kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 24-05-2009 voor het laatst bewerkt.

Claes Oldenburg

Zweeds-Amerikaanse poptical-art schilder en beeldhouwer, geboren op 28 januari 1929 in Stockholm, Zweden.

Claes Thure Oldenburg woonde sinds 1933 in de Verenigde Staten. Hij studeerde aan de universiteit van Yale en illustreerde in het tijdschrift Chicago. In 1956 trekt hij naar New York waar hij in contact komt met de avant-garde.

Oldenburg werd belangrijk in de evolutie van de Happening. Hij opende namelijk de Ray gun Manufacturing Company of the Store in Second Street N.Y., waarin hij naast levensmiddelen ook zijn eigen gipsen en beschilderde levensmiddelen verkocht (Dual Hamburger, 1962). Daardoor wordt hij meestal tot de popart gerekend. In 1962 organiseerde hij ook happeningachtige voorstellingen (Ray Gun Theatre).

Oldenburg maakte kunst op basis van massaproductieartikelen uit de dagelijkse omgeving:
Soft sculpture: bijvoorbeeld de zachte typmachine van linnen en kapok.
Harde en imaginaire werken zoals Bedroom ensemble (1963) van formica.
Assemblages: de straat (met figuren, gebouwen en auto's); ray gun (het onoverwinnelijke wapen, overgenomen uit strips); vlaggen; reliëfs van aangespoeld wrakhout; de winkel (nagebootste koopwaar, afbeeldingen van reclameborden en advertenties).
Environments: the home, electrical and mechanical objects, the car.
Giant objects: reuzenlipstick (1969, Campus Yale), verstelbaar in drie standen; IJszak, beweegbaar. Dit laatste was de eerste gemotoriseerde constructie voor de wereldtentoonstelling van Osaka (1970).
Na zijn huwelijk met de kunstenares Coosje van Bruggen (1977) maakte hij in samenwerking met haar meer dan 25 zeer grote objecten voor de openbare ruimte. In het beeldenpark van Museum Kröller-Müller op De Hoge Veluwe bevindt zich zijn metershoge Troffel.
Het doel van de kunst was volgens Oldenburg het hartstochtelijke engagement tussen de artiest met zijn omgeving en zijn eigen tijd, terwijl zijn kunst een weerspiegeling zou zijn van alle tegenstrijdigheden en gecompliceerdheid van dat leven. (WPE; Encarta 2001)

Biografie
Claes Oldenburg was oudste zoon van een Zweedse diplomaat die in 1936 in Chicago werd geplaatst.

Hij volgde onderwijs in de Chicago Latin School en als reactie op het traditionele onderricht dat hij daar genoot, schuimde de jonge Oldenburg als tiener de meest obscure stripteaseclubs af. Hij sprak er met de danseressen en deed een aanzienlijke hoeveelheid seksueel beeldmateriaal op dat hem in zijn latere werk zou beïnvloeden.

Two Cheeseburgers, with Everything, 1962

Oldenburg studeerde in 1946 kunst en literatuur aan de Yale University in New Haven en nam daarnaast toneellessen.

In 1950 keerde hij terug naar Chicago, waar hij als leerling-journalist begon te werken.

Van 1952 tot 1954 genoot hij een opleiding aan het Art Institute in Chicago.

Oldenburg verhuisde in 1956 naar New York waar hij de kunstenaar Jim Dine ontmoet.

Oldenburg werkte aanvankelijk aan composities in de stijl van het abstract-expressionisme.

Via zijn interesse voor het theater ontmoette hij in 1958 Allan Kaprow, die environments maakte. Voorts ontmoette hij Segal en R. Whitman.

Hij werd mede-oprichter van de Judson Gallery, een galerie die ruimte bood aan dans, theater, poëzie en experimentele kunst van nieuw talent.

De eerste neo-dadaïstische sculpturen en assemblages ontstonden rond 1959. Hiervoor gebruikte Claes Oldenburg vaak in felle kleuren geschilderd gips en afval. Hij maakte ook replica's van etenswaren, zoals hamburgers, ijs en taart.

In 1960 organiseert Oldenburg de eerst pop-art happening.

In 1961, had de expositie 'The store', waarin hij de massaconsumptie verheerlijkte een enorm succes.

Binoculars (Verrekijker), 1991

Onder de naam 'Soft Objects' presenteerde Oldenburg in 1962 in de Green gallery in de Fifty-Seventh Street een serie 'zachte' sculpturen. Dit waren nagemaakte objecten als wastafels, telefoons of stofzuigers.

In 1964 heeft Claes Oldenburg een solo expositie in Parijs, en in '64 en '68 neemt hij deel aan de Biënnale van Venetië.

