kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 19 12 2016 21:46 voor het laatst bewerkt.

Barnett+Newman

Amerikaanse schilder en beeldhouwer, geboren 29 januari 1905 te New York - overleden 4 juli 1970 aldaar.

Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het color-field-painting.

Hij hield zich lang bezig met kunstgeschiedenis. Zijn kunstwerken uit de jaren ‘40 behoren tot het abstract expressionisme, hoewel hij zich later geheel zelfstandig ontwikkelde. Ca. 1945 maakte hij op plantaardige vormen geïnspireerde abstracte schilderijen. Daarna bestonden zijn werken uit enkele grote kleurvlakken, die door meestal smalle, verticale banden van elkaar gescheiden zijn. Daarbij komt de inhoud op de eerste plaats. In 1947-48 was Newman redacteur van het tijdschrift Tiger’s eye, waarin o.m. mythologische en esthetische onderwerpen werden behandeld. Zijn interesse hiervoor vindt men in zijn werken als Pagan void (1946) en Adam (1951-52) terug. Zijn sculpturen worden eveneens gekenmerkt door verticale, smalle vormen, vaak in twee- of drietallen opgesteld. (Summa)

Hij schept verticale of horizontale doeken met een dominante verticale lijn of kleurenveld. Op grote uniforme gekleurde doeken prijkt meestal een verticale lijn of "zip", een soort opening in het schilderwerk. Newman wil de verzelfstandiging van de kleur aantonen. (Leinz 138-139)

Biografie
Barnett Newman's ouders waren Russisch Joodse immigranten, die in 1900 in New York aankwamen. Abraham, zijn vader, richtte in 1915 een bloeiende kledingfabriek op en de familie verhuisde naar een betere buurt in de Bronx. Newman volgde lessen Hebreeuws en kreeg speciaal onderwijs van Joodse leraren.

In 1919 ging Newman naar de middelbare school in Manhattan. Hij nam de tweede naam Benedict aan, naar zijn Hebreeuwse naam Baruch. Hij zou zijn extra initiaal B. (B.B. Newman) gebruiken om zijn kunstwerken in midden jaren veertig te signeren en om officiële documenten te ondertekenen gedurende zijn hele leven. In 1922 nam Barnett Newman met Duncan Smith zes dagen per week tekenlessen aan de Art Students League. Zijn tekening van de Belvedere torso werd gekozen voor een expositie van het beste studentenwerk. Hier raakt hij bevriend met Adolph Gottlieb, met wie hij regelmatig het Metropolitan museum of Art bezocht.

Barnett Newman studeerde van 1923-1930 filosofie aan het City College en nam modeltekenlessen aan de Art Students League, waar hij de kunstenaar William von Schlegel leerde kennen.


1944

In 1927 ging Newman in zijn vaders bedrijf werken om zichzelf als artiest te bedruipen. Na de crash in 1929, bleef hij er werken om het bedrijf solvabel te houden. In 1929 nam Newman modeltekenlessen met Harry Wickey en John Sloane.

Toen het steeds slechter ging met het bedrijf in 1931 werd Newman vervangend kunstdocent aan een middelbare school (hij zakte voor zijn leraren-examen), waarmee hij 7 dollar 50 per dag verdiende. In deze tijd leerde hij door Gottlieb Milton Avery kennen. Ook Mark Rothko, Clyfford Still en Jackson Pollock leerde hij in de dertiger jaren kennen. Gottlieb en Newman delen enkele jaren een studio.

In 1932 kreeg Newman een "vaste" baan als vervangend docent aan de Grover Cleveland High School in Ridgewood, Queens.

Newman stelde zichzelf, samen met zijn vriend Alexander Borodulin , op het laatse moment kandidaat voor burgemeester van New York City, met hun manifest "On the Need for Political Action by Men of Culture". Een manifest waarin het zwaartepunt ligt op meer uitgebreid onderwijs, een grotere nadruk op kunst en kunstnijverheid en het bevorderen van het culturele leven. In de 30er jaren zag Newman zichzelf als toegewijd anarchist.

In 1935 trad Newman op als manager voor de Theater Troupe, waarvoor Borodulin de tekstschrijver is. In 1936 publiceerde Newman The Answer - America's Civil Service Magazine, wat na de eerste uitgave stopte. Hij trouwde met Annalee Greenhouse, een steno lerares.

