kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 31-12-2015 voor het laatst bewerkt.

Albrecht Dürer

Belangrijkste Duitse schilder en graficus van de vroege renaissance.

Dürer kwam ter wereld als het derde kind in een gezin van achttien kinderen. Zijn vader Albrecht d.O., was goudsmid.
Dürer werd geboren op 21 mei in 1471 te Neurenberg, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht.

Na een opleiding bij zijn vader, een Neurenbergse goudsmid, ging Dürer van 1486-89 in de leer bij de schilder en graficus Michael Wolgemut. In diens atelier werden de meest uiteenlopende opdrachten uitgevoerd: schilderingen voor vleugelaltaren, in die tijd de belangrijkste traditionele taak van een atelier, stichter- en devotieschilderijen, ontwerpen voor glasschilderkunst en kunstnijverheid, boekillustraties in houtsnede. Tijdens Dürers leertijd werd waarschijnlijk al gewerkt aan de illustraties van Fridolins ‘Schatbewaarder' (Neurenberg, 1491) en Schedels ‘Wereldkroniek' (Neurenberg, 1493) In het atelier van Wolgemut was Dürer in de gelegenheid zich allerlei technieken eigen te maken. Hij kon aan de hand van kopieën de Nederlandse kunst leren kennen en ook de werken van de belangrijkste Duitse kopergraveur Martin Schongauer bestuderen.

Van 1490-94 maakte Dürer een lange trektocht. Het is niet bekend welke route hij precies heeft gevolgd. Bij Karel van Mander is een notitie uit 1491 aangetroffen waaruit blijkt dat Dürer in Haarlem is geweest. Het staat ook vast dat hij enige tijd in Colmar verblijf heeft gehouden. Hier had Dürer kennelijk Martin Schongauer persoonlijk willen leren kennen. Helaas was Schongauer kort voor zijn aankomst overleden. In Bazel verbleef hij langere tijd. Daar kreeg hij van de boekdrukker en uitgever Johann Amerbach een opdracht voor het maken van houtsnede-illustraties bij de ‘Komedies' van Terentius. Voorts maakte hij hier illustraties bij ‘De ridder van Turn' van Geoffrey de la Tour-Landrys en bij ‘Narrenschip' van Sebastian Brant. Algemeen wordt aangenomen dat Dürer tegen het einde van zijn reis een ontmoeting heeft gehad met de Hausbuchmeester. Van hem kan Dürer de technieken van de kopergravure en het etsen hebben geleerd. De eerste werken die hij na zijn terugkeer in Neurenberg schiep, laten in de keuze van de motieven duidelijk zien dat hij diepgaand is beïnvloed door de Hausbuchmeester en Martin Schongauer. In hetzelfde jaar trad Dürer in het huwelijk met Agnes Frey, de dochter van een kopersmid, die zijn vader voor hem had uitgezocht. Hun huwelijk bleef kinderloos.

Toen kort daarop de pest uitbrak in Neurenberg, begon hij aan zijn eerste reis naar Italië waar hij kennismaakte met de kunst van de Italiaanse Renaissance. Onderweg maakte hij vele aquarellen van het landschap. Aan de hand daarvan is zijn route goed te reconstrueren. Hij reisde via Augsbruck en Innsbruck over de Brennerpas naar Venetië. Daar leerde hij de gebroeders Bellinni kennen, die zijn belangrijkste voorbeelden werden. Jacopo de Barbari inspireerde hem tot zijn studies van verhoudingen. Dürer maakte veel kopieën en tekende ook veel naar Italiaanse voorbeelden.

Na zijn terugkeer in Neurenberg begon hij allerlei wetenschappen te bestuderen om zijn kunst verder te ontwikkelen. Zijn uitgebreide oeuvre bestaat behalve uit schilderijen, gravures, houtsneden en tekeningen ook uit geschriften over kunst en wetenschap. Dürer was daardoor een belangrijke schakel voor de introductie van de Italiaanse Renaissance in het Noorden.

Durer opende een eigen atelier en begon als zelfstandige de verkoop van zijn grafische werk op touw te zetten. Hij maakte o.a. de 15-delige Apocalyps (1498). Zijn houtsneden en gravures signeerde hij met zijn bekende monogram, een kleine D onder een A. Hij nam geen opdrachten aan voor het vervaardigen van vleugelaltaren, wat de traditionele taak van een atelier was. In plaats daarvan schiep hij - overigens naar verhouding vrij weinige - altaarstukken voor particuliere opdrachtgevers. Daarbij gaf hij, teruggrijpend op Italiaanse en Nederlandse voorbeelden, de voorkeur aan de vorm van het geschilderde drieluik. In deze stijl ontstond o.a. het PAUM-GARTNER-ALTAAR (1501-04, München, Alte Pinakothek). De vleugelschilderingen met de heilige ridders Georgius en Eustachius zij portretten van de zonen van de stichter, de Neurenbergse patriciër Martin Paumgartner. Op het middenluik is de familie van de stichter nog op traditionele wijze weergegeven als een groep biddende figuren, naar verhouding kleiner dan de andere afgebeelde personen.