Vanaf 1965 werkt Oldenburg aan zijn Colossal Monuments, zoals een metershoge troffel.

In de periode van 1968 tot 1982 neemt hij deel aaan Documenta 4, 6 en 7 van Kassel.

In 1969 werd in het Museum of Modern Art in New York een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk gehouden.

In 1970 verzorgde het Stedelijk Museum in Amsterdam een overzichtstentoonstelling.

In 1972 organiseert Oldenburg het Mouse Museum.

In 1977 trouwde Oldenburg met Coosje van Bruggen, die samen met hem vanaf 1976 aan verschillende grote projecten en performances werkte.

Tussen 1995 en 1996 reisde een omvangrijk overzicht van het werk van Oldenburg langs verschillende musea: Washington, Los Angeles, New York, Bonn en Londen.

10 januari 2009, Coosje van Bruggen (*1942 Groningen), kunsthistorica, recensent, kunstenares en vrouw van Claes Oldenburg is in Los Angeles overleden op 66-jarige leeftijd. Coosje van Bruggen studeerde kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit van haar geboortestad en werkte nadien in het Stedelijk Museum Amsterdam. Ze trok naar de Verenigde Staten waar ze vanaf 1976 samenwerkte met de beeldhouwer Claes Oldenburg, ze huwden in 1977.

Websites:
. gips en emailverf, 18x38x22, New York, Museum of Modern Art
Deze sculptuur uit jute, gips en emailverf toont ons op kritische wijze wat wij graag verslinden. Nieuwe voedingsgewoontes in deze popular culture. (Elviera 57)

Slaapkamerensemble I, 1963, bed, twee nachtkastjes, toilettafel, stoel, tapijtje, 305x610x318, installatie voor de Poparttentoonstelling in de Hayward Gallery te Londen, nu te Ottawa, National Gallery of Canada
Zijn derde environment. Hij combineert hier de strikte geometrie van gereconstrueerde perspectieven en hoekige parallellogrammen (als in advertenties) met de misleidend weelderige imitatiestoffering van zijn zachte werken. Tussen de kartonmodellen en deze uiteindelijke versies met hun metaalzwarte, porseleinwitte of schelle vinylkleuren zette hij vaak nog een extra stap in de vorm van een tussenversie van textiel in gematigde kleuren, die hij met “geesten” vergeleek.

Gigantische zachte Zweedse lichtschakelaar (“Geest”-versie), 1965, linnen, kapok, verf, hout, hoogte 135, Keulen, Museum Ludwig, Schenking Ludwig
Een soft sculpture: enorme genaaide voorwerpen van voedsel of kleren. Vanaf dit moment werd het de handtekening van Oldenburg. De zachte beeldhouwwerken berustte op een zorgvuldig overwogen esthetische benadering waarin de transformatie van een object in een zachte, weke, hangende en bovenmaatse replica werd voorafgegaan door een harde versie van karton. (20ste 515)

Nagekomen inzending voor de prijsvraag voor architecten van de Chicago Tribune in 1922: wasknijper (tweede versie), 1967, potlood en waskrijt op papier, 56x59, Des Moines Art Center
“Monumenten werden in de lente van 1965 een belangrijk onderwerp voor me. Na een jaar van reizen door Europa en Amerika, weg van New York, richtte ik in East 14th Street een nieuwe studio in. Deze was heel groot, een blok lang, en die grootte gecombineerd met mijn reisherinneringen, gaven me de neiging om landschappen te maken… Ik kwam op het idee om mijn lievelingsonderwerpen in een landschap te plaatsen… een combinatie van stilleven en landschap op schaal. Door de atmosfeer weer te geven en perspectief te gebruiken, maakte ik dat de onderwerpen ‘kolossaal’ leken.” (Oldenburg in een interview met Paul Carroll in 1968)

Hoewel de afmetingen van al zijn monumenten heroïsch zijn, geldt dit niet voor de onderwerpen: ze zijn alle ontleend aan simpele alledaagse gebruiksvoorwerpen. Zijn verbazingwekkendste project is de wolkenkrabber in de vorm van een wasknijper, die nu in verschillende versies bestaat. Een ervan is 13,5 meter hoog uit twee soorten staal. Na te verklaren waarom hij van ouderwetse wasknijpers houdt (ze hebben benen en hij ziet er iets menselijks in) vertelt hij hoe hij op de idee kwam. Hij begon al met zo'n ding te spelen terwijl hij in een vliegtuig naar Chicago zat... en ik had ook een ansicht van de Empire State Building. Ik maakte een schets waarbij ik de wasknijper over het gebouw op de kaart heentekende; daarna stak ik de wasknijper in een stuk kauwgom... en zette hem op het tafeltje voor me. Toen het vliegtuig boven Chicago kwam, zag ik dat de gebouwen daar beneden er net zo uitzagen als die wasknijper. Later, terug in New York, werkte ik de knijper uit als wolkenkrabber, geïnspireerd door mijn herinneringen aan de in 1922 uitgeschreven wedstrijd van de Chicago Tribune. Tot de toen ingezonden ontwerpen behoorden verschillende versies van een wolkenkrabber in de vorm van een zuil..., een gebouw in de vorm van een indiaan met een opgeheven tomahawk en een gebouw in de vorm van een Skeezix, een figuur uit een stripverhaal. Het leek mij dat mijn wasknijper tot dezelfde categorie behoorde, vooral omdat hij evenals de winnende inzending, de nog altijd bestaande Tribune Tower, gotisch van aanzien was.