In 1937 kreeg zijn vader een hartaanval en het familiebedrijf werd opgeheven. Nadat hij in 1938 weer gezakt was voor het kunstdocent examen, organiseerde Newman Can We Draw? The Board of Examiners Says-No!, een expositie van zijn eigen werk en dat van anderen, afgewezen door het bestuur.


Death of Euclid, 1947

In 1940 gaf hij zijn vervangende docenten baan op voor een part-time baan als docent zijdedrukkunst en batik voor volwassenen. Hij bracht zijn vrije tijd door in de botanische tuinen van Brooklyn en in het American Museum of Natural History. In de zomer van 1941 volgde hij samen met zijn vrouw lessen ornithologie aan de Cornell universiteit.

In 1942 werd Newman afgekeurd voor de militaire dienst op lichamelijke gronden. Hij vroeg een aantal maanden later de classificatie gewetensbezwaarde aan.

In 1943 leerde Newman Betty Parsons kennen, die een kleine Galerie runt in de Wakefield Bookshop in New York. Ze gaan nauw samenwerken. Newman leidt het protest tegen de conservatieve jury voor een expositie in het Metropolitan Museum of Art. Met zijn vrienden Adolph Gottlieb, Mark Rothko en Milton Avery, zet hij een tegen-expositie op.

Tussen 1940 en 1944 vernietigde Newman al zijn oude werk.

Hij organiseerde in 1944 de expositie Pre-Columbian Stone Sculpture in de Wakefield Galerie. Ook voltooide hij een aantal schilderijen en aquarellen, zijn eerste werken die hij niet vernietigde. In 1945 schilderde Newman zijn eerste gekende werk op canvas. In de daaropvolgende jaren blijft hij schilderen en tekenen, maar schrijft ook kunstkritieken.

Na de oorlog schilderde hij abstracte, meestal grote doeken, waarbij hij zich bezighield met de vraag hoe kleuren en kleurstrepen zich tot elkaar verhouden.


Onement I, 1948

In 1946 opende Betty Parsons haar eigen galerie in New York en Newman organiseerde de eerste expositie, Northwest Coast Indian Painting. Barnett Newman en zijn vrienden Mark Rothko en Clyfford Still werden de kunstenaars van de galerie. Een jaar later kwam Jackson Pollock erbij.

In 1947 organiseerde Newman The Ideographic Picture in de Betty Parsons Gallery, waaronder werk van Rothko, Still en hemzelf. Hij stopt met doceren en de daaropvolgende 17 jaar ondersteunde Annalee haar man met haar docentensalaris. Het eerste Newman schilderij dat verkocht wordt is Euclidian Abyss (1946-47).

Samen met de kunstenaars William Baziotes, David Hare, Robert Motherwell en Mark Rothko richtte Newman in 1948 de kunstschool Subjects of the Artists op.

In 1948 schilderde hij Onement I, dat hij als een grote doorbraak beschouwde. In 1947/48 publiceerde hij artikelen in een tijdschrift, waaronder zijn essays The first man was an artist en The sublime is Now. In The Sublime is Now betoogde hij voor een nieuwe vorm van kunst, vrij van het gewicht van de Europese traditie.

In 1949 maakte Barnett Newman 17 schilderijen, meer dan hij ooit zou voltooien in één jaar. In 1950 heeft hij zijn eerste solo-expositie in de Betty Parsons Gallery, die een voornamelijk negatieve respons krijgt. Er wordt slechts een schilderij verkocht.


Vir Heroicus Sublimis

Zijn tweede expositie in de Betty Parsons Gallery in 1951 werd gearrangeerd door Lee Krasner, Jackson Pollock en Tony Smith. Onder de werken is Newman's eerste 18 foot lange schilderij, Vir Heroicus Sublimis. De expositie werd veroordeeld door de critici en er werden geen schilderijen verkocht. In zijn essay Feeling Is All, gepubliceerd in de Partisan Review, onderschrijft de criticus Clement Greenberg, een beetje laat, Newman's exposities van 1950 en 1951 en bekritiseerd Newman's critici, Greenberg stelt: "Newman is a very important and original artist." (Newman is een buitengewoon belangrijke en originele kunstenaar).
In april 1952 werd Newman uitgesloten van de expositie Fifteen Americans, in het Museum of Modern Art, waaraan onder andere Pollock, Rothko, en Still meedoen. Newman is hierdoor enorm gekwetst. In een catalogus van de expositie schrijft Still aan Newman: "To my friend Barnett Newman who, also, should have been represented in this exhibition". (Aan mijn vriend Barnett Newman, die ook getoond had moeten worden op deze expositie).

