kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 07-01-2016 voor het laatst bewerkt.

classicistisch

Classicisme

De klassieke kunst heeft een onuitwisbaar stempel op de kunstgeschiedenis gedrukt. Herlevingen vonden plaats tijdens Renaissance, Barok, Rococo en Neo-Classicisme. In deze periodes ontleenden kunstenaars thema's aan de klassieke mythologie en putten ze inspiratie uit antieke tempels. Ook tijdens de 20e eeuw werden de antieken veelvuldig geciteerd.

(Neo)classicisme
Classicisme of Neoclassicisme als stijlbegrip duidt de kunst aan van het tijdvak tussen 1770 en 1830. In Nederland is de term classicisme gebruikelijk, in Frankrijk, Engeland en Italie spreekt men van Neo-Classicisme om de kunst uit deze periode te scheiden van classicistische schilders zoals Poussin uit de barok. Het classicisme is vooral te herkennen in de bouwstijl.

Rond 1750 worden Pompeji en Herculaneum ontdekt: twee Romeinse steden die in de eerste eeuw nC onder de lava van een spuwende Vesuvius werden bedolven en daardoor uitzonderlijk intact kunnen worden blootgelegd. Tegelijkertijd trekt een Duits kunsthistoricus de aandacht doordat hij het oppervlakkige/frivole karakter van de rococo te lijf gaat met de stelling dat de ware schoonheid schuilt in eenvoud en aandacht voor de juiste verhoudingen: precies de eigenschappen van de klassieke Griekse kunst.

De klassieke kunst, met haar evenwichtige, harmonische composities en vaste maatverhoudingen zonder overdreven versieringen. werd daarmee aan het einde van de achttiende eeuw het uitgangspunt voor de nieuwe kunststijl van de burgerij: het neo-classicisme. Een stijl die zich kenmerkt door een nieuwe, ruimere en meer geleerde houding naar de oudheid, meer dan in de Middeleeuwen en de Renaissance het geval was geweest.
De vrijheid waarmee men tijdens de Renaissance, de Barok en de Rococo de vormen van de Griekse en Romeinse kunst had behandeld, werd in het neo-classicisme afgewezen. Het Neo-classicisme verzette zich tegen de tierlantijnen van de Barok en de Rococo. Men vond deze tijd decadent en teveel gericht op de kerk en de rijken (aristocraten). Tegenover de uitbundige decoratie van deze stijlen eiste men een terugkeer naar strenge heldere en zuivere vormen.

Op de kunstacademies werd opnieuw geleerd dat b.v. de omtrekslijn overal scherp zichtbaar moest zijn. Zuivere en strenge vormen (koel en overwogen). Zij wilden harmonie, goede proporties en balans bereiken. Duidelijkheid en helderheid in vorm en compositie (dingen die in de Barok en Rococo absoluut niet meer te vinden waren) stonden voorop. Dit leidde overigens wel tot het alleen maar 'droog' imiteren van het verleden i.p.v. het te gebruiken als inspiratiebron. (zoals in de Renaissance).

Ondanks haar bemoeienis met de klassieke oudheid was de periode van het Neo-Classicisme de eerste periode sinds de Middeleeuwen die esthetische theorieën formuleerde waardoor de kunst vrij kwam van de klassieke traditie. Daarmee maakte de kunst zich definitief los van haar pre-occupatie met de klassieke idealen.

De gevolgen van de Franse revolutie in 1789 en de opkomst van de industrialisering zorgden vanaf 1800 voor merkbare veranderingen in vrijwel heel West-Europa. De hoofse kunst die zich uitte in stijlen als Barok en Rococo moest plaats maken voor de burgerlijke kunst. De machthebbers van de revolutie, zoals Napoleon, hadden de voorkeur voor kunst die zoveel mogelijk beredeneerd was, die zoveel mogelijk te begrijpen was met het verstand en niet zozeer met het gevoel. Dit past binnen de heersende opvattingen van de Verlichting, zoals deze in de filosofie al langer terug te vinden was.

