kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Albert Gerard Bilders

Albert Gerard Bilders (1838-1865)

Albertus Gerardus (Gerard) Bilders werd 9 december 1838 geboren in Utrecht.

Hij kreeg zijn eerste tekenlessen van zijn vader, de landschapschilder Johannes Warnardus Bilders (1811-1890).

Het gezin woonde in Utrecht en later in Oosterbeek, een dorp bij Arnhem, waar zich later een kunstenaarskolonie had gevormd. Deze kunstenaars werkten aan de Veluwezoom in de vrije natuur.

In 1856 ontmoette Gerard Bilders de vermogende letterkundige Johannes Kneppelhout. Bilders vertoonde al op jeugdige leeftijd grote aanleg voor de schilderkunst. Zijn vader was echter niet in staat een degelijke opleiding voor hem te betalen en daarom was het een uitkomst dat J. Kneppelhout zich over de knaap ontfermde. Deze zond hem naar de Haagse Tekenacademie en stelde hem later in staat een studiereis naar Zwitserland te maken. Uit de brieven die hij van de jonge, weinig succesrijke schilder ontving, concludeerde Kneppelhout dat hem in de letteren een betere toekomst wachtte.

Den Haag
In 1857 verhuisde Bilders naar Den Haag voor een opleiding aan de Akademie van beeldende kunsten.
Hij was Leerling van de Haagse veeschilder Simon van den Berg. Daarnaast volgde hij lessen aan de tekenacademie en kopieerde hij ondermeer de veeschilderijen van Paulus Potter in het Mauritshuis.

Vanaf het begin van zijn schildersloopbaan richtte Bilders zich vooral op de weergave van het landschap.

Oosterbeek (Renkum) 1857 - 1864
Vrijwel iedere Zomer ging Bilders vaak naar Oosterbeek om te schilderen, samen met bevriende kunstenaars als Anton Mauve en Paul Gabriël. Deze schilders van de Haagse School probeerden vooral de sfeer van een landschap weer te geven, net als de Franse schilders van de School van Barbizon.

Genève 1858 (ook nog eenmaal in 1861)
In 1858 zond Kneppelhout hem naar Genève. In Zwitserland was hij korte tijd leerling van de landschap- en dierenschilder Charles Humbert (1813-1881). Met de amateurschilder Graaf de Pourtalès maakte Bilders een voettocht door Zwitserland.

Terug in Nederland, woonde Gerard Bilders korte tijd in Leiden en Leiderdorp. In 1859 betrok hij een atelier in Amsterdam. Nadat Keppelhout zich als financier had teruggetrokken kreeg Gerard Bilders te maken met geldzorgen. .

School van Barbizon
In 1860 reisde Gerard Bilders met zijn vader naar Brussel en maakte kennis met de schilders van de Franse School van Barbizon, waar hij diep van onder de indruk was.

Bilders was een van de eerste Nederlandse schilders die het werk van de School van Barbizon leerden kennen. In de landschappen van Bilders ontbreekt elke vorm van gekunstelde schilderachtigheid. Om die reden wordt hij gezien als een belangrijke voorloper van de Haagse School. Een uitspraak van Gerard Bilders wordt vaak gebruikt om zijn relatie met de Haagse School te benadrukken: „Ik zoek naar een toon, dien wij gekleurd-grijs noemen; dat is alle kleuren, hoe sterk ook, zoodanig tot één geheel gebragt, dat ze den indruk geven van een geurig, warm grijs.”, en ,"Het is mijn doel niet, een koe te schilderen om de koe, noch een boom om den boom; het is om door het geheel een indruk te weeg te brengen, dien de natuur somtijds maakt, een grootschen, schoonen indruk"

In de daarop volgende jaren verbleef Bilders soms in Amsterdam, dan weer in Zwitserland of in Oosterbeek. De Gelderse landschappen met koeien en geiten zijn zeer sfeervol. Hiervoor maakte hij in de natuur schetsen.

Hij overleed 8 maart 1865, op 37-jarige leeftijd, aan tuberculose.

Bilders was een schilder, met letterkundige aanleg, gelijk blijkt uit zijn Brieven en Dagboek, in 2 delen, uitgegeven door Kneppelhout. Door zijn vroegtijdige dood heeft hij noch zijn schilderkunst noch zijn literair talent ten volle kunnen ontplooien. De twee delen Brieven en dagboek, door zijn mecenas in 1876 uitgegeven, doen hem kennen als een begaafd stilist, die zijn twijfels aan eigen kunnen en miskenning door het kunstkopend publiek met humor, maar niet zonder weemoed aan het papier toevertrouwde.

O, de bittere beker van mijn onheil door Gerrit Komrij, ‘Ouwe boeken en jonge jongens' In: kunstenaar die jong sterft, aan de tering, veel onoverkomelijke luiheid en spleen bezit, een dagboek bijhoudt en brieven schrijft. Ai-ai.

De kunstenaar heet Gerard Bilders. Hij was schilder en leefde van 1838 tot 1865. Zijn ‘beschermheer' Kneppelhout gaf Bilders' dagboek en brieven in de negentiende eeuw al uit in een kleine oplage, en Wim Zaal verzorgde daar weer een bloemlezing uit, met een inleiding en verbindende teksten onder de titel: Vrolijk versterven.

In zijn inleiding schrijft Zaal dat Vincent van Gogh van deze dagboeken beroerd werd, maar, zo voegt hij er aan toe, uit een Hassliebe, ‘omdat Gerard hem na stond en hem met zijn melancholie bedreigde'.

