kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 07 02 2017 10:01 voor het laatst bewerkt.

barok

Barok in de kunst

Stroming van ca 1600 tot ca 1750.

De oorsprong van het begrip is waarschijnlijk afkomstig van het Portugese woord 'barocco' == onregelmatig gevormde parel == barokparel.

Barokparel
De barokparel is een onregelmatig vaak peervormige grote parel die in de 16de eeuw veel in sieraden werd verwerkt; De specifieke vorm van de parel werd gebruikt om bijv.
de romp van een mens, een dier of een fabeldier uit te beelden.

Tot in de 19e eeuw gold barok als een afwijzende benaming voor het vreemde en bombastische. Pas later werd barok een kunsthistorisch begrip.

De barok sluit op de late renaissance ofwel het maniërisme aan en gaat over in het rococo (vaak de benaming voor de laatste stijlfase van de barok 1720-1770) en het classicisme. De barok was de karakteristieke kunst van de contrareformatie met haar specifieke representatiebehoeften die vooral in architectuur tot uitdrukking kwamen. Zo kwam de barok vooral in katholieke landen tot volle ontplooiing.

De barok verspreidde zich over heel Europa en de Europese koloniën in de Nieuwe Wereld en heeft tot aan het einde van de 18e eeuw geheerst.

In de 18e eeuw werd in Frankrijk iedere kunstvorm 'baroque' genoemd, die niet aan de classicistische smaak van die tijd beantwoordde, zodat de betekenis toen luidde: 'in strijd met de regels' of 'gezwollen'. Deze negatieve aanduiding veranderde toen omstreeks het midden van de 19e eeuw dit begrip als aanduiding van een aparte stijl in zwang raakte, aanvankelijk nog in de zin van een verval van de renaissance, maar weldra als de produktieve voortzetting daarvan. Met de term rococo wordt dan de laatste fase van dit stijltijdperk in de 18e eeuw aangeduid.

Contra-reformatie, aanlokken en overweldigen
In historisch-politiek opzicht is de barok de tijd geweest van het absolutisme, en religieus en intellectueel gezien werd dit tijdperk bepaald door de Contrareformatie en door de aanzetten tot de Verlichting in de 18e eeuw. Het tijdperk van de barok wordt in grote mate bepaald door dualistische principes, door de spanningen tussen geloof en wetenschap.

Barok wil een beroep doen op de emoties van de toeschouwer en indruk maken door de illusie van beweging en onrust. Door de Reformatie van Luther en Calvijn, werd de macht van de kerk van Rome in twijfel getrokken. Om dit verlies aan macht en invloed tegen te gaan, begon de kerk van Rome met een aanval op de Reformatie. Dat was de Contra-reformatie (dus de actie tegen de hervorming). Door een overvloed aan beelden, pracht en praal in de kerken aan te brengen, door nieuwe kerken te bouwen die wervelden van goud en beelden, probeerde de kerk nieuw aanzien te krijgen bij de gelovigen. Wanneer je een kerk binnenstapte zou je helemaal overdonderd moeten worden: door de emotie en expressie op de gelaten van de beelden, door de meeslepende dramatiek en dynamiek, door de overtuigingskracht die er in de plafondschilderingen tentoongesteld werd, hierdoor zou je als gelovige helemaal weer moeten geloven in de kerk van Rome.

Zoals vaker blijkt een nieuwe stroming een reactie op een voorgaande periode, een zich afzetten tegen 'ouderwetse' opvattingen. In wezen is de Barok een stijlperiode die zich afzet tegen het voorafgaand maniërisme. Het gekunstelde en het versierde was kenmerkend voor de barok, het was een protest op het harmonieuze van de renaissance. De barok is kunst van het gevoel, het is groots en overweldigend. De barok was weer godgericht.

In de Renaissance was er sprake van een internationale, culturele eenheid; in de Barok wordt deze eenheid opgesplitst: enerzijds zie je dat de Barok in West-Europa sterk ingetogen is, dit door de invloed van Luther en Calvijn, anderzijds zie je dat in Midden- en Zuid-Europa als gevolg van de contra-reformatie een luxe en flamboyante pracht nagestreefd wordt.

