kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 27-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Constant Permeke


Vlaams kunstschilder, beeldhouwer en tekenaar, geboren 31 juli 1886 - overleden 4 januari 1952.

Constant Permeke wordt gezien als belangrijkste schilder van het Vlaams-expressionisme.

Behalve vissers en marines schilderde hij vooral boeren, landschappen en interieurs. Hij legde de nadruk op het harde werk van de mens en op diens verbondenheid met de aarde. Zijn figuren zijn opzettelijk vervormd en zijn kleuren zijn warm. Daarnaast vervaardigde hij monumentale figuurcomposuties waarin zijn voorkeur voor het geometrische de invloed van het Kubisme en Léger verraadde.

Constant Permeke was een centrale figuur van de avant-gardebewegingen Selection, L'Art Vivant en Kunst van Heden. Was een tijdlang directeur van het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Zijn beide zonen, John en Paul, zijn eveneens schilders.

Biografie
Constant Permeke werd geboren 31 juli 1886 te Antwerpen.


Henri Permeke

Zijn vader Henri Permeke was een verdienstelijk landschapschilder. Met zijn boot 'Artis Amor' en zijn gezin, koos deze in 1891 het zeegat om tenslotte in 1892 aan te leggen in Oostende en daar verder te blijven. Hij zal in 1897 zelfs de eerste conservator worden van het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten. De confrontatie met de Noordzee zal Constant Permeke aan de Vlaamse Polders binden. Hij zal sterven in zijn huis 'Vier Winden' te Jabbeke, op 4 januari 1952 waar hij had gewoond met zijn gezin sedert 1930.

In zijn Oostendse jeugd loopt hij academie te Brugge, van 1903 tot l906. Veel steekt hij er niet op. Een van zijn medeleerlingen is Achiel Van Sassenbroeck.

In 1906 verblijft de bohème Permeke voor zijn militaire dienst onder uiterst armoedige omstandigheden te Gent. Hij laat zich daar inschrijven aan de academie en hij wordt ingedeeld bij de 'Universitaire Compagnie', waar hij o.m. les kreeg van de uitmuntende animator Jean Delvin en hij van een zekere vrijheid kan gebruik maken, om vriendschap te sluiten met belangrijke figuren als Frits Vanden Berghe, Gust De Smet, Leon De Smet en de criticus Paul Gustaaf Van Hecke.

Zoals alle jongeren rondom hem schilderde Permeke aanvankelijk impressionistisch in de traditie van Emiel Claus; een paar jaar later zou hij zelfs met Brio de divisionistische techniek van de pointillisten aanwenden en daarbij, in bepaalde marines, tot het abstracte gaan.

In maart 1908 is Constant soldaat af en komt hij terug naar Oostende waar Gust De Smet zich bij hem komt vervoegen en zij samen een herbergkamer in de Kaaistraat betrekken.

Sterk onder de invloed van 'de prins van het Vlaamse luminisme' Emiel Claus, die te Astene verblijft en aangetrokken door de bekendheid van de eerste Latemse kunstenaarskolonie omheen Binus Van Den Abeele, vestigt Permeke zich in de lente van 1909 met zijn vrienden te Sint Martens Latem. Samen met hen en met Albert Servaes behoort Constant Permeke tot de Tweede Latemse Groep.

Merkwaardig genoeg, ging Permeke meer te rade bij Albert Servaes, die inmiddels naar de groep mystico-symbolisten van George Minne en Gustave van de Woestijne was overgegaan, dan bij de schilders van zijn vriendenkring. Permeke leeft er eerder teruggetrokken en interesseert zich vooral voor de zware en pasteuse toets van Albert Servaes, die hij al kende van zijn Gentse academietijd. Servaes kon toen al doorgaan als de 'Vader van het Vlaamse expressionisme'.


1911, schepen op mosselbank

Constant Permeke woont vanaf 1912 in Oostende, waar hij talloze landschappen schildert die duidelijk de invloed van Bruegel verraden. Op 27 juni 1912 trouwt hij met Maria Delaere, zijn 'Marietje'. Ze was van Poperinge en ze zou 4 jaar voor hem sterven, te Jabbeke in 1948. Het koppel komt zich vestigen in de Vuurtorenwijk, te Oostende, weer midden het harde, maar sociaal aan mekaar gehechte vissersvolk. Hier krijgen we de eerste doorbraak van het Permekiaanse expressionisme in al zijn emotionele geladenheid: Hij vereenvoudigt zijn vormen tot scherp omlijnde kleurvelden, dof gehouden tonaliteit, brutale vormgeving en gedurfde vervormingen, om zijn expressieve kracht te creëren die, steeds naar het voorbeeld van Servaes, als uitgangspunt van 'zijn' expressionisme dienen beschouwd te worden.

