kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 31-12-2015 voor het laatst bewerkt.

André Derain

Derain geschilderd door Matisse in 1905 te Collioure.

Frans schilder, illustrator, decorontwerper en beeldhouwer, Geboren 10 juni 1880 te Chatou, Île-de-France (vlakbij Parijs) - overleden 8 september 1954 rond Garches.

André Derain was een van de grondleggers van het Fauvisme met Henri Matisse en Maurice de Vlaminck.

Tijdens zijn studie aan de Académie Carrière in Parijs ontmoette hij Matisse. Spoedig sloot hij zich aan bij de Parijse avant-garde. Met zijn vrienden de Vlaminck en Matisse begon hij de kleur als een onafhankelijk decoratief element te behandelen. Dit resulteerde in de tentoonstelling van de fauvisten in 1905. Na een korte kubistische periode begon hij ca. 1911 o.i.v. de oude Italiaanse meesters figuratieve voorstellingen van een klassieke eenvoud te schilderen.

Derain is als schilder vooral van belang wegens zijn bijdrage aan de ontwikkeling van het fauvisme (1905-07). Hij was zeer veelzijdig; behalve met schilderen hield hij zich ook bezig met illustraties van boeken, ontwerpen van decors voor Diaghilevs balletten en beeldhouwen. (Summa)

Biografie
Van 1898 tot 1900 studeerde André Derain voor ingenieur aan de 'Académie Carrière' (Académie Camillo) in Parijs, waar hij schilderlessen volgde bij Eugène Carrière en daar leerde hij Matisse kennen. In 1900 ontmoette Derain Maurice de Vlaminck in een trein, met wie hij een atelier deelde en hij begon zijn eerste landschappen te schilderen.

Derain bezocht vele musea en verdiepte zich in de lectuur van Zola, Nietzsche etc. In 1901 leert Derain het werk van Van Gogh kennen, die een bepalende invloed op hem heeft evenals de Neo-impressionisten en in het bijzonder Paul Cézanne.

Van 1901-04 onderbrak Derain zijn studies omdat hij in dienst moest. In deze periode illustreerde hij twee romans voor Maurice de Vlaminck.
Nadat hij in 1904 uit dienst kwam gaf hij zijn ingenieurs carrière op en wijdde zichzelf geheel aan het schilderen; daarop studeerde Derain korte tijd aan de Académie Julien, waar hij Fernand Léger ontmoette. Ook in 1904, leerde hij Guillaume Apollinaire kennen.

Bergen in Collioure, 1905

In de zomer van 1905 schilderde Derain samen met Matisse in het plaatsje Collioure en later dat jaar exposeerden zij hun vernieuwende schilderijen in de Salon d'Automne. De levendige onnatuurlijke kleuren, de vereenvoudigde tekenkunst en de heldere compositie van de werken leidden ertoe dat de criticus Louis Vauxcelles hun werken aanduidde als les Fauves, de wilde beesten, wat het begin inluidde van het fauvisme.

In 1905 kocht de kunsthandelaar Ambroise Villard verschillende werken van Derain en in maart 1906 gaf Vilard Derain een opdracht om een serie schilderijen van Londen te maken. In de 30 werken schilderde Derain een portret van Londen dat totaal anders was dan alle eerdere werken over dit onderwerp van schilders als Whistler en Monet.

Derain begon zich ook te interesseren voor keramiek, houtgravures en beeldhouwen, hij maakte grote panelen met als thema de gouden eeuw, de dans of badende vrouwen.

Vrouw in hemd, 1906

Na 1906 leek hij beïnvloed te worden door Gauguin, zijn kleuren werden minder levendig.

In 1907 bezocht Derain het Bateau-Lavoir, een plek waar schrijvers en kunstenaars samenkwamen, waar hij Picasso, Matisse, Braque, Apollinaire, Van Dongen en Max Jacob ontmoet. In deze tijd ontdekte en verzamelde hij de primitieve Afrikaanse Kunst. Hij exposeerde in de Salon des Indépendants. In datzelfde jaar ging hij in Montmartre wonen, waar Picasso en zovele andere beroemdheden woonden. Ook in 1907 kocht de kunsthandelaar Kahnweiler werken van Derain en de Vlaminck.

In 1908 bracht Derain verscheidene maanden door met Picasso in Avignon en werd sterk beïnvloedt door het kubisme. Hij bracht in 1909 met Braque een deel van de zomer door in Carrières-Saint Denis en in 1910 ging hij met Matisse en Picasso naar Barcelona, Spanje.

Hij exposeerde in de Salon des Indépendants van 1909. Ook exposeerde Derain in verschillende galeries, waaronder galerie Berthe Weill en de Grafton galerie in Londen. Derain illustreerde de eerste poëziebundel van Guillaume Apollinaire, L'Enchanteur pourrissant (1909).