De kerk en het hof zijn, als voornaamste opdrachtgevers, de wezenlijke dragers geweest van de barokkunst. Daar kwam echter ook de stedelijke bourgeoisie bij (vooral in de Noordelijke Nederlanden).

Herkomst
Het land van herkomst is Italië (voornamelijk Rome). Van daaruit verspreidde zich de barok in talrijke nationale variëteiten over heel Europa waarbij voor de vroege barok meestal Italiaanse bouwmeesters ook buiten Italië bepalend waren. Typische kenmerken van de barok kondigen zich reeds aan in de St. Pieterskerk (ontworpen door Michelangelo en in 1590 door Giacomo della Porta voltooid) met haar centrale en in de hoogte gebouwde koepel.

In het begin was de barok nog vrij strak, maar gaandeweg werd ze steeds uitbundiger. Typerend is de hang naar het theatrale, het gebruik van weelderige plooivallen en dynamiek die is bewerkstelligd door beeldende middelen. Er werd gestreefd naar het totale kunstwerk. Dit hield in dat beeldende kunst en architectuur met elkaar versmolten tot een geheel. Er was daarbij veel aandacht voor decoraties die vaak overbodig waren en in elkaar overgingen.

De barokke kunst moest pracht en praal tonen om op die manier de gelovigen te overtuigen van het gelijk van de kerk van Rome en het rooms-katholieke geloof. Deze pracht en praal ontstond met name door de volgende middelen te gebruiken:
. Een religieus onderwerp te nemen, liefst met een dramatisch karakter
. Werken met sterke licht donker effecten
. Veel beweging / dynamiek in de figuren/kleding/ enscenering toe te passen
. Veel gebruik te maken van ornamenten (bij voorkeur met goud: als verwijzing naar het hemelse licht en de eeuwigheid)
. Veel diagonale lijnen in de composities te gebruiken
. Veel gebogen vormen te gebruiken (concaaf & convex)
. Als onderliggende structuur een juist sterke symmetrie te kiezen, waarmee de ornamenten een contrast vormen door hun a-symmetrische en dynamische werking ( = dynamiek en systematiek)

Nederland
Terwijl het buitenland in deze stijlperiode barok kende, domineerde in Nederland het classicisme, dat - de naam zegt het - teruggreep op principes uit de klassieke oudheid, waarvoor men vooral Italiaanse standaardwerken volgde. De Classicistische Barok in de 17de eeuw kan in sommige opzichten als anti-Barok worden opgevat; pas in de 18de eeuw komt een meer 'echte' Barok, in Franse stijl, tot ontwikkeling.

ARCHITECTUUR
De belangrijkste kenmerken van de architectuur in de barok zijn de accentuering van dynamische structuren, bewogen en krachtige plastische vormen en een voorliefde voor bombastische contouren die zelfs in de plattegrond van vele gebouwen tot uitdrukking komen. Zoeken naar een soort horizontaal - vertikaal eenheid. Nadruk op ingang (Middenpartij). Verschillende verdiepingen d.m.v. pilasters. Golvende rondingen in gevel en plattegrond. Ovalen en asymmetrie in plattegrond. Guirlandes, frontonvariaties, gedraaide zuilen. Gebouw en omgeving is eenheid. Uit het streven naar een indruk van imponerende beweging en onrust komt het benadrukken van verticale richtingen voort. Koepels rusten op hoge, vaak dubbele trommels, torens keren terug, de in gevels toegepaste pilasters en schijnzuilen worden verdubbeld. De aan de klassieken ontleende elementen van de renaissance worden op meer spectaculaire wijze toegepast: frontons worden doorbroken, lijstwerk wordt overdadig zwaar en versierend beeldhouwwerk in grote hoeveelheid toegepast. Gevels vertonen veel in en uitspringende delen of zijn zelfs langs golvende lijnen opgebouwd. Gebouw en omgeving worden meer als eenheid gezien: geweldige trappartijen en galerijen vormen de verbinding tussen gebouw en omgeving; het ontwerp van paleistuinen wordt aan de architectuur aangepast.