Gerard Bilders is als schrijver een natuurtalent. Zwierig zwelgt hij in zijn eigen onheil. Zijn schilderijen hebben ook dat grijze, en hij beklaagt er zich telkens over dat zijn doeken, als hij ze warm en zonnig wil maken, zoals de mensen dat graag zien en ophangen, kil en dof worden. Hij is een ‘modern' schilder al, een impressionist (‘Het is mijn doel niet een koe te schilderen om de koe, noch een boom om de boom; het is om door het geheel een indruk teweeg te brengen die de natuur somtijds maakt, een grootse, schone indruk, ook door de eenvoudigste middelen. En zie, dat is mij nog nooit gelukt') en zijn blik is gericht op Frankrijk, op Parijs. Hij zal er nooit komen, door zijn fatale armoede. Zijn ‘beschermheer' Kneppelhout, die hem korte tijd een toelage verschafte en er daarna totaal, compleet, vernietigend mee ophield, wilde hem geld geven om naar Dresden te gaan (de oude meesters, nietwaar), maar Gerard wilde naar Parijs, en het werd dus Lochem.

Ik schreef beschermheer tweemaal tussen aanhalingstekens, want ondanks zijn welwillendheid heeft Kneppelhout altijd geprobeerd Bilders in een richting te stuwen die hem zelf voor ogen stond: hij begreep het originele in Bilders misschien wel, maar beknotte het uit alle macht.

Bilders' voornaamste handicap, naast Kneppelhout en de armoede, was zijn Weltschmerz. Het besef van zinloosheid, van willoosheid, zijn luiheid (terwijl hij toch rustig voortschilderde), zijn zucht tot flaneren, breeduit wordt er mee gekoketteerd.

De zwartgallige zelfontleding in zijn dagboek, zijn zelfverwijten worden nooit larmoyant, hij heeft stijl. Op zijn eenentwintigste kan hij al in zijn dagboek schrijven: Das Leben ist im Grunde doch fatal ernsthaft. En dan steeds die armoede weer: ‘Er komt iets armoedigs in mijn geest. Altijd te moeten opzien tegen iets dat een gulden vijftig kost, maakt mij zo klein dat ik volstrekt alle grotere Ansichten verlies.' Bijna nooit weet hij een schilderij te verkopen, en als het hem wel lukt, dan tegen belachelijk lage prijzen. Hij doet zijn best erachter te komen wat het publiek wil en ze dat dan ook maar te geven: ‘Het zijn vooral de Hollandse landschappen, die men hier te lande het liefste ziet; voor bergen halen de Hollanders de neus op. De mensen willen gaarne veel en vooral ver zien. In zoverre geloof ik, dat een of andere zand-woestijn geen slechte speculatie zou wezen. Ik ben dan ook bezig om in alle bomen op mijn schilderijen gaten te boren, opdat men er in 's hemelsnaam doorheen kunne kijken.' (Uit een brief aan Kneppelhout).

Het schrijven in zijn dagboek verstrekt hem nog enig soelaas. Op zijn tweeëntwintigste verzucht hij: ‘Tweeëntwintig en dan somber! Het is bespottelijk, ongelooflijk. Maar een groot gedeelte van die tweeëntwintig jaren heb ik boeken gelezen en gedroomd: daar zal de fout liggen. Ik zou iedereen het lezen en fantaseren willen afraden. Men vindt gevaarlijke waarheden uit; gevaarlijk, omdat zij komen door het kanaal van de kunst en niet uit eigen ondervinding.' Zijn situatie blijft somber, zijn eenzaamheid neemt toe. Al schrijft hij dat hij het in zijn dagboek nooit eens heeft over de vrolijke dingen die hij toch ook meemaakt, de goede mensen die hij toch ook ontmoet, hij blijft zichzelf voorspiegelen als een ongeluksvogel: als hij een paraplu koopt, houdt het voorgoed op met regenen, als hij een zaak in doodkisten wil gaan drijven, stopt de hele mensheid met sterven, ik be doel maar. Als hij eindelijk wat centen heeft (‘Lieve rijksdaalders, vergeet mij niet! Ik doe het u ook niet: en om goed met kwaad te vergelden, zou toch wat al te barbaars van u zijn') en naar Lochem kan gaan om in de natuur indrukken voor zonnige schilderijen op te doen, regent het daar aan één stuk door, wat natuurlijk weer een kolfje naar zijn hand is. Hij zoekt naar bewijzen voor zijn zwartgalligheid. Op zijn drieëntwintigste horen we in zijn brieven dat hij hoest en bloed begint op te geven: de zekere tekenen van een naderend einde.

In het jaar daarop verdient hij nog wat geld door voor Kneppelhout een vertaling te maken (die deze dan ongetwijfeld onder zijn eigen naam zal hebben doen verschijnen, zoals hij het ook deed met Farrars jongensboek Van Kwaad tot Erger), en onderneemt hij in zijn dagboek een poging tot een verhaal, tot literatuur. Maar dan worden zijn brieven en aantekeningen spaarzamer. Het dagboek breekt als hij vijfentwintig is plotseling af, de laatste zeven bladzijden blijken er later uit gescheurd. We vernemen alleen nog dat hij zijn treurige huurkamer verlaten heeft en weer bij zijn vader op de Prinsengracht is ingetrokken.

Een hopeloos leven, een bijtend boek. Wim Zaal noemt het een geheime tip ‘onder mensen die in buitengewone boeken belang stellen.' Geheim is het niet meer, buitengewoon nog wel.

Zie Lexicon Rijksmuseum Amsterdam, RKD Images


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 385.