In 1910 exposeerde hij in de Neue Künstlervereinigung in München, in 1912 bij de Blaue Reiter en in 1913 bij Armory Show in New York. Ook illustreerde hij een verzameling gedichten van Max Jacob in 1912 en in 1916 maakte hij de illustraties voor het eerste boek van André Breton, Mont de Piété.

Tafel en stoelen, 1912

Rond deze tijd werd Derains werk beïnvloedt door zijn uitgebreide studie van de oude meesters. 1912 is het begin van zijn période-gothique. In 1913 nam hij deel aan de Eerste Herfstsalon in Berlijn.

In 1914 werd Derain gemobiliseerd in de W.O.I Derain en vocht tussen 1914 en 1918 aan de Somme, de Aisne en in de Vogezen. Na de oorlog ging Derain realistisch schilderen. In 1919 ontwierp hij het decor voor het ballet La Boutique fantasque voor Serge Diaghilev, van de Ballets russes. Het werd een groot succes en sindsdien ontwierp hij vele decors en kostuums voor balletten.

Van 1920-30 bezocht Derain Zuid-Frankrijk. Hij vervaardigde schilderijen van Pierrot en Harlequin. Na een reis naar Italië in 1921 legde hij zich toe op portretschilderen en ook landschappen. Zijn invloed en succes bleven stijgen en in 1928 werd hem de Prix Carnegie in Pittsburgh (VS) toegekend. Zijn werken werden vanaf dat moment ook meer buiten Frankrijk tentoongesteld, zoals in Londen, Berlijn, Frankfurt, Düsseldorf, New York en Cincinnati.

Harlequin en Pierrot, c.1924

In 1935 heeft Derain een overzichtstentoonstelling in de Kunsthalle van Bern. Verder kreeg hij talloze opdrachten voor kostuum- en decorontwerpen voor de Opéra in Parijs.

Tijdens de bezetting van Frankrijk in de W.O. II woonde André Derain in Parijs en werd door de Duitse bezetter als vertegenwoordiger van de Franse cultuur gezien.
In 1941 accepteerde Derain een officiële uitnodiging om naar Duitsland te komen, en samen met onder meer Maurice de Vlaminck, André Dunoyer de Segonzac, Othon Friesz en Kees van Dongen bezocht hij de tentoonstelling van de Nazi beeldhouwer Arno Brecker. De nazi propagandamachine gaf hier natuurlijk volop aandacht aan en na de bevrijding werd hij door vele Fransen als collaborateur gezien.

In 1944 sloeg Derain het aanbod af om directeur van de École des Beaux-Arts in Parijs te worden.

In 1953 kreeg Derain een infectie aan zijn ogen, waardoor zijn zicht eerst sterk verminderde en later iets verbeterde. Hij stierf op 8 september 1954, nadat hij door een auto was aangereden.

In 1994 had André Derain een belangrijke overzichtstentoonstelling in het Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris.

Werken:
. Portret van Henri Matisse, Londen, Tate Gallery
Dit indringende portret bevestigt dat de schilder ondanks het volledig verwerpen van het academisme, zelfs in zijn fauvistische periode niet helemaal breekt met de traditie van het modelé, al was het maar in brandende zuivere kleuren. Meer dan wie van zijn tijdgenoten zal Derain tegelijk fauvistisch en gegrepen door een cartesiaanse geest de tegenstellingen van de schilderkunst van zijn tijd overstijgen. (Histoire)

. Drogend zeil, 1905, olieverf op doek, 82x101, Moskou, Poesjkinmuseum, verzameling Morozov

. Boten in Collioure, 1905, olieverf op doek, 60x73, Düsseldorf, Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen

. De sleepboten, 1905/1906, olieverf op linnen, 80x97, Parijs, Musée National d’Art Moderne, Centre Georges Pompidou
Ongeveer gelijktijdig ontstaan als Marquets ‘Brug over de Seine’, maar Derain ontwikkelde tijdens zijn korte fauvistische periode (tot 1908) een krachtdadige zeer decoratieve coloristische stijl. Geïnspireerd door Van Gogh zette hij sterk contrasterende kleurvlakken schril naast elkaar. De kleur straalt een opperste helderheid uit. Van Derain stamt ook de uitspraak die voor alle fauvisten opgaat: "Voor ons zijn kleuren als dynamietpatronen, die zich moeten ontladen. De oorspronkelijke idee dat alles boven de werkelijkheid verheven kan worden, was iets wonderbaarlijks. De grote verdienste van dit experiment was de bevrijding van het beeld van elke op imitatie of conventie berustende samenhang. Wij gingen zonder omhaal de kleur te lijf." (Leinz 16-17)

. De brug van Westminster, 1906, Parijs, privé-verzameling

. Danseres, 1906, olie, 100x81, Kopenhagen, Statens Museum

. Gehurkte figuur, 1907, steen, hoogte 33, Wenen, Museum Moderner Kunst


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 22.