kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Antoon Derkinderen

Nederlandse schilder, glasschilder, boekdecoratie-ontwerper, onderwerpen: religie, genrekunst, portretten, stillevens, geschiedenis,

Naamsvarianten: Antonie Derkinderen, (prof. dr.) Antonius Johannes Derkinderen, (ook bekend onder de naam Der Kinderen)

Antoon Johan Derkinderen schilderde (ook glas) tekende, etste, lithografeerde portretten, figuren en maakte ook wandschilderingen onder meer in het Stadhuis in Den Bosch (nog steeds te zien) en in de Koopmansbeurs te Amsterdam. Hij maakte boekversieringen voor Vondel-uitgaven, de Mis van Diepenbrock enz. Hij was leerling van August Allebé, Jean François Portaels, Jean Theodore Stracké en directeur van de Rijksakademie Amsterdam,

Geboren 's-Hertogenbosch 20-12-1859, Gestorven Amsterdam 2-11-1925,
Antonie Derkinderen werd op 20 december 1859 in 's-Hertogenbosch geboren. Hij was de zoon van Antonius Henricus Derkinderen, goud- en zilversmid, en Hendrica de Rooij.

Toon Derkinderen groeide op in een Rooms-katholiek milieu te 's-Hertogenbosch en doorliep daar van 1874 tot 1878 met goed gevolg de Rijkskweekschool voor Onderwijzers. Hij behaalde tevens de akten voor hulponderwijzer tekenen en wiskunde.

's-Hertogenbosch 1874 - 1880
Tussen 1878 en 1880 was hij leerling van de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten te Den Bosch onder leiding van Jean Theodore Stracké.

1880-1882 Rijksakademie van beeldende kunsten (Amsterdam)
Ging in 1880 naar Amsterdam waar hij tot 1882 woonde en werkte en studeerde aan de Rijksacademie aldaar.

Brussel 1882 - 1883
1882-1883 Tekenakademie (Brussel)
In 1882 ging hij met Jan Toorop naar Brussel en verbleef daar een jaar. Hij was leerling van de Tekenacademie in deze plaats onder leiding van Jean François PortaelsPortaels.

Amsterdam 1883 - 1890
Derkinderens carrière nam een aanvang met de opdracht in 1884 voor een schildering van de middeleeuwse Amsterdamse processie ter gelegenheid van het Heilig Sacrament van Mirakel. Het doek was bestemd voor de Begijnhofkerk in Amsterdam, en de opdrachtgever was de rector van de kerk, B.H. Klönne. In plaats van een in details uitgewerkte historische voorstelling te leveren, zoals de ontwerpschets aangaf, kenmerkte Derkinderens voltooide olieverfschilderij zich door een schimmige geabstraheerde afbeelding, uitgevoerd in halftinten. Het kunstwerk werd door Klönne geweigerd.

Brussel 1888 - 1890

's-Hertogenbosch 1890 - 1893
Derkinderen kreeg opdracht tot de versiering van een wand in het stadhuis van 's- Hertogenbosch in 1891: de 'eerste Bossche wand' genoemd. De kunstcriticus Jan Veth schreef hierover een jaar later in Derkinderens wandschildering in het Bossche stadhuis en lanceerde de term gemeenschapskunst. Sindsdien was Derkinderens reputatie als monumentaal schilder en gemeenschapskunstenaar gevestigd. Hierop volgde in 1893 de 'tweede Bossche wand', die echter minder gunstig werd ontvangen, juist doordat de kunstenaar het principe van stilering verder had doorgevoerd.

Laren 1893 - 1907
Hij woonde in zijn Larense tijd tussen 1893 en 1907 en vanaf 1903 op de Naarderstraat 67 in de villa 'De Zonnebloem' waar hij een werkplaats voor schilderen, glasschilderen en glas-in-lood-zetten opende.

In 1893 verleende Derkinderen als illustrator zijn medewerking aan de boekuitgave van Joost van den Vondels treurspel Gysbrecht van Aemstel , een onderneming waaraan ook de musici Alphons Diepenbrock en Bernard Zweers en de architect H.P. Berlage als decorontwerper een bijdrage leverden.

Derkinderen interesseerde zich voor glas-in-loodkunst, omdat dit naar zijn overtuiging, meer nog dan de monumentale schilderkunst, het idee van gemeenschapskunst benaderde. Het glas-in-loodvenster als muuruitsparing is immers ondergeschikt aan de architectuur en bekrachtigt deze. Derkinderens eerste grote opdracht was het gebrande glas-in-loodvenster voor het gebouw van de Rijksuniversiteit van Utrecht (1893/1894).

Gehuwd op 27-9-1894 met Johanna Henriette Besier, kunstenares. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

In 1897 was hij medewerker van J. Veth.