Engeland
Wanneer de eerste wereldoorlog uitbreekt, in 1914, wordt Permeke opgeroepen en ingezet bij de verdediging van Antwerpen. Te Duffel wordt hij zwaar gekwetst en overgebracht naar Engeland, in een hospitaal te South Hillwood. Na zijn herstel vindt hij zijn vrouw en zijn moeder terug in Folkestone. Hier wordt zijn eerste zoon John geboren. Intussen ontstaan contacten met Belgische kunstvrienden als Edgard Tytgat, Gustaaf Van de Woestijne, Alouïs Boudry en Hippolyte aeye.

In maart 1916 gaat hij zich in Chardstock vestigen, in het Graafschap Devonshire. Constant Permeke schilderde zijn eerste expressionistische doeken tijdens zijn verblijf in Engeland. Hoewel hij nog steeds op krukken loopt ontstaan enkele meesterwerken als kleurenexplosies omheen het Engels pittoreske natuurgebeuren. Twee jaar volslagen invaliditeit, de afzondering en de bezinning brachten mee, dat Permeke in Engeland de grondslagen kon leggen van een nieuwe, zeer persoonlijke stijl, waarin futuristische, Latemse en Duitse echo's meer dan handig verwerkt zijn (De vreemdeling, De ciderdrinker, Oogst in Devonshire, De slachter e.a.). De heldere gamma's van steenrood, oranje, oker, bleekblauw, roomwit gaan wijken voor strenge, bijna wrange akkoorden van olijfgroen, gebroken rood, vaalbruin en zeep groen, zoals bij Vincent van Gogh in de tijd van zijn Aardappeleters.

Oostendse periode
In april 1919 keert het gezin Permeke, dat intussen 3 kinderen heeft, terug naar België, naar het huis op de Oostendse Vuurtorenwijk. Na zijn levensroes van het Devonshirelandschap wordt de kunstenaar nu geconfronteerd met een desolate, deels berooide visserswijk. Met gesloten en hoekige vormen, donkere kleuren, krachtige lijnen en een zware verfmaterie beeldde Permeke vanaf de jaren '20 virtuoos raak geobserveerde vissersfiguren, als hoofdthema, in beeld. In tegenstelling tot de andere expressionisten maakte Permeke ook grote tekeningen. Deze zijn trefzeker en geraffineerd van lijn.

In 1920 is Permeke medeoprichter van het tijdschrift Sélection en in 1921 bezorgen Brusselse galerijhouders Constant Permeke een opmerkelijke expositie te Antwerpen. Ook te Parijs, in de galerij 'La Licorne', in hetzelfde jaar, is het Franse onthaal een revelatie.

De verloofden 1923

Tussen 1922 en 1924 trekt Permeke regelmatig naar Astene, om er samen te werken met Frits Van den Berghe.

In 1925 verhuist Permeke naar Jabbeke bij Brugge.

In 1926 verblijft hij kort te Vevey, in Zwitserland. Hij schildert er enkele berglandschappen, die Albert Servaes interesseren.


1929 Aardappelrooister, olie- en terpentijnverf op papier en triplex, 164x126cm, collectie PMCP, Jabbeke

Constant kwam tot wat men noemt het expressief-realisme. Permeke werkte met donkere zandachtige kleuren afgewisseld met gloeiende goudtinten. Deze werden aangebracht door middel van een krachtige borsteltechniek. Hij schilderde vooral de arbeidende klasse, zeelui, boeren en mijnwerkers halfverzonken in het achterliggende landschap.

Naast schilder van de arbeidende klasse was Permeke ook bekend voor zijn soms zeer monumentale marines. Zo zou hij voor een Antwerpenaar ooit 100 van die marines hebben moeten schilderen. Het werk van Constant Permeke was niet maatschappijkritisch maar hij verstond wel de manier om een magische werkelijkheid zichtbaar te maken. Zijn belangrijkste periode is deze van 1920 tot 1930.

