kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 01-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Alexej Jawlensky

zelfportret

Russisch-Duitse expressionistisch schilder, geboren maart 1864 of 1865 te Torschok in Rusland – overleden 15 maart 1941 in Wiesbaden.

Reeds rond de eeuwwisseling bracht Von Jawlensky de verf in sterke tonen aan, waardoor een krachtige uitdrukking werd verkregen. Zijn verlangen om zich krachtig, emotioneel en direct uit te drukken, leidde tot een hartstochtelijk kleurgebruik. Hij is bijzonder origineel in zijn kleurschakeringen. De Russische volkskunst en de Byzantijnse religieuze iconen voeren hem naar een symbolische verheffing van de mens in zijn portretten.

Na korte loopbaan in Russisch leger studies aan Academie voor beeldende kunsten te Sint-Petersburg (1889-96). In 1896 naar München alwaar ontmoeting met Kandinsky met wie oprichting van de Münchener Künstlervereinigung. In 1914 naar Zwitserland alwaar vnl. landschappen. In 1921 weer in Duitsland alwaar stichting in 1924 van 'Die blauen Vier' met Klee, Kandinski en Feininger. Zijn voornaamste werken waren toen series koppen, die hij steeds abstracter schilderde. Vanaf 1933 was zijn werk in Duitsland officieel verboden (entartet), maar in het buitenland kwam er steeds meer belangstelling voor.

Biografie
Alexej Jawlensky of Yavlensky (oorspronkelijk genaamd Alexej Georgievitsj Javlenski) werd geboren in Torsjik als zoon van een legerofficier.

In 1874 verhuisde het gezin naar Moskou, waar hij het gymnasium bezocht. Als jongen van 16 bezoekt Jawlensky een internationale kunsttentoonstelling in Moskou en raakt diep onder de indruk.

Alexej von Jawlensky diende als officier in het leger van 1882 tot 1896. Daarnaast volgde hij vanaf 1889 een studie aan de kunstacademie in St. Petersburg en was hij leerling van de naturalistische schilder Ilya Repin.

In 1891 krijgt hij een relatie met Marianne von Werefkin, rijke erfgename en een van Repins speciale leerlingen. Jawlensky's stijl gaat de kant op van de Franse symbolisten en de laat-Duitse romantiek.

Jawlensky vertrok in 1896 samen met Marianne von Werefkin en haar huishoudster Helene Nesnakomoff naar Schwabing, een voorstad van München in Duitsland, waar hij in München de particuliere schildersschool van Azbè bezocht. Von Werefkin geeft het schilderen op om haar man te promoten (In 1905 begon Von Werefkin weer te tekenen en twee jaar later begon ze ook weer te schilderen.) en brengt Jawlensky in contact met de moderne kunst. In München raakt hij bevriend met Wassily Kandinsky.

In 1899 maakt hij een reis naar Venetië

In 1902 wordt hij vader van Andreas. Moeder is Helene Nesnakomoff. Ontmoet Lovis Corinth;

In 1903 nam de kunstenaar deel aan de tentoonstelling van de Berlijnse Secession.

In 1903 en 1905 bezoekt hij Parijs en ontmoet er Matisse. Was Jawlensky aanvankelijk erg beïnvloed door Van Gogh en Gauguin, dan ziet men vanaf deze periode stillevens, landschappen en figuren ontstaan die zonder Matisse niet denkbaar zijn. Hij gebruikt felle en schitterende kleuren, en bouwt zijn werk op in grote contrasterende, met zwart of blauw omlijnde vlakken.

Vanaf 1906 bracht hij de zomers door in het dorpje Murnau met Von Werefkin, Kandinsky en Gabriele Münter, waar veel werken ontstonden.

In 1907 ontmoet hij de Nederlandse schilder en Benedictijnse monnik Willibrord Verkade. Vriendschap met Kandinsky verdiept zich. Reis naar Murnau met Von Werefkin, Kandinsky en Gabriele Munter, zoon Andreas en Nesnakomoff. Vriendschap met de danser Alexander Sacharoff.

In 1910 richtte hij samen met zijn vrienden de nieuwe associatie van Munchener kunstenaars de Neue Künstlervereinigung München op. Al een jaar later verliet hij deze vereniging en startte met Franz Marc de nieuwe kunstenaarsgroep 'Der Blaue Reiter'.

Heeft een controversiële tentoonstelling in de Thannhauser Galerie. Ontmoet Cuno Amiet en Rudolf Steiner. Ontmoet Franz Marc en in Obersdorf Emil Nolde en Paul Klee.

Na 1912 begon Von Jawlensky zich op het portret te concentreren. Hij varieerde op dit thema in omvangrijke series en abstraheerde de omgeving steeds verder.