Begin 1507 ontving Albrecht Dürer van de Frankfurter koopman Jacob Heller de opdracht voor een altaarstuk met als thema een 'Maria ten Hemelopneming'. Dit in augustus 1509 door Dürer voltooide Helleraltaar werd zo beroemd, dat het middenpaneel in 1614 uit het Dominicanerklooster in Frankfurt werd gehaald om over te gaan in het bezit van keurvorst Maximiliaan van Beieren. Helaas is het middenluik met de Terhemelopneming van Maria, dat hij zelf heeft geschilderd, in 1729 bij een brand verloren gegaan. alleen in kopie is het behouden gebleven. Maar aan de hand van talrijke voorstudies, zoals van Dürers eigen hand, kan men zich nog een voorstelling maken van de indruk die deze groots opgezette compositie eens moet hebben gemaakt. In de formulering van de plastische zienswijze op lichamen, die sterk aan de beeldhouwkunst doet denken, kondigt zich de nieuwe monumentale stijl aan, die kenmerkend is voor het werk dat Dürer in zijn latere leven zou maken.

Een van de belangrijkste werken die hij in zijn laatste levensjaren maakte, bestaat uit de twee schilderijen die elk 215x76 cm groot zijn en VIER APOSTELEN voorstellen. Hij schiep deze schilderijen in 1526, twee jaar voor zijn dood. Ze waren bestemd voor het raadhuis van Neurenberg en bevinden zich nu in de Alte Pinakothek te München. Johannes, Petrus, Marcus en Paulus zijn niet alleen te beschouwen als meesterlijke prestaties van schilderkunst uit de late Middeleeuwen, waarin het antieke schoonheidsideaal en gotische soberheid met sacraal, symbolisch kleurgebruik worden verenigd. Met dit werk geeft Dürer bovendien te kennen dat hij een volgeling is van Luther en de Reformatie. Johannes was de lievelingsapostel van de geloofshervormer en staat op de voorgrond afgebeeld, Paulus was de favoriete apostel bij alle protestanten. Tegelijkertijd werden de apostelen ook als belichaming van de vier temperamenten opgevat.

Dürer heeft ook een grote betekenis gehad voor de ontwikkeling van de portretkunst van de renaissance. Voorbeelden daarvan zijn het portret van de Saksische keurvorst Frederik de Wijze uit 1496, het levensgrote schilderij van Keizer Karel de Grote en van Keizer Sigismund uit 1509 en twee portretten van Keizer Maximiliaan. Volgens Middeleeuwse opvattingen was de kunstenaar een anoniem werktuig ter verheerlijking van God. Dat Dürer in dit opzicht een nieuw bewustzijn heeft, is duidelijk te zien in zijn zelfportretten van 1498 als 26-jarige in elegante modieuze kleding en dat van 1500. Op dit laatste beeldt hij zichzelf symmetrisch en frontaal af op de wijze van de Middeleeuwse Christusportretten. Overeenkomstig de opvattingen van de Renaissance komt de mens, die door zijn scheppingskracht een god gelijk is, in het middelpunt van het schilderij te staan.

In 1505 ging Dürer voor de tweede keer naar Italië, evenals de eerste keer om een pestepidemie te ontvluchten. In 1507 was hij weer terug in Neurenberg. Hij begon te verkeren in kringen van belangrijke humanisten. Met de geleerde humanisme en bezorgde hem grafisch werk van buitenlandse meesters.

Neurenberg, dat een vrije Rijksstad was en een cultureel, politiek en economisch middelpunt van het rijk, leverde een grote bijdrage aan Dürers ontwikkeling. In 1509 werd hij lid van de Grote Raad, een privilege van zeer vooraanstaande burgers.

Vanaf 1510 hield Dürer zich steeds meer met grafiek bezig. In 1511 gaf hij de serie houtsneden GROTE PASSIE en KLEINE PASSIE, HET LEVEN VAN MARIA en de APOKALYPS uit. In 1512 kwam hij in dienst van Maximilliaan van Oostenrijk, die hem veel opdrachten gaf. In 1515 kreeg hij van keizer Maximiliaan opdracht tot het vervaardigen van de humanistisch-allegorische cyclus TRIOMFBOOG en TRIOMFTOCHT. Maximiliaan gaf Dürer als enige van zijn kunstenaars een jaargeld van honderd gulden.

In 1520 begon Dürer een reis door de Nederlanden. Aanleiding hiertoe was het verzoek tot een bevestiging van zijn jaargeld bij de nieuwe keizer Karel V, die in Aken gekroond zou worden. Overal waar de kunstenaar zich ophield, werd hij als een held ontvangen en aan de belangrijkste mensen van het land voorgesteld, bijvoorbeeld aan Erasmus van Rotterdam. In Antwerpen ontmoette hij de schilders Lucas van Leyden, Jan Provost en Joachim Patenier. Hij beschreef zijn reis in een dagboek, waarin hij zijn bewondering uit voor de Nederlandse meesters.

Na zijn terugkeer ontstonden zijn belangrijkste en gegraveerde en geschilderde portretten, zoals WILLIBALD PIRCKHEIMER omstreeks 1524, HIERONYMUS HOLZSCHUHER en JACOB MUFFEL. Van 1523 tot 1528 verschenen Düreres verhandelingen ‘Lessen in meten' en de ‘vier boeken over de verhouding'.

Albrecht Durer overleed op 6 april 1528 in Neurenberg. Dürer streefde naar 'artistieke bevrijding' van de Noord-Europese kunst, in navolging van de Italiaanse renaissance: weg van het ambachtelijke, meer ruimte voor creativiteit en emotie.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 74.