In kerkgebouwen wordt het altaar een theaterpodium met bijzondere lichteffecten; gewelfschilderingen suggereren dat de kerkganger rechtstreeks in de hemel kijkt (trompe l'oeil). De koepel behoort vooral in het gebied van de sacrale architectuur tot de meest centrale bouwelementen van de barok.

Voor de profane architectuur zijn in het bijzonder de complexe ruimtestructuur kenmerkend, net zoals de accentuering van illusionistische effecten vooral door licht- en spiegelconstellaties en een overweldigende pracht door het gebruik van waardevolle materialen.

Voor de sacrale en profane architectuur werd de voorstelling van het gehele kunstwerk uiterst belangrijk, de versmelting van bouw-, beeldhouw-, schilder- en ook tuinkunst tot een enkel kunstwerk met theatraal toegenomen uitdrukkingskracht.

De kunst van de renaissance streefde naar evenwicht tussen de onderdelen, naar symmetrie in de opbouw (driehoekscompositie). De barok zoekt beweging, asymmetriese opbouw en onrust door wapperende kleding en drukke gebaren te benadrukken.

In tegenstelling tot de renaissance is de kompositie van afbeeldingen op het schema van een spiraal gebaseerd. Situaties worden niet geposeerd, maar zoveel mogelijk op het moment van activiteit weergegeven. Hierop sluit de techniek van clair-obscur (chiaroscuro) aan: het toepassen van een zodanig bijzondere manier van belichten, dat vooral de delen die het meest tot de verbeelding spreken en het meest op het gevoel werken, binnen de totale afbeelding worden benadrukt.

De fraaie kastelen met gescheiden hoofd- en bijvleugels, ruime trappen en grote, geometrisch aangelegde tuinen behoren tot de meest indrukwekkende voorbeelden van barokkunst en absolute heerschappij.

Met name de Franse architectuur onderscheidt zich van de kenmerken die voor het overige barokgebouw typerend zijn. De waardige/arrogante (hofhouding van) Lodewijk XIV kan zich niet terug vinden in de bombastische/luidruchtige elementen die doorgaans de barokarchitectuur kenmerken. Niet vreemd hieraan is de invloed van zijn belangrijkste adviseur Richelieu die een koel verstandelijke benadering voorstaat in plaats van een beïnvloedbaar gevoelswerk.

Waar de barok doorgaans klassieke elementen vrij gebruikt, past de franse (classicistische) barok deze zo zuiver mogelijk toe; rechte lijnen en klassieke elementen in hun oorspronkelijke vorm overheersen en moeten op waardige wijze uitdrukking geven aan Lodewijk's ongenaakbaarheid.

Tot de bekendste architecten van de vroege barok behoorde naast Giacomo della Porta ook Carlo Maderno. Voor de latere ontwikkeling van de barok in Italië waren vooral Gian Lorenzo Bernini en de bouwwerken van Francesco Borromini kenmerkend. In Frankrijk behoorden. Louis Le Vau, François Mansart en ook de tuinarchitect André Le Nôtre tot de invloedrijkste bouwmeesters van de barok. In Oostenrijk en Duitsland, hier vooral door de zware eisen tijdens en na de Dertigjarige Oorlog, werd de vertraagde ontwikkeling van de barok tegelijkertijd de representatieve vorm van de late barok

Kenmerken Parkarchitectuur in de Barok:
- een duidelijk verbrede hoofdas, centraal op het gebouw uitkomend
- perken rechthoekig in een verhouding van 3 : 5
- tweezijdige symmetrie
- verband met het gebouw, een eenheid vormend
- beelden op kruisingen van de paden
- strak geschoren werk, laag, om gebouw beter te laten uitkomen
- gebruik van fijn grind

BEELDHOUWKUNST
De beeldhouwkunst van de barok, vaak in architectonische concepten gegoten, wordt gekenmerkt door rijke, dramatische gebaren, door het uitwerken van sterke lichteffecten en de accentuering van dynamische structuren. Opvallend is de vormgeving van de muren, de draperie van intensieve beweeglijkheid en de tot extase reikende uitdrukkingskracht van de mimische modellering. Voorbeelden van beeldhouwkunst zijn de sculpturen van Gian Lorenzo Bernini, vooral die voor de kapel van S. Maria della Vittoria in Rome gemaakte 'Verzoeking van de Heilige Teresa' (1646-52).