Kop van een jongeling, genaamd Herakles, 1912, olieverf op karton, 59x54, Dortmund, Museum am Ostwall
Belangrijker nog dan zijn stillevens en talrijke landschappen die reeds omstreeks 1910-12 een verregaande abstrahering vertonen, zijn de vele voorstellingen van menselijke figuren. Soms zijn het portretten, meestal zijn het echter fantasiekoppen. Kop van een jongeling, genaamd Herakles uit 1912 verwijst naar de held uit de Griekse mythologie. Niet zijn legendarische kracht wordt hier in beeld gebracht, maar de magie en het mysterie die rond de figuur hangen. Invloeden van Russische iconen en Egyptische mummieportretten, waarvan men in die tijd de artistieke waarde ontdekt, zijn in deze 'hypnotiserende' figuur eveneens herkenbaar. (exp 108)

In 1914 reist hij naar Moskou, Petersburg en Warschau. Hij ondervindt steeds meer relatieproblemen.

Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zag Alexej von Jawlensky zich genoodzaakt om zich in het veilige Zwitserland te vestigen. Tot 1921 woont hij in St Prex aan het meer van Genève. In Zwitserland werkt hij vnl. aan landschappen.

1916: ontmoeting met Emmy Scheyer. Ook deze vrouw geeft haar eigen kunstenaarschap op om Jawlensky te promoten.

In 1921 scheidt hij van Von Werefkin en verhuist met zoon en Nesnakomoff naar Wiesbaden waar hij een succesvolle tentoonstelling heeft. Huwt Nesnakomoff in 1922.

1928

Jawlensky heeft zich in de laatste 20 jaar van zijn artistieke leven vrijwel uitsluitend beziggehouden met het menselijk gelaat. Na 1917 vereenvoudigde hij zijn vormen steeds meer. Van 1918 tot 1921 schilderde hij in Ascona zijn eerste constructivistische, uit geometrische figuren opgebouwde koppen. De vormen werden steeds geconcentreerder, de kleuren, aanvankelijk teer, steeds donkerder en gloedvoller. Hij gaf deze schilderijen titels die welbewust van de voorstellingen van zijn portretten afweken. Voor hem, zo verzekerde hij vaak, waren de gezichten de uitdrukking van een bovenpersoonlijke werkelijkheid. Het zijn vergeestelijkte mensbeelden. Neuzen en ogen worden in de laatste werken versimpeld tot dubbele kruisen. "Liederen zonder woorden" noemde hij deze schilderijen.

In zijn essay Ekspressionisme in Vlaanderen van 1918 verdedigt Paul van Ostaijen een ideoplastische kunst, 'een ideeënkunst gericht op het vorm geven aan wat de geest meent waar te nemen' (Verzameld werk, blz. 53-66). Vanaf 1920 is Permeke bevriend met Oscar Jespers. Hun wederzijdse beïnvloeding en interesse voor zowel het constructivisme als de Afrikaanse kunst komt tot uiting in werken als Masker van Jespers en Primitieve koppen van Permeke. Verwant met de vormentaal van Masker is het latere werk van Jawlensky. Geometrisch opgebouwde koppen die Jawlensky in de jaren twintig maakt. Het thema van het menselijk gelaat is een constante in zijn werk, maar pas na 1917 evolueert Jawlensky naar een meer elementaire en gestileerde beeldtaal. Hij zelf noemt deze gezichten mystieke koppen of heiligengezichten. Jawlensky's toenemende interesse voor oosterse filosofieën en godsdiensten heeft ongetwijfeld bijgedragen tot deze evolutie. Basisvorm is de letter U die net als een druppel naar onder toe donkerder en zwaarder lijkt. (exp 228)

In 1924 stichtte hij met Lyonel Feininger, Paul Klee en Kandinsky weer een andere kunstenaarsgroep, "Die Blauen Vier". Zij exposeren gevieren in USA en Duitsland.

1927: Ontmoeting Lisa Kummel en Hanna Becker von Rath in Wiesbaden;

1929 Oprichting van vriendenstichting door Hanna Becker von Rath. Jawlensky betrekt een atelier in haar huis.

Eerste symptomen van artritis. De kunstenaar kreeg te maken met verlammingsverschijnselen.

Adolf Hitler was in Duitsland inmiddels aan de macht gekomen en introduceerde het begrip "ontaarde kunst". Nadat de kunstenaar in 1933 reeds een expositieverbod was opgelegd werden een tiental van zijn werken als waarschuwing getoond in de expositie Entartete kunst in München en 72 werken geconfisceerd.

Schildert zijn laatste werken: Honderden Meditationen op klein formaat.

In 1938 verergerden de ziekteverschijnselen dramatisch: Von Jawlensky raakte volledig verlamd. Drie jaar later overleed de kunstenaar in Wiesbaden waar hij werd begraven op het Russisch Orthodox Kerkhof.

