kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 31-12-2015 voor het laatst bewerkt.

André Beauneveu

Frans schilder, beeldhouwer en bouwmeester, geboren ca. 1335/1335 in Valenciennes - overleden 1402 (vóór 1413) in Bourges.

De Henegouwer André Beauneveu was zowel beeldhouwer als als schilder en miniaturist. Hij is één van de belangrijkste voorlopers van de Vlaamse Primitieven en één van de meest veelzijdige en boeiende figuren uit de kunstgeschiedenis van de Lage Landen en Frankrijk. Historische documenten tonen aan dat Beauneveu al tijdens zijn leven tot de meest gerenommeerde kunstenaars van toen behoorde.

Beauneveus sculpturen waren voor het eerst realistisch en braken met de traditie van rigide vormen die afgebakend waren door de architectuur. Deze innovatieve modestijl had grote invloed op kunstenaars als Claus Sluter en zelfs op de gebroeders Van Eyck. De kroniekschrijver Jean Froissart (1344-1404) getuigde reeds van de hoge reputatie van deze beeldhouwer “van wie er in de kunst geen tweede bestaat”.

Biografie
Beauneveu verbleef niet alleen in Vlaanderen en Henegouwen, maar ook in Parijs, waar hij als “Ymagier” van de Franse koning Karel V betrokken was bij de grafmonumenten van Philippe IV, Jeanne de Bourgogne, Jean le Bon en Karel V.

Hij maakte in opdracht van koning Karel V verscheidene grafplastieken voor de abdij van St. Denis. De abdijkerk te Saint-Denis, waar de koningen werden bijgezet, is voor de geschiedenis van de Franse grafbeelden het leerrijkst. Vergelijken wij den Karel V van André Beauneveu uit Valenciennes, van 1364, dus tijdens het leven van den koning gebeiteld, met den Filips III van 1307, dan blijkt voldoende, dat Beauneveu zich om geen vergeestelijking meer [p. 184]bekommerd heeft en in de eerste plaats flinke werkelijkheid wil. - (Parijs, Bibliothèque Nationale). Zijn ter illuminatie van dit handschrift in grisaille-techniek uitgevoerde twaalf apostel- en twaalf profetenfiguren zijn hoogtepunten van de Franse boekilluminatiekunst en van de stijl rond 1400.

Een tussentijds verblijf aan het Engelse hof doet vermoeden dat hij ook meehielp aan het grafmonument van de Engelse koningin in Westminster abbey. Nadien trok hij naar Doornik en vervolgens naar zijn geboortestad Valenciennes, waar hij schilderijen in de schepenkamer uitvoerde. Vanaf die periode voerde Beauneveu regelmatig belangrijke projecten uit in de oude graafschappen Vlaanderen en Henegouwen; dit waren zowel vorstelijke opdrachten als opdrachten voor grote steden.

