kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Corneille

Corneille (1922, Luik)

‘Ellende kan ik voor mijn werk niet gebruiken. Oorlog, daar ben ik niet op gebouwd.'

Corneille wordt op 3 juli 1922 als Guillaume Corneille van Beverloo uit Nederlandse ouders in Luik (België) geboren.

Als 17-jarige verhuisde hij naar Haarlem en in 1940 verhuisd Corneille naar Amsterdam, waar hij van 1940 tot 1943 studeert aan de Kunstnijverheidsschool en een cursus tekenen en etsen volgt aan de Rijksacademie voor beeldende Kunsten. Als schilder is hij autodidact en werd hij op weg geholpen door Karel Appel, die hij op de academie leerde kennen. Aanvankelijk ging Corneille in zijn kunst uit van de realiteit; hij schilderde stillevens, landschappen en figuren.

In 1946 had hij zijn eerste solotentoonstelling in Groningen.

Door een toevallige ontmoeting met een Hongaarse vrouw reisde Corneille in 1946 af naar het verwoeste Budapest, Hongarije. Aanvankelijk beïnvloed door het werk van o.a. Picasso ontwikkelde Corneille zijn eigen stijl, in vriendschap met Jaques Doucet en vol bewondering voor Miro en de Franse surrealistische schrijvers. Corneille's stijl is dan te omschrijven als speels, intiem, met een grafische lijnvoering, zachte kleuren en een eigen motivatiewereld. In Budapest maakte Corneille kennis met de raadselachtige schilderkunst van Paul Klee in wiens werk niet de werkelijkheid, maar de fantasie en de droomwereld centraal staat en de geschriften van het Surrealisme, met name van Breton, Eluard en Aragon. Mede onder invloed van de visionaire dichtkunst van Rimbaud kwam Corneille tot het inzicht dat hij de uiterlijke wereld niet langer als model nodig had. Hij raakte vervuld van een verlangen naar een 'vrije, nieuwe schilderkunst' met een universele taal. Corneille wilde een kind zijn dat onbevangen kan spelen met kleuren en vormen.

Corneille brengt samen met Karel Appel enige tijd door in Parijs. De schok van Budapest wordt nog versterkt wanneer hij hier kennis maakt met de Denen Asger Jorn en Carl-Henning Pedersen. Vooral de vogels die in het werk van de Denen voorkomen maken grote indruk op hem.

In 1948 vertoont zijn werk grote stellage-achtige wezens met angstaanjagende koppen. Ook is de invloed van Miro duidelijk zichtbaar in uitbundig vrolijke vormen en kleuren. Het mythische motief breekt door in zijn werk. De lijnen worden losser en lichter en een leger van fabelwezens dringt dansend de composities binnen. Vogels en vissen vliegen rond en figuren met reusachtige ballonhoofden bewegen zich door een imaginaire ruimte, opgeroepen in snelle lijnen en tere kleurvlekken.

Corneille is samen met Constant, Appel, Rooskens en Wolvecamp oprichter van de Nederlandse Experimentele Groep (1948), die later dat jaar opging in CoBrA, een groep gelijkgestemde Deense, Belgische en Nederlandse kunstenaars, die samen exposities organiseren en tijdschriften (Cobra en Reflex) uitgeven, maar ook samenwerken bij het maken van kunstwerken. Samen met geestverwanten als Appel, Constant, alechinsky, de Deen Asger Jorn en de Belgische Dotremont ondertekende hij in 1948 in het Parijse café Notre Dame het CoBrA Manifest.

De kunstenaars van CoBrA werkten voornamelijk individueel. Toch heeft de Cobra-beweging grote betekenis verworven als kunst-en cultuurhistorisch verschijnsel én als oriëntatiepunt voor de betrokken kunstenaars. Cobra was een collectief, interdisciplinair, politiek en sterk literair getinte beweging, die, na de oorlog, gevoelens verbeeldde van felheid, woede, verlangen en eenvoud.

In 1948 en in 1949 bezocht Corneille Tunesië. Ook had hij een solotentoonstelling in Parijs die werd gevolgd door andere in Amsterdam, Budapest, Kopenhagen en Antwerpen.