Uitgaande van het denkbeeld dat een wolkenkrabber iets menselijks heeft, zoals bij de ontwerpen uit 1922, lijkt de wasknijper van Oldenburg ons heel wat geschikter dan een Indiaan of een Skeezix. Het ontwerp, aangepast aan zijn nieuwe functie (de poten zijn forser en staan verder uit elkaar), is door zijn vloeiende curven heel elegant van lijn. Wij kunnen er ons slechts over verheugen dat het gemaakt is. (Janson 697-698)

IJszak, 1969-1970, plastic en metaal, met inwendige motor, hoogte 475, doorsnede 455
Een monument in de vorm van een gigantische ijszak met van binnen een mechaniek die het geheel deed bewegen. “Bewegingen door een onzichtbare hand uitgevoerd”, zoals de kunstenaar het omschreef. Voor een in de buitenlucht op te stellen sculptuur zocht hij naar een vorm die zowel hard als zacht was en geen voetstuk had. Een ijszak voldeed aan deze eisen en dus kocht hij er een en begon er mee te spelen. Hij zal al spoedig dat dit voorwerp als het ware voor manipulatie gemaakt was, dat – zoals hij het stelde – “beweging een deel van de identiteit was en dus gebruikt moest worden.” Hij zond de Reusachtige ijszak naar de Expo 1970 te Osaka, waar het “beeld” in het Amerikaanse Paviljoen geplaatst werd.Geboeid keken de mensen hoe het als iets levends ademde, opzwol en zich in bochten wrong om zich daarna met een haast hoorbare zucht weer te ontspannen. (Janson 698)

Beeldhouwwerk in de vorm van een in de grond gestoken truweel, 1971, metaal, 1170x365, Rijksmuseum Kröller-Müller, Beeldenpark
Gemaakt voor het park Sonsbeek te Arnhem. Het is een vrijstaand monument zonder voetstuk in de vorm een enorme in de grond gestoken troffel (truweel). Hoewel het bevestigd is aan een stuk in de grond gegraven beton wilde Oldenburg dat het de indruk maakte “alsof het zopas uit de lucht was gevallen, net als de bliksem”. Hij was ook ingenomen met het scherpe contrast tussen de “naakte mechanische vorm”, de hevigheid waarmee het in de grond schijnt door te dringen, en de mooie plaatsing in het park met zijn hertenkamp. Hij merkte op dat het truweel “een harde weergave van de zwanen op de vijvers van het park”. Voor Oldenburg is het truweel dus even rijk aan betekenis als de wasknijper en beiden hebben heel veel verborgen mogelijkheden. Evenals de wasknijper-wolkenkrabber bezit de troffel een gratie die niemand verwacht zou hebben van het eenvoudige werktuig dat het uitgangspunt vormde.

Wat memoreren monumenten als dit? Waarin schuilt het geheim van hun aantrekkingskracht? Evenals bij popart is die deels gelegen in het feit dat ze de esthetische mogelijkheden van de dagelijkse en bijna te vertrouwde voorwerpen aan het licht brengen. Maar daarnaast bezitten ze een onloochenbare grandeur. Zoals Baudelaire zouden we kunnen stellen dat zij “het heroïsme van het moderne leven” uitdrukken. Eén dimensie ontbreekt echter aan het werk van Oldenburg. Het boeit, verwondert en amuseert ons, maar het beroert ons niet. Zijn monumenten, helemaal van deze wereld en onverbrekelijk met het hier en nu verbonden, kunnen onze diepste gevoelens niet raken. (Janson 698-699)

De curva van het handvat doet aan een zwenenhals denken. Vanaf toen maakte hij talloze gelijkaardige monumenten. Door hun bewuste verwijzing naar de specifieke omgeving, iconografische humor en formele striktheid behoren ze tot de zeldzame voorbeelden van succesvolle innovatieve beeldhouwkunst voor openbare ruimten. (20ste 517)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 42.