Uitgebreide biografie
Beauneveu was hoogstwaarschijnlijk afkomstig van Valenciennes. In 1360 werd hij voor het eerst vermeld in het Nieppebos nabij Cassel. In opdracht van Yolande van Vlaanderen voerde hij er decoratiewerken uit voor de vorstelijke kapel.
In 1361 en 1363 was hij actief in Valenciennes en werd hij bij verschillende stadsopdrachten betrokken.
In 1364 werd hij tot “ymagier du Roi” benoemd en vervaardigde hij de beroemde grafbeelden van Karel V, zijn vader Jean le Bon en zijn grootouders (Basiliek Saint-Denis).
Er wordt verondersteld dat de beeldhouwer vanuit Parijs naar Londen reisde om er te werken aan het hof van Philippa III van Henegouwen (1314-1369), de echtgenote van de Engelse koning Edward III. Men vermoedt dat hij toen betrokken was bij het grafmonument van de Avesnes-prinses in de abdij van Westminster.
In 1372 vestigt Beauneveu zich opnieuw in de Nederlanden en werkt hij o.a. in Doornik.
In 1374 wordt hij ook in Valenciennes en Mons gesignaleerd. Hetzelfde jaar krijgt hij van Lodewijk van Male de prestigieuze opdracht voor het ontwerpen van zijn grafmonument in de gravenkapel te Kortrijk (gesticht in 1369). Samen met zijn medewerkers werkt Beauneveu tot 1382 aan deze bestelling. Het albasten beeld van de Heilige Catharina – de beschermheilige van Lodewijk van Male – is in de context van de gravenkapel ontstaan.
In 1374 maakt Beauneveu voor de gevel van de Mechelse Vierschaar een beeld van Maria met Engelen (verloren).
In 1377 krijgt hij de opdracht voor een monumentaal Mariabeeld dat in het Belfort van Ieper opgesteld werd (verloren). Datzelfde jaar wordt hij als expert betrokken bij de oprichting van de klokkentoren van de kathedraal van Kamerijk.
Na de dood van Lodewijk van Male (1384) treedt Beauneveu – in tegenstelling tot bijvoorbeeld diens hofschilder Melchior Broederlam – niet in dienst van Lodewijks schoonzoon, de Bourgondiërhertog Filips de Stoute, maar wordt hij vanaf 1388 hofkunstenaar van Filips broer, Jean de Berry. Laatstgenoemde was één van de belangrijkste vorstelijke kunstliefhebbers van zijn tijd die ook opdrachten gaf aan Jacquemart de Hesdin en de gebroeders van Limburg. Daarnaast gaf hij aan Beauneveu de hoofdverantwoordelijkheid voor alle decoraties, sculpturen en schilderijen in zijn residenties. Zo bepaalt Beauneveu de versieringen van de Sainte-Chapelle in Bourges – waar hij de glasramen ontwierp – en het bekende hertogelijk kasteel van Mehun-sur-Yèvre.
In opdracht van Jean de Berry werkte Beauneveu ook als miniaturist. De beroemde in grisaille uitgevoerde reeks van 24 tronende profeten en apostelen in een Psalter voor Jean de Berry (Paris, BNF, MS. fr. 13091) is gedocumenteerd als miniatuurwerk van Beauneveu. Deze grisailles zijn kunsthistorisch van groot belang: ondanks een nogal gebrekkige voorstelling van het ruimtelijk perspectief, wordt de monumentale plasticiteit van de beeldhouwkunst hier voor het eerst omgezet in schilderkunst. Bovendien worden de miniaturen van Beauneveu als voorlopers beschouwd van zijn spraakmakende sculpturen in het kasteel van Mehunsur-Yèvre. Deze hebben waarschijnlijk een grote invloed uitgeoefend op de werken die Claus Sluter (actief vanaf circa 1360 - † 1405/6) in opdracht van Filips de Stoute maakte voor de Chartreuse de Champmol. Tegelijkertijd vertonen deze miniaturen grote overeenkomsten met één van de meest beroemde verluchtingen in de Franco-Vlaamse boekkunst, namelijk de diptiekachtige frontispiceminiatuur met het profielportret van Jean de Berry uit het zogenaamde Brusselse getijdenboek van de hertog (Brussel, KBR, Ms. Fr. 11060-61). Ook deze miniatuur wordt door velen als een meesterwerk van André Beauneveu beschouwd.