Naast de klassieke vormentaal is vooral het veelvuldig gebruik van symboliek kenmerkend voor de neo-classicistische schilder en beeldhouwkunst. Met behulp van symbolische verwijzingen werden eigentijdse gebeurtenissen vaak vertaald in klassieke voorstellingen.
Men verdiepte zich daartoe in de geschriften uit de oudheid en ging het eigen verleden bestuderen. Door verhalen uit de klassieke literatuur in symbolische voorstellingen te koppelen aan eigentijdse gebeurtenissen, toonde een kunstenaar dat hij een belezen mens was. Iets dergelijks gold voor de burgerij die de kunstwerken aanschafte.
De grote waarde die men hechtte aan de al dan niet symbolische betekenis van voorstellingen ging echter vaak ten koste van de levendigheid. We zien dit in de schilderkunst vertaald door een grote aandacht voor lijn en tekening. Kleurgebruik en compositie dienden hierbij hoofdzakelijk als ondersteuning van de voorstelling. Men koos voor koele, vlakke kleuren en voor eenvoudige compositieschema's om de aandacht niet af te leiden van de betekenis van het onderwerp.
Deze werkwijze paste overigens wel geheel in de geest van de tijd. Het rationalisme, destijds de heersende filosofische stroming, stelde verstand en kennis immers ook boven emotie.

De neo-classicistische stijl werd in Frankrijk en spoedig daarna ook in het grootste deel van de rest van Europa de officiële stijl, die aan de kunstacademies werd onderwezen. Het verwerven van een perfecte technische tekenvaardigheid op het gebied van de menselijke anatomie, proportie, perspectief, licht en schaduwwerking vormde voortaan in de opleiding van schilders en beeldhouwers een essentieel onderdeel.

Met het Neo-classicisme breekt de nieuwe tijd aan er vinden belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen plaats op allerlei fronten:
. Het Rationalisme: (het menselijk denkvermogen, het werken met de rede = ratio of verstand) viert hoogtij.
. Snelle technische ontwikkelingen.
. Staan aan de vooravond van de industriële revolutie. Eerst in Engeland: 1750 en vanaf 1800 in de rest van Europa (o.a. de uitvinding en ontwikkeling van de stoommachine).
. Franse Revolutie 1789.
. De deels middeleeuwse maatschappijstructuur (dwz. gezag en macht in een hand) die tot dan toe gold wordt vervangen door de verlichting. Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap kwamen in de plaats van dwingelandij en absolutisme (macht in de hand van een vorst). Het geloof en het gezag worden dus afgewezen; de burgerij komt op.
. De Wetenschap komt sterk in de belangstelling de behoefte aan kennis is groot. (Diderot maakt de eerste encyclopedie waarin alle menselijke kennis verzameld is).

================================================================================
Neoclassicisme in de schilderkunst,

De schilderkunst tijdens de Neo-classicistische periode had het moeilijker dan de bouwkunst of beeldhouwkunst. Deze laatste twee konden teruggrijpen op datgene wat nog restte uit de klassieke oudheid. De schilderkunst kon aanvankelijk nergens op teruggrijpen. De voornaamste bronnen waren de werken uit de Renaissance en de classicistische onderstroom die er was tijdens de Barok (Rafaël en Poussin)

In de 1e helft van de 18e eeuw (tussen 1700 en 1800) zien we dat veel schilders oude Griekse en Romeinse gebouwen en ruïnes weergeven. Dat gebeurde vaak nuchter en zakelijk, registrerend wat men zag. In de 2e helft van de 18e eeuw zien we vooral op de academies (waar kunstenaars hun opleiding kregen), dat men grote waarde aan de omtreklijn en de duidelijke vorm toekende.

Zeer veel nadruk werd gelegd op de techniek, die erg gladjes is, de kleuren waren koel. De schilderijen waren tekenachtig van opzet en de mensen die op de schilderijen voorkomen waren perfect van vorm. Kundig werd met de lichtval gewerkt. De figuren maakte een statische indruk. Het geheel werd verstandelijk benaderd. De composities zijn eenvoudig en streng. Vaak zijn de afbeeldingen historisch van aard, waarmee te kennen werd gegeven dat de kunstenaar een kenner was van de cultuur van de klassieke oudheid.