Derkinderens samenwerking in 1893 met Berlage werd voortgezet bij de opdrachten voor muurschilderingen in het door Berlage ontworpen gebouw van de Algemeene Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente (1895-1900) en in de Beurs te Amsterdam (1898-1903). Voor dit laatste gebouw zou Derkinderen de versiering verzorgen van de vergaderzaal van de Kamer van Koophandel. Zijn ontwerpschetsen waren echter niet overeenkomstig de door de literator Albert Verwey samengestelde decoratieplannen. Dit leidde tot een meningsverschil met Berlage en Verwey, dat werd beslecht door middel van een rechtszaak. Berlage en Derkinderen zouden ten slotte akkoord gaan met een schikking. Door technische omstandigheden zijn de schilderingen, met uitzondering van het glasraam, niet uitgevoerd. Na dit mislukte project kreeg Derkinderen geen belangrijke opdracht meer voor een muurschildering.

In 1903 richtte hij in het Noordhollandse Laren de werkplaats 'De Zonnebloem' op. Bij de opzet ging Derkinderen uit van het principe kunst en ambacht te verenigen en liet hij zich inspireren door de middeleeuwse bouwhut. Hier kon weliswaar het beursvenster zelf worden vervaardigd, maar gebrek aan verdere opdrachten dwong hem in 1906 de werkplaats te verkopen.

Amsterdam 1907 - 1935
Hij had veel contacten en zijn ideaal was om naar voorbeeld van de middeleeuwse gilden, leerlingen in het schilderen te oefenen. De werkplaats bereikte echter niet het beoogde succes en in 1907 vertrok Derkinderen naar Amsterdam, waar hij tot directeur van de Rijksacademie werd benoemd, een functie die hij heeft bekleed tot 1925. Derkinderen kon zo zijn opvatting over het kunstonderwijs verwezenlijken. Het was zijn doel om, met de middeleeuwse bouwhut voor ogen, kunst en ambacht tot elkaar te brengen, en hij spande er zich voor in de monumentale schilder- en beeldhouwkunst een plaats te geven in het lesprogramma. Onder zijn directeurschap werden onder anderen de schilder R.N. Roland Holst en de beeldhouwer J. Bronner, beiden beoefenaars van monumentale kunst, als docenten aangetrokken.

Het was de grote verdienste van Derkinderen dat hij het onderwijs aan de Rijksacademie inhoudelijk verruimde en zeer nadrukkelijk de maatschappelijk en religieus dienende functie van de kunst propageerde en doceerde. Geïnspireerd door de Gesamtkunst van de Duitse operacomponist Richard Wagner en de middeleeuwse kathedraalbouw streefde Derkinderen naar een samensmelting en eenwording van de verschillende kunsten onder suprematie van de bouwkunst. Onder invloed van ideeën van de Britse ontwerpers William Morris en Walter Crane was hij tot het besef gekomen dat door het l'art-pour-l'art principe de kunst buiten het maatschappelijk leven was komen te staan en dat aan het ambachtelijke werd voorbij gezien. Hij beoogde een nieuwe integratie van kunst en samenleving, waarbij de kunst de samenleving 'dient' en tegelijkertijd eruit voort komt. In deze zin is gemeenschapskunst geen kunst die de individuele impressies en gevoelens weergeeft, maar kunst waarin aan algemene, 'groote, breede ideeën' gestalte wordt gegeven. Opmerkelijk is voorts Derkinderens gewoonte om vóór het tot stand komen van een ontwerp historisch onderzoek te verrichten, daarbij gebruik makend van literaire bronnen en historisch beeldmateriaal. Hierin gaat echter ook een probleem bij Derkinderens kunstenaarschap schuil: ondanks zijn behoefte tot vernieuwing bepaalt deze historische gerichtheid grotendeels de iconografie van zijn werk, waardoor dit een 19e-eeuws historiserend karakter heeft behouden. Derkinderens ontkenning van de eigentijdse samenleving heeft hem veel kritiek opgeleverd en was veelal de achtergrond van conflicten bij opdrachten.

In 1914 behaalde hij zijn titel doctor h.c. aan de Universiteit te Groningen.

Derkinderens laatste grote opdracht, de ramen voor het door K.P.C. de Bazel ontworpen gebouw van de Nederlandsche Handel-Maatschappij te Amsterdam (1919-1926), zou door zijn overlijden in 1925 onvoltooid blijven.

Derkinderen heeft geen omvangrijk oeuvre nagelaten. Als scheppend kunstenaar en stimulerend docent is zijn belang in Nederland echter groot geweest, in het bijzonder voor de herleving van de monumentale kunsten in dienst van een gemeenschapsideologie: hij was hierin een van de pioniers en zou daar blijvend door eigen werk en aansporen van anderen trouw aan blijven. De invloed van Derkinderen reikte in dit opzicht tot ver in de jaren dertig en veertig.

collecties: Van Abbemuseum, Eindhoven - Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam - Centraal Museum, Utrecht - Gemeentemuseum Den Haag, Den Haag/Scheveningen - Kröller-Müller Museum, Otterlo - Noordbrabants Museum, Den Bosch -

Relevante verwijzingen en bronnen: RKD Images, http://www.inghist.nl/


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 314.

Tweets by kunstbus