In 1955, op zijn vijftigste jaar, heeft Newman nog maar enkele schilderijen verkocht, waarvan slechts één niet aan een persoonlijke vriend. Hoewel zijn vrouw Annalee twee docentenbanen heeft is hun financiële situatie precair. Ze sluiten leningen af en verpanden waardevolle spullen. Newman maakt een zeer groot schilderij, Uriel en stopt dan twee jaar met schilderen. In zijn essay American-Type Painting, prees Clement Greenberg Newman's kunst als "diep" en "eerlijk", maar hij portretteerde Newman ook als volger van Still en nauw verbonden met Rothko.
In december werd Horizon Light geëxposeerd tijdens de expositie voor de tiende verjaardag van de Betty Parsons Gallery’s. Het was de eerste keer sinds 1951, dat Newman's werk getoond werd.

In 1956-57 maakte Newman geen schilderijen. Hij verkocht in het volgende jaar twee schilderijen aan de verzamelaar Ben Heller, die op Jackson Pollock's advies, een jaar eerder, het atelier van Newman had bezocht. Terwijl Lee Krasner in Europa is, sterft Jackson Pollock in een auto-ongeluk op Long Island. Newman en zijn vrouw Annalee reizen naar Springs, Long Island om er voor Lee Krasner te zijn wanneer zij terugkeert uit Europa.

In 1957 krijgt Newman een hartaanval en ligt zes weken in het ziekenhuis. In 1958 terwijl hij langzaam herstelde voltooide Newman drie schilderijen.

Ben Heller nodigde Alfred Barr en Dorothy Miller van het Museum of Modern Art (MoMA) uit om Newman's studio te bezoeken, wat resulteerde in de expositie van vier van zijn schilderijen Abraham, Concord, Horizon Light en Adam, op de reizende tentoonstelling The New American Painting van het MoMa. De expositie debuteerde in de Kunsthalle Basel en reisde naar Milaan, Madrid, Berlijn, Amsterdam, Brussel, Parijs en Londen, voor de opening in New York het jaar daarop. In 1958 had Barnett Newman ook zijn eerste retrospectieve tentoonstelling in Bennington College in Vermont, met een catalogus essay door Clement Greenberg.


The Station of the Cross, Third Station, 1960

Barnett Newman nam deel aan documenta 1 en 4 in Kassel in 1959 en 1968.

In 1959 kochten verscheidenen musea zijn schilderijen. De tentoonstelling 'Barnett Newman: A Selection 1946-1952', kreeg voornamelijk negatieve kritieken, maar trok de belangstelling van de jongere generatie kunstenaars van New York.

Newman kreeg in 1959 een leerstoel aan de University of Saskatchewan, Saskatoon in Canada.

In 1960 voltooide Newman zijn derde en vierde schilderij, waarbij hij gebruik maakte van zwarte verf op ongeprepareerd canvas. Hij begon aan de serie te denken als de Stations of the Cross. Hij blijft af en aan, in de komende zes jaar, aan de Stations werken.

Op 23 oktober 1962 vond de expositie Newman-De Kooning, een tentoonstelling van "Two Founding Fathers", plaats in de Allan Stone Gallery. De schilderijen van De Kooning en Newman werden naast elkaar gehangen in galeries ontworpen door Tony Smith. De kritieken over Newman slaan om in gunstige zin. Thomas Hess, die Newman in 1951 afdeed als briljant theoreticus, noemde hem nu een van de meest opmerkelijke levende kunstenaar van vandaag.


Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III, 1966/67

In 1962-1964 heeft Barnett Newman een leerstoel aan de University of Pennsylvania, Philadelphia.

In 1963 droeg hij bij aan de expositie Recent American Synagogue Architecture in het Jewish Museum in New York en in 1964 reisden de Newmans voor het eerst naar Europa, waarbij ze Engeland, Zwitserland, Duitsland en Franrijk. Annalee stopte met lesgeven.

In 1965 representeerde Barnett Newman, samen met zes jongere kunstenaars, waaronder Donald Judd en Frank Stella, de Verenigde Staten op Biennale van São Paulo. Na de opening verbleven de Newmans een maand in Brazilië.

In 1966 opende The Stations of the Cross in het Guggenheim Museum in New York. Het is Newman's eerste solo-expositie in een museum, en ondanks dat de ontvangst gemengd is, krijgt hij wijde erkenning. In dit jaar maakte Newman ook zijn eerste schilderij in de primaire kleuren rood, geel en blauw.