2007/2008 Tentoonstelling Groeningemuseum Brugge - ‘De dageraad van de Bourgondische eeuw. André Beauneveu, kunstenaar aan het Franse en Vlaamse hof’
Het Groeningemuseum slaagde erin om een monumentaal Mariabeeld uit privé-bezit in bruikleen te krijgen voor één jaar. Het is een uniek laatgotisch stenen beeld dat Onze-Lieve-Vrouw met Kind voorstelt en in een uitzonderlijk goede toestand bewaard is. De indrukwekkende sculptuur is 1m.86 hoog en wordt op basis van stijlvergelijkingen toegeschreven aan de uit Valenciennes afkomstige schilder, beeldhouwer en miniaturist André Beauneveu. Deze 14de-eeuwse sculptuur is, zowel uit kunsthistorische invalshoek als puur artistiek, een topstuk dat vergelijkbaar is met van Eycks Madonna van Joris van der Paele of Michelangelos Madonna (in Brugge).
Deze kleine dossiertentoonstelling concentreert zich rond de kunst en cultuur in de tijd van Lodewijk van Maele (†1386). Tijdens Lodewijks regeringstijd werd bijvoorbeeld in Brugge het indrukwekkende stadhuis gebouwd, met een gebeeldhouwde genealogie van de graven van Vlaanderen op de gevel. Hij was de laatste graaf van Vlaanderen van de Dampierre-dynastie. Het huwelijk van Lodewijks dochter Margareta van Vlaanderen met de Bourgondische hertog Filips de Stoute luidde een nieuw tijdperk in.
De tentoonstelling “De dageraad van de Bourgondische eeuw: André Beauneveu, kunstenaar aan het Franse en Vlaamse hof” biedt een unieke mogelijkheid om op een geconcentreerde manier kennis te maken met deze boeiende kunstenaar. Naast het Mariabeeld uit privé-bezit worden de Heilige Catharina uit Kortrijk en een ander Mariabeeld – afkomstig uit Arbois – in het Groeningemuseum geëxposeerd. Deze sculpturen zijn twee absolute topwerken die voor het laatst in 1978 in Europa werden uitgeleend in het kader van een expositie. De confrontatie van deze drie beelden is dan ook een unieke gelegenheid - zowel voor het publiek als ook de kunstwetenschappers - om inzicht te krijgen in het sculpturale conceptualisme van Beauneveu, één van de belangrijkste beeldhouwers van de late gotiek.

Tegelijkertijd geeft de tentoonstelling een beeld van de hoogstaande kunstproductie en het vorstelijk mecenaat in Vlaanderen tijdens de pre-Bourgondische periode. Beauneveus Heilige Catharina maakte namelijk deel uit van de oorspronkelijke decoratie van de Kortrijkse gravenkapel. Dit was waarschijnlijk het belangrijkste project van graaf Lodewijk van Male. Zijn hofschilders – Jan van der Asselt uit Gent († 1396) en Melchior Broederlam uit Ieper (†1409) – beschilderden de muren met de genealogie van de graven van Vlaanderen. Vermoedelijk vormde dit het prototype voor de stenen gravenbeelden van het Brugse stadhuis en de latere gravenreeks in de Duinenabdij (Brugge, Grootseminarie). De laatste graaf van Vlaanderen had de intentie om zijn grafmonument in de Kortrijkse kapel te laten oprichten. Hij gaf deze prestigieuze opdracht aan de beroemde beeldhouwer André Beauneveu die reeds eerder voor het Franse (en misschien ook Engelse) koningshuis gelijkaardige bestellingen had gekregen. Na de grafelijke nederlaag in de slag van Westrozebeke (1382) werden de fragmenten van het toen nog steeds onvoltooide monument naar Rijsel overgebracht. Lodewijk van Male had immers laten weten dat hij daar begraven wilde worden. Het beeld van de Heilige Catharina – de persoonlijke beschermheilige van Lodewijk van Male – werd door Filips de Stoute in 1386 naar Kortrijk teruggestuurd en sindsdien in de gravenkapel opgesteld. De documentaire gegevens rond de prestigieuze opdracht en de uitmuntende kwaliteit van het albasten meesterwerk zijn aanleiding om het beeld aan André Beauneveu zelf toe te schrijven.
Net als de koninklijke grafmonumenten in Saint-Denis en het verluchte psalterium voor Jean de Berry is de Heilige Catharina een sleutelwerk van André Beauneveu dat van cruciaal belang is voor de kunstgeschiedenis van de Lage Landen vóór 1400. Hiervan getuigt onder meer het gepolychromeerde Mariabeeld (omstreeks 1380; Antwerpen, Museum Mayer van den Bergh) dat oorspronkelijk afkomstig was uit de Brugse Kapittelkerk van Sint-Donaas en aansluit bij de beeldhouwkunst van Beauneveu.