Neoclassicisme in Frankrijk,
Het neo classicisme sluit in Frankrijk volledig aan bij de dan heersende stemming: zelfopoffering en vaderlandsliefde zijn thema's die voor velen herkenbaar zijn in de aanloop naar de Revolutie (1789). Behalve deze kenmerkende onderwerpen maakt ook de manier van afbeelden het neoclassicisme in de schilderkunst herkenbaar: figuren zijn in een sterk bestudeerde (afgekeken) houding weergegeven, de omgeving koel/zakelijk neergezet; alles in een sterk tekenachtige werkwijze: duidelijk te onderscheiden contouren en een vrij vlakke wijze van inkleuren.

De belangrijksten onder de neoclassicistische kunstenaars waren Jacques Louis David (1748-1825), die een actief aandeel in de Revolutie had en er de 'officiële' schilder van werd en Ingres.

Er was een toenemende belangstelling voor het schilderen van taferelen uit de Romeinse geschiedenis, mede omdat men parallellen zag tussen die verhalen en de eigen politieke situatie. Waarden uit de klassieke oudheid werden als het ware in een nieuw jasje gestoken, afgebeeld in een strakke en strenge, bijna volgens wiskundige wetten, ontwikkelde schilderkunst.

Een leerling van David was Jean Auguste Dominique ingres ( 1780-1867). Zijn stijl is door zijn voorkeur voor zachte, vloeiende lijnen minder robuust dan die van David en samen met zijn soms dromerige onderwerpen weerspiegelt hij de overgang naar een nieuwe stijlperiode.

================================================================================
Neoclassicisme in de beeldhouwkunst,

Na de uitbundige barok kende het neo-classicisme met o.m. Antonio Canova en Thorwaldsen momenten van grote verfijning.

De kwaal waar de meeste beeldhouwers uit het Neo-classicisme aan leden was de zielloze en bloedeloze imitatie van de Grieken en de Romeinen. Een resultaat van een te ijverige studie van de klassieke voorbeelden. Er werden gipsafgietsels gemaakt van de Griekse en Romeinse beelden, houdingen en vormgeving konden zo precies worden nagemaakt.

Dat is hier ook het verschil met de Renaissance, een klakkeloos navolgen De sculpturen (beeldhouwwerken) droegen het kenmerk van een pose (houding), vaak onwerkelijk statisch, de uitvoering daarentegen getuigde van grote technische vaardigheid!

De beelden waren gladgepolijst en gaaf van vorm, meestal uitgevoerd in wit marmer. De meestal naakte of halfnaakte sculpturen hadden een zinnelijk karakter, de erotiek (zinnelijke liefde) was veelvuldig aanwezig.

De 2 bekendste beeldhouwers zijn de Italiaan Canova en de Deen Thorvaldsen.

================================================================================
Neoclassicisme in het meubilair
Neoklassiek is gebaseerd op de klassieke Griekse en Romeinse vormentaal en was vooral populair van laat 1700 tot midden 1800. Het meubilair is licht en elegant en de belijnen is eerder strak te noemen. Typische decoratieve elementen zijn acanthus-bladeren, schelpen, architecturale onderdelen en klassieke figuren.

Tijdens het keizerrijk van Napoleon I (van 1804 tot 1815) wordt het Neoclassicisme in Frankrijk ook wel Empire genoemd. Napoleon gebruikte deze stijl om zijn keizerlijke macht uit te drukken, vandaar de naam. Deze stijl betreft echter bijna alleen de interieur- en meubelkunst. Kenmerkend voor de Empire is vooral de verwerking van Egyptische motieven, zoals sfinxen, lotusbloemen etc.