SCHILDERKUNST
Naast religieuze thema's zijn in het bijzonder landschaps-genrestukjes en voorname portretten de typische onderwerpen van de schilderkunst in de barok. Opvallend ook in de schilderkunst is de dramatische vormgeving van voorstellingen, de voorliefde voor sterke lichtcontrasten, de kleurenrijkdom en de vaak grote schilderijen.

Aan de basis van de schilderkunst in de barok staat Carravaggio die met zijn extreem helder-donker schilderijen veel invloed had in Europa. Een groep schilders die zijn principes volgden, heten de caravaggisten. Naast hem zijn ook nog de Italiaanse barokschilders Annibale Carracci en Guido Reni het vermelden waard.

In het centrum van de Vlaamse schilderkunst stond peter paul rubens die met zijn stevige naaktfiguren de voorstelling van de barok tevens kenmerkte. Anthonie van Dyck was een andere Vlaamse meester met veel invloed.
In Holland zijn vooral rembrandt, Frans Hals en Johannes Jan Vermeer van groot belang, in Spanje Velásquez en Francesco de Zurbarán.
In Frankrijk Nicolas Poussin en Claude Lorrain met zijn typisch idyllische landschapsschilderijen.
In Duitsland oefenden de barokschilders A Elsheimer en voor de latere fasen de gebroeders Asam veel invloed uit.

Van de tijdens de renaissance ontstane genres bleven in de schilderkunst de historie, het portret en het landschap bestaan, en ontwikkelde het stilleven zich tot een veeleisende opgave. Vooral nieuwe kerken, kloosters en paleizen boden de gelegenheid tot ontplooiing van de schilderkunst, waarbij vooral de picturale vormgeving van de zoldering van groot belang was en tot grandioze illusionistische oplossingen heeft geleid. Juist hier vindt men de uitmuntende stijl kenmerken bijeen. De nieuwe dynamiek van de architectuur gaat een volmaakte synthese aan met de schilderkunst en opent de ruimte naar aangrenzende schijnruimten door middel van een tot virtuositeit ontwikkelde perspectiefschilderkunst (A. Pozzo). De interieurkunst, de profane en sacrale historieschilderingen en de voor de barok zo typische, aan de toegenomen behoefte aan representatie beantwoordende apotheoses zijn vervuld van affecten. De enorme weelde aan picturale middelen en het overheersende pathos willen de toeschouwer ontroeren, overreden en meeslepen. Een essentieel element van het denken vormt de symboliek, die haar kunstzinnige uitdrukkingsvorm vindt in de allegorie.

Het pathos en het grootse gebaar, waarmee een Rubens of een Cortona zich primair uitdrukken, zijn echter niet de enige karakteristieken van de barokschilderkunst. Juist een kunstmatig landschap als het Hollandse, of genres als het portret of het stilleven vertonen die simpele, schijnbaar nietpretentieuze vorm die uit een bourgeois-ethiek kunnen zijn voortgesproten, of die met een spaarzame keuze van middelen streeft naar verdieping en inhoudelijke concentratie.

Van het begin af zijn er ook classicistische tendensen geweest, die bij Poussin sterk naar voren komen en juist voor de Franse barokschilderkunst zo karakteristiek zijn geworden. De ontwikkeling in Duitsland is pas laat op gang gekomen en vindt haar hoogtepunt in de 18e eeuw.

LITERATUUR
Stijlperiode binnen de Europese literatuur in de tijd vanaf ca 1600 tot 1720. De barok is in sterke mate een spiegel van het historisch tijdsverloop, en in het bijzonder van de geestelijke veranderingsprocessen op de drempel van de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het oude centrale systeem van waarden van de middeleeuwen met de metafysische verbondenheid met God als de ultieme rede van het bestaan was aan de ene kant door de neergang van de geestelijkheid, aan de andere kant door de opkomst van de rationalistische subject-filosofie van René Descartes en van francis bacon geschokt. Dit had een belangrijke uitwerking op het geloof aan het hiernamaals, op de eenvormige voorstellingen van het leven in de standenmaatschappij en eveneens op sociale codes.

