kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02-01-2016 voor het laatst bewerkt.

beeldhouwkunst

Beeldhouwkunst

Beeldhouwkunst: een vorm van beeldende kunst: vervaardigen van vrijstaande beelden, bouwplastiek en reliëfs. In ruimere zin ook beeldsnijkunst (ivoor, hout), gieten van beelden in brons en bakken van in klei geboetseerde beelden.

Beeldhouwkunst komt voor in alle culturen; de oudst bekende beelden stammen uit het Aurignacien. Oudste en meest creatieve vorm is het beeldhouwen in steen in taille directe. Naast traditionele materialen (hout, steen, brons) worden tegenwoordig ook ijzer, staal, kunststoffen en zelfs schroot gebruikt.

Kleine geschiedenis van de Beeldhouwkunst
Vanaf het moment dat de mens zijn nomadenbestaan opgaf, zie je een ontwikkeling op het gebied van grote vrijstaande beelden en monumenten. In de prehistorie bouwde men in Frankrijk, Engeland en Ierland grote steencirkels en plaatste men menhirs.

Egyptische kunst 3000 j.v.Chr. Kunst in dienst van goden en doden. Tempelbeelden (koningsbeelden, sfinxen in natuursteen) en grafsculpturen, de sfinx.
Minoïsche beschaving: figuurtjes in faïence, brons en ivoor (slangengodinnen, stier, dubbele offerbijl).
Myceense beschaving: ivoor en gebakken aarde.

Griekse kunst 660 j.v.Chr. – De geïdealiseerde mens.
660-480 archaïsch, starre opbouw van het menselijk lichaam met weinig oog voor de anatomie
480-323 klassiek, grote vaardigheid om diepte en beweging te suggereren (dynamiek)
323-100 hellenistisch, idealisme evolueert naar realisme (portretten) en pathos

Beelden en monumenten hebben in de geschiedenis en de kunstgeschiedenis een belangrijke plaats ingenomen. Koningen, goden, en helden werden afgebeeld zodat mensen hen konden eren, gedenken en zich met hen konden identificeren. De Grieken gaven een geïdealiseerd beeld van hun goden. Maar ze vertelden net als ook de Romeinen dat deden, over hun mythologische verhalen en hun heldendaden. De Romeinen vereerden met standbeelden hun hoogwaardigheidbekleders. Maar ze maakten ook realistische portretten van hun voorouders, om hen ook na de dood dicht bij zich te hebben.

Romeinse kunst 40 j.v.Chr. – 400 nC Het realistische portret en het historisch reliëf.
Portretbeeld in functie tot de gemeenschap, d.w.z. met machtssymbolen, uniform,toga. Vaak in een nis geaccentueerd Historisch reliëf op triomfbogen, gedenkzuilen, monumenten of sarcofagen: historische en/of politieke werkelijkheid.

Byzantijnse kunst 600 - 800 Aansluiting op het laat-hellenisme. De mozaïeken vervangen de tweedimensionale beeldhouwkunst.

Karolingisch 750 – 960 Romeinse en Byzantijnse voorbeelden worden aan de Germaanse ambachtelijkheid verbonden, waarbij men aldus de Karolingische Renaissance beleeft: religieuze voorstellingen in edelsmeedwerk, ivoorsnijwerk en bronsgietwerk.
Ottoons 700 – 1000 Bij de Ottoonse Renaissance, onder Otto de Grote, worden aan de Karolingische bouwwijze Byzantijnse arcaden en kapitelen toegevoegd.

romaanse kunst
De opkomst van de Romaanse kunst betekende een herleving van de monumentale beeldhouwkunst, die na de 5e eeuw vrijwel geheel uit West-Europa verdwenen was. Noch de Karolingische, noch de Ottoonse kunst heeft grote beeldhouwwerken in steen voortgebracht; zij beperkten zich tot vlakke reliëfs in brons en steen, en ivoorsnijkunst. Als er in groot formaat werd gewerkt - en dat kwam zelden voor - dan was het materiaal hout (bijv. het beroemde Gero-crucifix). De nauw met de bouwkunst verbonden Romaanse beeldhouwkunst was er in de eerste plaats op gericht het christelijk geloof te verkondigen; in deze periode konden slechts weinigen lezen en schrijven, en de sterk vertellende (en vermanende!) beeldhouwkunst nam voor een groot deel de functie van het geschreven woord over.

gotiek
Kenmerkend voor de beeldhouwkunst van de gotiek is dat de beelden natuurgetrouwer zijn dan in de Romaanse tijd. Mensen en dieren werden minder gedrongen of langgerekt afgebeeld; zij kregen natuurlijker proporties, en onder de kleding werden voor het eerst de lichaamsvormen weergegeven. Ook menselijke gevoelens als tederheid, genegenheid of angst kwamen weer tot uitdrukking. De monumentaliteit en statigheid die de Romaanse kunst kenmerkte, maakte geleidelijk plaats voor sierlijkheid en intimiteit. Evenals in de Romaanse periode was vrijwel alle sculptuur religieus van aard. Aan de buitenkant van kerkgebouwen werden beelden en reliëfs aangebracht; in het interieur bevond zich eveneens op veel plaatsen sculptuur. Vooral grafmonumenten bleven in groten getale bewaard.

