingen zijn zowel in kleur als zwart-wit. Gerritsen beoefende verschillende genres maar of het nu gaat om schilderijen en tekeningen of om objecten en installaties, steeds treft daarin zijn fascinatie voor de menselijke expressie en de impact daarvan. Meer nog dan aan zijn uitgekiende kleurgebruik en spaarzame maar effectieve vormentaal dankt het werk haar indringende karakter aan het psychologische inzicht van de maker (die jarenlang in een psychiatrische kliniek werkte). Gerritsen is een meester in het bespelen van de spanning tussen het individu en de groep, de historie en de actualiteit. Erotiek en politiek spelen eveneens een essentiële rol. Het is onbegrijpelijk dat Gerritsen, hoewel succesvol in eigen land, internationaal nog niet is doorgebroken. Waarschijnlijk is dat slechts een kwestie van tijd. - Albert Hagenaars

Bij de grote figuurstukken die hij de laatste jaren maakte is de aanleiding moeilijker te duiden. In het doek Picknick (2001) schilderde hij een aantal mensen, liggend en zittend op een picknick-laken in de natuur. De figuren lijken in zichzelf verzonken en geen enkele relatie te hebben tot elkaar. Ondanks de opgewekte kleuren is de gezelligheid van een picknick ver te zoeken op dit schilderij en lijkt de stemming onbehaaglijk.

Ad Gerritsen die bij voorkeur figuratief werkt. Houdt zich in zijn hout- en linoleumsneden, evenals in zijn zeefdrukken bezig met een suggestief mechanisme. Hij creëert schijnbaar objectieve fotografische ‘stills' uit onze sterk door de media bepaalde dagelijkse werkelijkheid. De grafische technieken ondersteunen daarbij zijn effectieve reducties van de complexe werkelijkheid. Vooral zijn zeefdrukken hebben een stijlverwantschap met de Pop Art. Uiterlijk is het werk van Ad Gerritsen zeer herkenbaar. Hij gebruikt vaak grote kleurvlakken en duidelijke contourlijnen.

De laatste twintig jaar gaf Gerritsen les aan de Enschedese kunstacademie. Hij doceerde hier `gemengde media', een combinatie van schilder- en beeldhouwkunst, fotografie, installatie, performance en video. Het vak was bedoeld om leerlingen de mogelijkheid te bieden met meer vrijheid gestalte te geven aan hun ideeën.

Gerritsen maakte behalve tekeningen en schilderijen ook beelden en installaties.

,,De schilderkunst blijft voor mij de beste vorm om me uit te drukken. Sinds de jaren zeventig is de schilderkunst dood verklaard. Ik besef dus heel goed dat er andere uitingsmogelijkheden zijn. Toch weet ik zeker dat het schilderen een belangrijk onderdeel zal blijven van de beeldende kunst. Al was het alleen maar omdat het zo prettig is om te doen.''

Zie ook de meer uitvoerige bronnen: thema´s als: de geschiedenis, de herinnering, het vastleggen van beelden uit de geschiedenis, cliché´s, types en de rol van de schilderkunst, onderzoekt hij in zijn werk de objectiviteit van alle waarneming. Niet alleen neemt ieder mens de dingen vanuit zijn eigen achtergrond en ervaringen waar en interpreteert ze, maar ook draagt iedere vorm van communicatie zijn eigen specifieke mogelijkheden tot vormen en vervormen in zich.
Iets dat in een bepaalde context een duidelijke werkelijkheid is, kan het volgende moment in een andere context het tegenovergestelde blijken te zijn. Deze werkelijkheidsverschuivingen zijn in het werk van Ad Gerritsen een belangrijk aspect. Vaak isoleert Gerritsen een bepaald gegeven uit de vorm waarin het gepresenteerd wordt, bijvoorbeeld uit een krant of boek, om het vervolgens op zijn eigen manier te verwerken.
Zo heeft de prent ´onder de chocoladeboom´ als oorsprong een boek (überflüssige menschen) met foto´s en gedichten over de grote crisis in Duitsland voor de tweede wereldoorlog.
Een van de foto´s riep bij de kunstenaar herinneringen op aan zijn eigen jeugd. Hij zag het beeld terug dat hij met andere pubers bijeenkwam onder een grote bruine beuk, die zij al snel de chocoladeboom noemden. Door een deel van de foto weg te schilderen ontstond er een compositie die aan de kunstenaar de mogelijkheden bood om als uitgangspunt voor een prent te dienen.
Zo maakte hij bijvoorbeeld verschillende versies van een groepje jongens, dat aan de voet van een boom zit. Een schijnbaar onbeladen beeld, maar dat wordt anders als je weet, dat het een groepje is van de Hitlerjugend. Een portret van een op het eerste gezicht gewone man of vrouw kan de afbeelding van een misdadiger of geweldadig omgekomen persoon zijn. ,,Ik schilder nu eenmaal geen bosjes tulpen", zegt Gerritsen over zijn thema`s.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 44.