Veel interieur- en dessinontwerpers laten zich vanaf de jaren 1980 door het Neo-Classicisme inspireren. De 'Neo-Classical Range' van Timney en Fowler bestaat uit een brede collectie serviezen, sjaals, gordijnstoffen, kleden, behangrollen en friezen. De motieven zijn klassiek, de benadering is eigentijds door de grafische stijl en zwartwit.gebruik. Ook het merk 'Ravage' van de Nederlandse ontwerpers Clemens Rameckers en Arnold Van Geuns verwijst naar het Classicisme (18 de eeuwse Empire-stijl.)

================================================================================
Neoclassicisme in de architectuur.
In de 19e eeuw bleef de belangstelling voor de klassieke bouwkunst bestaan. De klassieke voorbeelden werden echter niet ¨vrij behandelt¨, zoals in de Renaissance en de Barok. In plaats daarvan werden de voorbeelden letterlijk gekopieerd, zoals bijvoorbeeld de Arc du Triomphe (1806) in Parijs, door Chalgrin. De bouwkundige elementen uit de klassieke oudheid worden zo zuiver mogelijk toegepast: zuilen worden bijvoorbeeld niet meer als versiering, maar alleen als constructief (dragend) element toegepast.

Onder Napoleon wordt het centrum van Parijs uitgerust met triomfbogen (Arc de Triomphe) , zegezuilen (Colonne Vendome) en tempelachtige bouwwerken (zoals de Madeleine-kerk).

In Nederland werden door de slechte economische omstandigheden weinig belangrijke bouwwerken gebouwd. Een van de nieuwe gebouwen is de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam (1837) door Suys. Kenmerken van het neoclassicisme in Nederland zijn het timpaan of fronton (driehoekige afsluiting van de gevel). Vrijstaande zuilen, of in ieder geval in de muur opgenomen zuilen (pilasters), kapiteel en kroonlijsten en sterk benadrukte ingangpartijen in het midden van de vaak symmetrische voorgevels. Uitgangspunt voor het neo-classicisme waren de vijf zuilentypen, elk met een eigen uitstraling: Toscaans, Dorisch, Ionisch, Corintisch en Composiet.

In de stadsaanleg overheerste de voorkeur voor een stelsel van assen met monumentale pleinen en straten, net als in de barok. Een voorbeeld hiervan is het Place de l'étoile met de Arc du Triomphe in Parijs, dat precies op de as van het Louvre ligt.

In de 20ste eeuwse bouwkunst is het gebruik van klassieke elementen lang gemeden. Het Modernisme uitte zich in een sober functionalisme. Eind jaren zestig kwam hierin verandering. Het architecten-duo Venturi en Scott Brown vond inspiratie in de commerciële straatarchitectuur van Las Vegas. Dit leidde tot de geboorte van de Postmoderne architectuur, waarin classicistische elementen zijn toegestaan. Bekend zijn de sociale woningbouwprojecten van architect Bofill in de Parijse voorsteden. Het complex 'Les Eschelles du Baroque' is vormgegeven als een amfitheater. Monumentale zuilen van spiegelglas bedekken de komvormige gevel. Trigliefen en metopen sieren de daklijst.

================================================================================
Classicisme in de letterkunde
Het classicisme kan onderverdeeld worden in twee periodes. De eerste is vooral in de Franse literatuur van de 17de eeuw terug te vinden. De tweede periode van het classicisme, dat toen ook buiten Frankrijk veel navolging kende, is gesitueerd in de 18de en het begin van de 19de eeuw. Deze periode is ook wel bekend als het neoclassicisme. Men volgt de klassieken in zoverre na dat techniek leek te primeren op de inhoud, de vorm was het belangrijkste.

Op het einde van de 19de eeuw is het classicisme meestal een reactie tegen voorgaande stromingen. In Frankrijk tegen het symbolisme en het vrije vers, en in Duitsland met vertegenwoordigers als P. Ernst en W. Von Schultz omstreeks 1910 tegen het naturalisme en het impressionisme.

Classicisme in de Nederlandse letterkunde
In de Nederlandse letterkunde is het classicisme nooit sterk vertegenwoordigd geweest. De enige auteur die echt in aanmerking komt is Carel Vosmaer (1826-1888).


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 36.