Renaissance
Ook de beeldhouwers van de Renaissance beschouwden zichzelf als degenen die na de Middeleeuwen de draad van de klassieke kunst weer opnamen. Vooral wat de vorm betreft, was deze terugkeer naar de antieken van groot belang; zo werd bijvoorbeeld de in de Middeleeuwen verloren gegane kennis van het contrapposto herwonnen, d.w.z. de kennis van het evenwicht tussen de tegengestelde bewegingsrichtingen van verschillende onderdelen van het menselijk lichaam. De wetenschappelijke belangstelling van de Renaissance vond haar neerslag in de toepassing van het centraal- en atmosferisch perspectief in de reliëfkunst. De Kerk bleef een belangrijke opdrachtgeefster voor grote beelden die christelijke heiligen voorstellen, en voor reliëfs op kansels en altaren met eveneens een religieuze thematiek. In de wereldse kunst kwamen echter bepaalde genres die tijdens de Middeleeuwen op de achtergrond waren geraakt, weer in zwang, zoals het levensgrote bronzen ruiterstandbeeld, de portretbuste en de kleine bronssculptuur. Deze bronzen beeldjes stelden gewoonlijk mythologische scènes voor en waren bij uitstek geschikt om het interieur van particuliere woningen te verfraaien.

maniërisme
In de landen buiten Italië hield de gotiek tot in de 16e eeuw stand. Pas in de loop van de 16e eeuw kwam er een intensief contact tussen Italiaanse kunstenaars en de rest van Europa, onder meer door het ontstaan van de school van Fontainebleau en doordat het maken van een reis naar Italië deel ging uitmaken van de artistieke vorming van de kunstenaar. De bloeitijd van de Renaissance was toen echter reeds voorbij, en derhalve werden vooral invloeden van het maniërisme belangrijk voor de kunstenaars in de landen buiten Italië.

Iedere kunsthistorische periode kent een ontwikkeling in de vormgeving van de beeldhouwkunst. In de Renaissance ( Michelangelo ) en de barok ( Bernini ) komt de beeldhouwkunst tot grote bloei. Anatomie, proportieleer en stofuitdrukking worden door kunstenaars volledig beheerst. Ook blinken ze uit in de beheersing van techniek en het geven van uitdrukkingskracht aan hun beelden.

barok
Behalve dat de beelden om hun schoonheid en vakmanschap geroemd worden, zijn het tot nu toe ook voornamelijk beelden met een functie geweest. Beelden werden geplaatst ter lering, als religieuze uiting, als markering van een historische plaats of ter herinnering aan een historisch moment, of om een persoon te gedenken of te verheerlijken. Deze beelden staan op een centraal punt of voor een belangrijk gebouw. Pas vanaf de baroktijd zijn er beelden die puur voor de sier geplaatst worden, zoals grote beeldengroepen in fonteinen en beelden ter versiering van grote paleistuinen.

De beeldhouwkunst van de barok wordt gekenmerkt door beweging, vooral in lichaamshoudingen en draperieën, en er werden door sterke contrasten in holle en bolle vormen licht- en schaduweffecten geschapen. Duidelijk was eveneens de grote belangstelling voor dramatische, theatrale effecten. Ten slotte moet als kenmerk een soort naturalisme genoemd worden, dat tot uiting komt waar 'net echte' planten, rotspartijen en kunstmatige grotten in beeldengroepen verwerkt worden.

rococo
Aan het eind van de 17e eeuw kwamen op de Franse Academie twee tegengestelde stromingen naar voren: de conservatieve poussinistes en de moderne rubenistes, die de nadruk op de kleur legden. De dood van Lodewijk XIV (1715) betekende een sterke neergang van de invloed van de poussinistes, en toen de Academie in 1717 het schilderij van Antoine Watteau (1684-1721), 'l'Embarquement pour Cythère' (Parijs, Louvre) accepteerde, was de overwinning van de rubenistes bezegeld. Cythera was in de klassieke mythologie het eiland der liefde, waar jonge paren heen trokken om Venus eer te bewijzen.

Classicisme 1775 - 1840 Afwijzen van Barok- en Rococco-elementen en teruggrijpen naar "rust" en "stilte" als essentie van het "schone".

Romantiek 1825 – 1870 Rede en klaarheid (Classicisme moeten plaats maken voor emotionele waarden (Jean-Jacques Rousseau). In Frankrijk: hartstochtelijke heldenverering en bijna revolutionaire vrijheidsdrang.

Tijdens het neoclassicisme en de romantiek komt de ontwikkeling van de beeldhouwkunst in een impasse. Het neoclassicisme kenmerkt zich door een academische stijl. De romantiek beeldt de grootsheid van een belangrijk moment uit. De beeldhouwkunst grijpt terug naar thema's uit het verleden. Vooral de technische begaafdheid van de beeldhouwer komt tot uitdrukking. De stijl leent zich echter uitstekend voor monumenten. Het is een herkenbare stijl met veel gevoel voor heldendom, dramatiek en heroïek.

Sociaal Realisme 1860 – 1900 Accentueren van sociale elementen in houdingen en gebaren.

Zie verder Moderne Beeldhouwkunst.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 188.