Maria met Kind, omstreeks 1375, Kalksteen, 186 cm, Privé-verzameling
Waarschijnlijk was het beeld reeds tijdens de negentiende eeuw in de abdij van Fontenay (Frankrijk)
terechtgekomen. In 1980 werd de monumentale sculptuur uiteindelijk verkocht.
Op basis van een oude foto werd het toen nog onbekende beeld in 1972 voor het eerst gepubliceerd door
Robert Didier als een sleutelwerk van de “Doornikse” beeldhouwkunst (m.n. Doornik, Valenciennes,
Kamerijk) uit de tweede helft van de veertiende eeuw. Deze Belgische kunstwetenschapper en
gerenommeerde kenner van de laatgotische beeldhouwkunst relateerde het monumentale beeld terecht
aan het gelijktijdige Mariabeeld uit Arbois, de latere portaalsculpturen van de Sint-Martinusbasiliek te
Halle en de Heilige Catharina uit Kortrijk die rond 1375 te dateren is. Doordat de plooien- en figurenstijl
van dit Mariabeeld gelijkaardig zijn aan deze van de Heilige Catharina uit Kortrijk lijkt een toeschrijving
aan André Beauneveu aangewezen.

Maria met Kind, omstreeks 1375
Kalksteen, ± 185 cm
Arbois (Franche Comté), Église Saint-Just
Laatgotisch stenen beeld dat Onze-Lieve-Vrouw met Kind voorstelt. De indrukwekkende sculptuur is 1m.86 hoog.
De sculptuur, die in een uitzonderlijk goede toestand bewaard is, wordt op basis van stijlvergelijkingen toegeschreven aan de uit Valenciennes afkomstige schilder, beeldhouwer en miniaturist André Beauneveu. Deze 14de-eeuwse sculptuur is, zowel uit kunsthistorische invalshoek als puur artistiek, een topstuk dat vergelijkbaar is met van Eycks Madonna van Joris van der Paele of Michelangelos Madonna (in Brugge). - (wereldoorlog werd het toen nog grof overschilderde beeld als een negentiendeeeuws
werk beschouwd. Het Mariabeeld werd pas in 1953 door de Duitse kunsthistoricus Schmoll
gen. Eisenwerth geïdentificeerd als een meesterwerk uit de veertiende eeuw. Na een grondig
restauratieonderzoek door de Dienst voor Monumentenzorg van Oost-Frankrijk, waarbij de latere
overschilderingen verwijderd werden, werd de hoge kwaliteit van het beeld en het kunsthistorisch
belang ervan bevestigd en werd het voor het eerst gepubliceerd in 1962. De iconografisch-typologische
relatie met de zeldzaam bewaard gebleven beeldhouwkunst uit de Zuidelijke Nederlanden – en meer
bepaald het “kunstcentrum Doornik” – was onderwerp van een door Schmoll gen. Eisenwerth, Henss
en Didier gepubliceerde studie (1970). Op basis van stijlvergelijkingen met de portaalsculpturen van de
Sint-Martinusbasiliek te Halle (1390/1410) kon een terminus ante quem vastgelegd worden. Daarnaast
kon de datering van het stenen beeld door enkele historische gegevens nauwer bepaald worden.
Waarschijnlijk ontstond de sculptuur in opdracht van Robert van Arbois, die van 1351 tot zijn dood in
1378 bisschop van Doornik was. De kerkvorst stichtte in 1375 een fundatie voor een aan de Heilige
Maagd toegewijde doopkapel in de kerk van Saint-Just in zijn geboorteplaats Arbois. De sculptuur
was vermoedelijk als altaarbeeld van deze doopkapel bedoeld. Het beeld werd uitgevoerd door een
kunstenaar uit de omgeving van Beauneveu.