In 1967 ging hij door met zijn Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue schilderijen, waarbij hij een in acryl voltooide. Hij maakte verscheidene hoge verticale schilderijen, waarvan de grootste Voice of Fire was, die werd tentoongesteld in het paviljoen van de V.S. op de Montreal expo in '67.


Broken Obelisk, 1963-69

Ook in deze tijd maakte hij zijn versies van zijn monumentale stalen beeldhouwwerk Broken Obelisk, die geïnstalleerd werden voor het Seagram Building in New York en in Washington, D.C. In december bezochten de Newmans Dublin, waar zijn recent voltooide schilderijen Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue II; Queen of the Night II; en Now II, tentoongesteld werden. Ze reisden voor de tweede keer naar Europa en bezochten Amsterdam en Eindhoven in Nederland en nogmaals, Londen Basel en Parijs.

In 1968 voltooide Newman zijn grootste schilderij, Anna's Light, zo genoemd ter ere van zijn moeder, die in 1965 stierf. Ook maakte het beeldhouwwerk Lace Curtain voor burgemeester Daley uit protest tegen politiegeweld tegen anti-Vietnam oorlog demonstranten.

In 1969 opende zijn eerste solo-tentoonstelling sinds tien jaar in een galerie in New York. Er werd veel over de expositie geschreven en over het algemeen geprezen.

In 1970 stierf Barnett Newman aan een hartaanval in New York, op 4 juli, op vijenzestigjarige leeftijd.

Adam, 1951-52, olieverf op doek, 243x203, Londen, Tate Gallery
Adam werd voor het eerst in 1951 met slechts twee strepen in het Betty Parsons Museum in New York tentoongesteld. De brede middenstreep werd er pas het volgende jaar aan toegevoegd. Tegelijkertijd stelde Newman ook Eve tentoon, een erbij horend schilderij dat zich nu in een particuliere verzameling in Londen bevindt. Zowel de expositie van 1951, Newmans tweede “one man show”, als zijn eerste in 1950 lokten kritiek uit, zelfs bij zijn vrienden. Zij hadden Newman jarenlang als hun zegsman en voorvechter aanvaard, maar zijn schilderijen uit het begin van de jaren vijftig, met hun effen heldere kleurvelden en minimale inhoud, waren in felle tegenstelling tot de energieke ‘gestural’abstracten van zijn vrienden. Toch was ook Newman een action painter in die zin dat hij zijn verf direct aanbracht, zonder aanpassingen en vaak op een heel groot doek. Twee schilderijen uit 1951 Cathedra en Vir Heroicus Sublimus zijn bijna zes meter breed. Hoewel Newman bijna tien jaar alleen stond, was zijn invloed uiteindelijk toch vérstrekkend. De schilders van “kleurvelden” (Colourfield painting) en “minimalisten” uit de jaren zestig baseerden zich meer op hem dan op Pollock en de gebaarabstracten. (Measham 7)

Canto VI from 18 cantos (Zang VI uit 18 Zangen), 1963-64, lithografie, 37x32, Londen, Tate Gallery (schenking Mrs. Annalee Newman)
“Er is een herwaardering gaande van het natuurlijke verlangen van de mens naar het verhevene, van onze zorg omtrent onze verhouding tot de absolute emoties. We hebben de versleten steunpilaren van een ouderwetse en lang vervlogen legende niet nodig. We scheppen beelden waarvan de werkelijkheid duidelijk is en die vrij van steunpilaren en dergelijke zijn en zaken die een associatie oproepen met ouderwetse beelden, en die zowel subliem als prachtig zijn. We zijn bezig ons te bevrijden van de belemmeringen van het geheugen, associatie, heimwee, legende, mythe en al dat soort dingen die het motto van de West-Europese schilderkunst vormden. In plaats van kathedralen uit Jezus Christus te maken, de mens of het leven, maken wij die uit onszelf, uit onze eigen gevoelens. Het beeld dat wij vervaardigen is duidelijk onthullend, werkelijk en concreet; het kan door iedereen die er zonder de nostalgische bril van de historie naar wil kijken, begrepen worden.” (Barnett newman). (Measham, 6)