Websites: 1928); Nacht (1933); Mein Geist wird weiterleben (1935); Große Meditation (1937); Kopf (1937). (Summa)

Meisje met pioenrozen, 1909, olieverf op karton, opgebracht op gelaagd hout, 101x75, Wuppertal, Van der Heydtmuseum

Stilleven met vaas en kan, 1909, olieverf op karton, 50x44, Keulen, Museum Ludwig, verzameling Haubrich

Helena met rode tulband, 1910, olieverf op doek, 93x79, New York, Solomon R. Guggenheim

Hoofd van een vrouw, 1911, olieverf op karton, 51x48, Amsterdam, Stedelijk Museum
Zijn verlangen om zich krachtig, emotioneel en direct uit te drukken, leidde tot een hartstochtelijk kleurgebruik. Hij is bijzonder origineel in zijn kleurschakeringen. De Russische volkskunst en de Byzantijnse religieuze iconen voeren hem naar een symbolische verheffing van de mens in zijn portretten. (Leinz 39)

Kop van een jongeling, genaamd Herakles, 1912, olieverf op karton, 59x54, Dortmund, Museum am Ostwall
In 1896 vestigt de schilder Jawlensky zich in München waar hij Kandinsky leert kennen. In 1903 en 1905 bezoekt hij Parijs en ontmoet er Matisse. Was Jawlensky aanvankelijk erg beïnvloed door Van Gogh en Gauguin, dan ziet men vanaf deze periode stillevens, landschappen en figuren ontstaan die zonder Matisse niet denkbaar zijn. Hij gebruikt felle en schitterende kleuren, en bouwt zijn werk op in grote contrasterende, met zwart of blauw omlijnde vlakken. Belangrijker nog dan zijn stillevens en talrijke landschappen die reeds omstreeks 1910-12 een verregaande abstrahering vertonen, zijn de vele voorstellingen van menselijke figuren. Soms zijn het portretten, meestal zijn het echter fantasiekoppen. Kop van een jongeling, genaamd Herakles uit 1912 verwijst naar de held uit de Griekse mythologie. Niet zijn legendarische kracht wordt hier in beeld gebracht, maar de magie en het mysterie die rond de figuur hangen. Invloeden van Russische iconen en Egyptische mummieportretten, waarvan men in die tijd de artistieke waarde ontdekt, zijn in deze 'hypnotiserende' figuur eveneens herkenbaar. (exp 108)

Frau mit schwarzen Haaren (Vrouw met zwarte haren), 1913, olieverf op hout, 53x50, privé-verzameling
Gesigneerd en gedateerd op de achterzijde. Aangeboden bij Sotheby's voor 640.000 à 960.000$.

Levensdruppel, 1928, olieverf op karton, 43x33, Wiesbaden, Museum
In zijn essay Ekspressionisme in Vlaanderen van 1918 verdedigt Paul van Ostaijen een ideoplastische kunst, 'een ideeënkunst gericht op het vorm geven aan wat de geest meent waar te nemen' (Verzameld werk, blz. 53-66). Vanaf 1920 is Permeke bevriend met Oscar Jespers. Hun wederzijdse beïnvloeding en interesse voor zowel het constructivisme als de Afrikaanse kunst komt tot uiting in werken als Masker van Jespers en Primitieve koppen van Permeke.
Verwant met de vormentaal van Masker is het latere werk van Jawlensky. Levensdruppel is één van de vele geometrisch opgebouwde koppen die Jawlensky in de jaren twintig maakt. Het thema van het menselijk gelaat is een constante in zijn werk, maar pas na 1917 evolueert Jawlensky naar een meer elementaire en gestileerde beeldtaal. Hij zelf noemt deze gezichten mystieke koppen of heiligengezichten. Jawlensky's toenemende interesse voor oosterse filosofIeën en godsdiensten heeft ongetwijfeld bijgedragen tot deze evolutie. Basisvorm is de letter U die net als een druppel naar onder toe donkerder en zwaarder lijkt. (exp 228)

Avond, 1929, olieverf op karton, 53x33, privé-verzameling

Symfonie zwart-rood, 1929, olieverf op karton, 38x28, Krefeld, Kaiser-Wilhelm-Museum
Jawlensky heeft zich in de laatste 20 jaar van zijn artistieke leven vrijwel uitsluitend beziggehouden met het menselijk gelaat. Na 1917 vereenvoudigde hij zijn vormen steeds meer. Van 1918 tot 1921 schilderde hij in Ascona zijn eerste constructivistische, uit geometrische figuren opgebouwde koppen. De vormen werden steeds geconcentreerder, de kleuren, aanvankelijk teer, steeds donkerder en gloedvoller.
Hij gaf deze schilderijen titels die welbewust van de voorstellingen van zijn portretten afweken. Voor hem, zo verzekerde hij vaak, waren de gezichten de uitdrukking van een bovenpersoonlijke werkelijkheid. Het zijn vergeestelijkte mensbeelden. Neuzen en ogen worden in de laatste werken versimpeld tot dubbele kruisen. "Liederen zonder woorden" noemde hij deze schilderijen.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 66.