Heilige Catharina, ± 1373/1375, Albast, ± 190 cm, Kortrijk, Onze-Lieve-Vrouwekerk (in de Zuiderkruisbeuk - rechts boven het altaar van de O.L.V. Vrouwkerk te Kortrijk) In opdracht van Lodewijk van Male maakte beeldhouwer André Beauneveu deze Heilige Catharina voor de in 1369 opgerichte gravenkapel in de Kortrijkse Onze-Lieve-Vrouwekerk. De Vlaamse vorst koos Catharina als persoonlijke beschermheilige omdat zijn verjaardag met haar feestdag samenviel. Zijn devotie voor deze heilige was dan ook bijzonder groot. Daarom liet hij de gravenkapel met zijn grafmonument aan de heilige Catharina toewijden. Op de muren werd een grootschalige genealogie van de graven van Vlaanderen geschilderd.
Het albasten beeld - één van de meest monumentale nog bestaande werken in dit kostbaar materiaal - wordt dikwijls beschouwd als een meesterlijke synthese van de veertiende-eeuwse beeldhouwkunst. Beauneveu herinterpreteerde de artistieke traditie op een unieke manier en voorzag het beeld van nieuwe, innovatieve stijlelementen. Het normatieve verticalisme van de figuur wordt getemperd door een nieuwe sensitiviteit van lichamelijke plasticiteit. Daardoor anticipeert het beeld van Beauneveu op de latere evolutie in de Zuid-Nederlandse beeldhouwkunst van rond 1400.

Het monumentale beeld van de H. Katherina woerdt toegeschreven aan de bekende Vlaamse meester uit Valenciennes Andre Beauneveu (in opdracht van graaf Lodewijk van Maele). De Heilige plet het hoofd van haar vervolger Maximus. Dit fraai albasten beeld, het mooiste beeldhouwwerk dat de kerk bezit, wordt beschouwd als het meesterwerk van onze 14e eeuwse sculptuur. De edele houding, het grillige plooiespel van de wijde mantel, het serene licht-glimlachend wezen, de delicate handen, alles wijst op de hoge kunstwaarde van dit beeld, dat nog helemaal aansluit bij het de Franse gemaniëreerde stijl van de 14e eeuw. - (Lodewijk van Male de beeldhouwer Beauneveu de opdracht een grafmonument te maken om in de Gravenkapel te plaatsen die hij als zijn grafkapel had laten bouwen. Het monument is echter niet voltooid geworden. Daarnaast heeft de graaf ook een beeld van de patroonheilige voor zijn nieuwe kapel laten maken. Dit beeld is nu een van de pronkstukken van het interieur van de Gravenkapel. In 1566 werd, op een nacht, het Catharinabeeld uit vrees voor de Beeldenstorm, samen met andere kunstwerken in de grond verborgen en later weer uitgehaald.
De Heilige Catharina draagt een kroon op het hoofd en houdt in de linkerhand een wiel, bezet met scherpe punten, en in de rechterhand een zwaard. Deze attributen worden verklaard door de lotgevallen van de heilige. Het Kortrijkse Catharinabeeld is een laat voorbeeld van de 14de-eeuwse internationale stijl die gekenmerkt wordt door een modieuze S-vorm, een lieftallige, onpersoonlijke glimlach en een sierlijk-kunstmatig plooienspel van de kledij, dat aan opgerold perkament herinnert. - (Maria met Kind, omstreeks 1380, Kalksteen, gepolychromeerd, ± 98 cm, Antwerpen, Museum Mayer van den Bergh
De sculptuur is afkomstig uit de Brugse kapittelkerk van Sint-Donaas die in 1799 afgebroken werd.
Het is één van de belangrijkste Vlaamse beeldhouwwerken uit de late veertiende eeuw. De typologie
van het beeld is afhankelijk van de Parijse Mariabeelden uit de dertiende eeuw. Anderzijds vertoont
de sculptuur nauwe banden met de zogenaamde “Doornikse” beeldhouwkunst uit de streek van
Doornik, Valenciennes en Kamerijk die trouwens sterk beïnvloed was door André Beauneveu. De
gepolychromeerde Madonna toont meer bepaald parallellen met Beauneveu’s Mariabeeld uit privébezit.
Kenmerkend voor deze invloed zijn de artificiële houding van het kindje Jezus en de kroon van
de Maagd. De expressieve plooienstijl verwijst eerder naar de beeldhouwkunst van Claus Sluter. Men
vermoedt immers dat het rond 1380 te dateren Mariabeeld uit Sint-Donaas ontstaan is in de omgeving
van Jean de Marville (actief vanaf circa 1366 - †1389). Deze kunstenaar was de voorganger van
Claus Sluter op de Bourgondische bouwwerf van de Chartreuse de Champmol nabij Dijon. Voor deze
hypothese baseert men zich op het feit dat Jean de Marville vóór zijn werkzaamheden in Dijon langere
tijd in Brugge gedocumenteerd was. Men veronderstelt dat hij samen met Jean de Valenciennes (actief
tussen circa 1376 en 1386) aan sommige van de Brugse stadhuisconsoles gewerkt heeft. In ieder geval
bestaat er consensus over het feit dat enkele van de consoles – meer bepaald deze van Zacharias en
de engel – door de beeldhouwer van het gepolychromeerd Mariabeeld vervaardigd werden.