Deze uitwerkingen werden in de barok door een veelvoud aan polariteiten en spanningen duidelijk: burgerlijke emancipatie staat tegenover de oude vanuit de paleizen gedirigeerde hiërarchie, ongeregelde beweeglijkheid staat tegenover vaste regeldwang, levenshonger botst op de angst voor de dood, en plezier aan het wereldse bestaan wordt met een overspannen hunkering naar het hiernamaals geconfronteerd. Dit antithetische geharrewar vind zijn stilistische neerslag in een tot dan toe ongekende variëteit van vormen. De meest verschillende genres zoals het sonnet, de alexandrijn, het epigram en de roman botsen op elkaar, zodat er contrasten ontstaan, die tegengesteld zijn aan de geordende vorm van de voordien wijd verspreide hoofse dichtkunst.

De opperste rijpheid bereikte de barokliteratuur in Spanje, waar het geestelijke tijdsgewricht de meest directe uitwerkingen had. Het voormalige katholieke wereldrijk, dat niet alleen over heel Europa heerste, maar ook over zee door de kolonisatie van Amerika over machtige dependances beschikte, stond ten gevolge van het geloofsverlies tijdens de 17e eeuw voor zijn ondergang. Schrijvers als Pedro Calderón de la Barca, Lope de Vega, Mateo Alemán, F. de Quevedo y Villegas en Miguel Cervantes Saavedra, allen zelf overtuigde katholieken, dachten over deze situatie na en gaven hieraan in een door de bovengenoemde antithesen gekenmerkte stijl uiting.

In de andere Europese landen werd deze literaire vorm het voorbeeld om de eigen onzekerheden te beschrijven. Zo zijn barokke invloeden in het werk van Molière, Pierre corneille en Jean Racine, in Engeland bij John Donne en John Milton alsmede in Italië bij Torquato Tasso en Guarini terug te vinden.

In Duitsland vond de van Spanje uitgaande invloed zijn sterkste neerslag. Johann Michael Moscherosch en Christian Reuter namen de satirische stijl van Quevedo over, Hans Jakob Grimmelshausen greep in zijn 'Simplicissimus Teutsch' op de schelmenroman van Mateo Alemán 'Guzmán de Alfarache' terug (Teutsch is de letterlijke vertaling van het spaanse woord alemán), en Andreas Gryphius en ook Christian hofmann von Hoffmannswaldau oriënteerden zich in hun lyriek en in hun drama's op de allegorische stijl van Calderón.

De Duitse barokschrijvers putten zich echter niet alleen in louter epigonendom uit. Veeleer werkte men een eigen poëtisch stelsel uit, zoals bijvoorbeeld Martin Opitz met zijn invloedrijke werk 'Buch von der deutschen Poeterey' (Boek van de Duitse poëzie, 1624), waarin een precieze definitie van de aparte genres gegeven werd. Aan deze onafhankelijkheid lag niet in het laatst ook de bijzondere politiek-maatschappelijke situatie in Duitsland ten grondslag, een Duitsland dat anders dan het centralistische Spanje in tal van soevereine kleine staten opgedeeld was.

Met de opkomst van de verlichting in de 18e eeuw en de daarmee gepaard gaande zegetocht van de subject-filosofie verloor de barokke literatuur stapsgewijs aan betekenis. De antithesen golden als achterhaald en werden door het synthetische systeem van de filosofie van de rede afgelost. pas de romantici met hun herwaardering van de middeleeuwen en het Spaanse siglo d'oro herontdekten in het begin van de 19e eeuw de barokliteratuur en schatten deze naar haar waarde in.

De invloeden van de barok zijn inmiddels tot op heden te traceren, bijvoorbeeld in Duitsland bij Günter grass en Gerhard Köpf, in Spanje bij Camillo José cela, in Engeland bij Salman rushdie, in Frankrijk bij Michel Tournier, in de VS bij John Irving en in Latijns-Amerika bij Carlos Fuentes.

Zie http://www.kunstbus.nl/muziek/barok.html op muziekbus: Barok in de muziek (1600 - 1750)



Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1321.