Gebroken Obelisk, 1963-67, staal, 775x306x306, Houston, Institute of Religion and Human Development
Weinige eigentijdse monumenten slagen erin om onze diepste gevoelens te raken, ook al zijn ze meestal total van deze wereld en ontegensprekelijk met het hier en nu verbonden. Newmans Gebroken obelisk slaagt daar wél in. Newman voelde zich nauw betrokken bij de vraagstukken van religie en filosofie en hij worstelde zijn hele leven om daar visuele vorm aan te geven. Het ontwerp van deze obelisk werd pas vier jaar later uitgevoerd. Zolang had hij gezocht naar de perfecte staalfabrikant. Het werk bestaat uit een vierkante grondplaat met daarop een vierzijdige piramide. Op de punt daarvan staat de punt van een rechtop staande afgeknapte obelisk. De twee puntige uiteinden staan in precies dezelfde hoek (53°, ontleend aan de hoek van de Egyptische piramiden die Newman bovenmatig fascineerden), zodat ze op hun punt van samenkomst een perfecte X vormen.

Waarom dit werk de kracht heeft om ons zo sterk te treffen is moeilijk uit te leggen. Is het de gewaagde opstelling van twee oeroude vormen die een tegenstrijdige betekenis hebben omdat de ene een symbool van tijdloze stabiliteit is, terwijl de andere zich als een vinger naar de hemel opheft? Ongetwijfeld. Maar als de obelisk nu eens niet gebroken was? Zou dit het geheel niet terugbrengen tot een ongelooflijk staaltje van evenwichtskunst? Het feit dat de obelisk geknakt is, vormt dus een essentieel deel bij de pathos van het monument. Het spreekt ons over onze onvolmaakte geestelijke verlangens, van een zoeken naar het eeuwige en universele dat vandaag nog even sterk is als duizenden jaren geleden. (Janson 699)

Met briljante eenvoud omschrijft Newman een monumentale traditie, maar doorbreekt die meteen. Op- en neergaande bewegingen botsten bij de punten van de obelisk op elkaar; de energie blijft in een perfect evenwicht gevangen. (20ste 496-497)

Who’s afraid of red, yellow and blue I, 1966, olieverf op doek, 190x122, New York, Privé-verzameling
Who’s afraid of red, yellow and blue II, 1967, acryl op doek, Stuttgart, Staatsgalerie

Who’s afraid of red, yellow and blue III, 1967-68, olieverf op doek, 245x543, Amsterdam, Stedelijk Museum
Hij slaagde erin om tot een synthese te komen van al de pogingen tot verzelfstandiging van de kleur binnen de ruimte van het schilderij. Bij de indeling van zijn reusachtige doeken liet hij zich overigens niet door de logica, maar door zijn intuïtie leiden. De in coloristisch opzicht zorgvuldig afgewogen kleurvelden worden schijnbaar zonder enige hartstocht glad op het doek aangebracht, waarbij symmetrie en diagonalen worden vermeden. Dit gigantische werk (Who’s afraid...), het slotstuk van een serie, is één van zijn belangrijkste. Het bestaat uit een ‘eindeloos’ middenstuk in cadmiumrood, dat links door een baan ultramarijnrood en rechts door een dunne streep cadmiumgeel wordt geflankeerd. Het extreem uitgedijde rode vlak moet volgens Newman niet van veraf, maar juist van dichtbij bekeken worden, wil men de afmetingen en de intensiteit van de kleur als een schok aan den lijve ondervinden. Het vlak zelf biedt geen enkel houvast of oriëntatiepunt, omdat de smalle zijvleugels vanuit het midden van het beeld niet zichtbaar zijn (want de afmetingen zijn gigantisch: 5,43 meter!). De toeschouwer voelt zich aan het schilderij overgeleverd, verpletterd door de ‘wijdende’ abstractie. Dit schilderij is geen afleiding van wat dan ook, geen deel meer van de natuur; het wil niets concreets voorstellen, behalve zichzelf. Het is de plek van de confrontatie, de wisselwerking tussen het ontzagwekkende beeld en de reactie daarop van de overweldigde toeschouwer. De kunst is hier, in Newmans eigen woorden, "geen esthetiek, maar ethiek", zoals ook opgaat voor Friedrichs Monnik aan de zee uit 1808/09. Zoals de monnik tegenover de almacht en de grenzenloosheid van de zee staat, zo staat de kijker van Newmans schilderij voor een ‘zee van rood’. Deze "zee van rood" heeft inderdaad al talrijke mensen gechoqueerd en is al verschillende malen het slachtoffer van vandalisme geweest. (Leinz 138-139)

Chartres, 1969, olieverf op doek, 305x290, New York, privé-verzameling


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 43.