Dood, hemelvaart en kroning van de Maagd, Pen in bruin, grijs gewassen en wit gehoogd op geprepareerd perkament, 65 x 32,7 cm
Paris, Musée du Louvre, Département des Arts Graphiques, Inv. 9832
Deze uitzonderlijk fascinerende en tegelijkertijd moeilijk te situeren tekening wordt traditioneel aan
Beauneveu toegeschreven. Tegelijkertijd wordt dit door andere kunsthistorici betwist. Aan de basis
van de door Durrieu en Lavallée voorgestelde toeschrijving liggen enkele overeenkomsten met de
gedocumenteerde profeten- en apostelminiaturen uit het beroemde Psalterium van de hertog van
Berry (Parijs, BNF, MS. fr. 13091). Volgens Meiss (1967) zou deze tekening een kopie zijn naar een
verloren werk van Beauneveu. Sterling daarentegen wijst de toeschrijving aan Beauneveu af.
Vooral de voorstellingswijze van de gewaadplooien is in de tekening en het psalterium gelijkaardig.
Daarentegen is de opvatting van lichaam en ruimte net als de iconografische uitbeelding van Maria’s
Dood, Hemelvaart en Kroning moeilijk in overeenstemming te brengen met de kunstproductie uit Parijs
en de Zuidelijke Nederlanden. Aan de ene kant kan de compositie gerelateerd worden aan Duitse
muurschilderijen uit de veertiende eeuw, maar terzelfder tijd zijn er ook overeenkomsten met Italiaanse
fresco’s aan te wijzen. Mogelijks is deze tekening geen modelstudie, maar wel een kopie die een reizende
kunstenaar van een bestaand schilderij gemaakt heeft. Dit verklaart de verwarrende discrepantie
tussen de compositie en de stijl van het werk. De tekenstijl vertoont duidelijke overeenkomsten met
de Franco-Vlaamse kunstproductie, terwijl de oorsprong van de compositie eerder in het Zuiden of
Oosten te situeren is. Het vrij groot formaat van het perkament spreekt daarentegen eerder voor
een ontwerptekening. Dit blad is dan ook een bijzonder boeiend voorbeeld van de problemen die we
tegenkomen bij het bestuderen van kunstenaars als Beauneveu die achtereenvolgens op verschillende
plaatsen werkzaam waren.

Websites en afbeeldingen: www.brugge.be/internet/nl/content/files/musea/persmap_beauneveu.pdf


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 108.