Jabbeke 'De Vier Winden'
Het huis 'De Vier Winden' werd door Constant Permeke (1886-1952) te Jabbeke in 1929 gebouwd. In 1930 komt hij het huis betrekken. Het huis 'De Vier Winden' werd door de provincie West-Vlaanderen in 1960 aangekocht. Een belangrijk gedeelte van het oeuvre van Permeke wordt in de aangepaste woon- en werkruimtes getoond. Deze unieke verzameling omvat 150 werken van de kunstenaar, waaronder nagenoeg het volledige beeldhouwkundige oeuvre. Ook persoonlijke documenten en voorwerpen van de kunstenaar zijn aanwezig naast werk van zijn vader Henri Permeke, van zijn schoonzoon Pierre Devos en van zijn vrienden Frits Van den Berghe en Oscar Jespers.

In 1934 krijgt hij de internationale erkenning ten volle, bij zijn deelname aan de Biënnale van Venetie. Ook in 1926 al had hij België vertegenwoordigd, samen met zijn vrienden Frits Van den Berghe en Gust De Smet, in dezelfde stad, op de XVde Internationale Expositie.

Hij ontplooit nu ten volle zijn barokke kracht in een enorme productiviteit, met meesterwerken als 'Gouden Oogst' (1935), 'De Grote Marine' (1935), 'Moederschap' (1936), 'Het Afscheid' (1948), 'Dagelijks Brood' (1950).

Tijdens de economische crisis van de jaren '30 verzwakte de aandacht voor zijn werk en van 1935 af begon permeke aan beeldhouwkunst; in een ruwe expressionistische stijl die later serener werd. Hierin zoekt hij het isoleren van de menselijke figuur, alweer in een indrukwekkend monumentaal gebeuren. 'De Zaaier' (1939), de grote 'Niobe' (1946) en 'De Drie Gratiën' (1949) geven gestalte aan een beheerste monumentaliteit in een mythologische expressie.

De oorlogsperiode 1940-44 wordt voor Permeke, zowel menselijk als artistiek, een tragedie. Zijn zoon Paul wordt door de Duitsers weggevoerd en hemzelf wordt het schilderen verboden. Zijn kunst, zoals het hele Expressionisme wordt als entartete-kunst beschouwd. Verbitterd zoekt hij te Brussel een tijdelijke verblijfplaats. Tijdens de Tweede Wereldoorlog tekende hij monumentale, bij gebrek aan materiaal en contact, hoofdzakelijk naaktfiguren.

Na de oorlog, in december 1945, wordt hij benoemd tot Directeur van het Nationaal Hoger Instituut en de Koninklijke Academie te Antwerpen. Hij gaat er Isidoor Opsomer opvolgen. Bij deze benoeming had hij echter zijn persoonlijke condities gesteld. Niet eens een jaar later, in oktober 1946, geeft hij al zijn ontslag. Intussen was zijn zoon uit het gevangenkamp teruggekeerd en vindt Permeke zijn werkkracht terug in vernieuwde levensvreugde.

Het summum van zijn carrière bereikt Permeke op zijn retrospectieve expositie te Parijs, in 1947-48. De feestelijke vreugde wordt echter brutaal verdrongen door het verlies van zijn 'Marietje' op 3 mei 1948. Hij wordt scherp getekend door het drama en, verzorgd door zijn dochter Thérèse, sukkelt met zijn gezondheid.

1950 en 1952 Deelname Biënnale Venetie.

1950 Het dagelijks brood, olieverf op doek, 148x175cm, collectie PMCP, Jabbeke

Moreel gesteund door Mevrouw d'Ydewalle herneemt hij toch enigszins zijn creatieve activiteit, doch zijn impulsief expressieve kracht vertoont nu een zekere verfijning in tekening en in kleur. Aldus ontstaat 'De dame met de rode handschoenen' (1951), naast andere portretten en een reeks Bretonse landschappen.

Na een 10-daagse reis, in de Lente van 1951, naar Bretagne, op voorstel van de Franse Fauvisme schilder Maurice De Vlaminck, waarbij hij het bekende Pont-Aven van Paul Gauguin aandoet, begint de ziekte zijn gezondheid kennelijk te ondermijnen. In november van dat jaar moet hij het bed houden.

Constant Permeke sterft te Oostende op 4 januari 1952. Op 8 januari wordt hij te Jabbeke begraven, naast 'Marietje'. Op het graf had hij al een beeldhouwwerk van die andere Latemmer Georges Minne laten plaatsen.

Zie ook Twintig eeuwen Vlaanderen


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 6018.

Tweets by kunstbus