In 1950 verhuisde hij naar Parijs en nam regelmatig deel aan de Salon de Mai. Onverlet blijft, dat Corneille met regelmaat steeds weer enkele dagen in zijn geliefde Amsterdam vertoeft, al koos hij definitief domicilie in het hoe dan ook gullere Parijs. Van waaruit hij zich nieuwsgierig oriënterend telkenmale voor inspirerende werkreizen verplaatst naar Italië, China of Cuba.

Het kan niet meer dan een coïncidentie heten, dat juist zijn geboorteplaats Luik in 1951 onderdak bood aan de laatste gezamenlijke tentoonstelling van CoBrA, de groepering viel daarna uiteen.

In 1951 ondernam Corneille een reis naar de Sahara. De diepe indruk die de eerste kennismaking met de woestijn achterliet, vond zijn neerslag in een reeks schilderijen waarin de aarde werd afgebeeld als een door de zon verschroeid lichaam van zand en steen waarop slechts enkele dier- en plantsoorten overleefden.

In zijn doeken, vaak landschappen en steden gezien vanuit 'vogelperspectief', kwam meer beweging door de versterking van kleurcontrasten en compacte vormen.

Corneille reist de hele wereld rond op zoek naar inspiratie. De natuur, antieke culturen, primitieve volken, klassieke muziek en literatuur zijn hiervoor belangrijke bronnen. Lyrische transposities in een warm en genuanceerd koloriet drukken zijn spontane emoties uit. Zijn werken zijn altijd uitbundig van kleur en vaak lijken zij een passage uit een verhaal of gedicht. Dat blijkt ook wel uit de vele brieven die Corneille schrijft aan zijn mede kunstenaars vrienden vaak vergezeld van tekeningetjes.

In 1953 nam hij deel aan de Biënnale van Sao Paulo en in 1954 aan de Biënnale van Venetië. Samen met Asger Jorn maakte hij keramiek en bekwaamt hij zich in grafiek, beide zullen zelfstandige onderdelen worden van zijn oeuvre en zich parallel aan het geschilderde werk ontwikkelen.

Corneille blijft een reiziger en Afrika behoudt voor hem een grote fascinatie. Hij bezocht Soedan, Nigeria, Ethiopië en Kenia, waar hij indrukken opdeed die hij in zijn latere kunst verwerkte. De geometrische decoraties van de nomadische volken, op hun gebruiksvoorwerpen en in hun kunst, oefent een meer directe invloed op zijn eigen werk uit. Niet het primitieve, maar het primaire en de daarmee natuurlijk verbonden sensualiteit fascineren hem. Corneille schildert en tekent de structuur van de Afrikaanse aarde met de verzengende hitte en de geweldige afmetingen in grillige blokken, die nu eens op elkaar gestapeld, dan weer onderbroken worden door zwarte of blanke stromen. In de toenemende abstractie zijn de aarde en de lucht niet als afzonderlijke delen gescheiden.

In 1956 won Corneille de Guggenheim-prijs voor Nederland.

In 1958 bracht hij een bezoek aan Zuid-Amerika, Mexico en New york.

In zijn vroege werk uit de jaren 50 is vooral Afrika een grote inspiratiebron. Laat jaren 50, begin 60 zijn Midden Amerika en het Caribische gebied van invloed op zijn werk, de kleuren zijn uitbundiger en hebben veel gemeen met de volkskunsten die hij daar ziet.

In 1959 en in 1964 nam hij deel aan documenta 2 en 3 te Kassel.

Corneille beweegt zich meer en meer tussen tegenstellingen en streeft daarbij naar een synthese tussen het aardse en het hemelse, het kinderlijk spontane en het rationele, het vitale en de materie, tussen de wereld buiten en de innerlijke ervaringswereld door de beweging centraal te stellen. Vanaf de jaren zestig ontstaan composities die associaties oproepen met tuinen of eilanden, maar die ook wel in verband worden gebracht met planeten en kosmische elementen. De emoties die de verbinding van het kosmische met het aardse oproepen, komen tot uitdrukking in de verhelderde kleurenpracht: een zinderend rood, een laaiend geel en een meer besloten groen, drie hoofdkleuren die als zelfstandige symboolwaarden optreden samen met de vergoddelijkte vrouw, de vogel en de zon.

Corneille kende een abstracte periode (1957-1964), maar keerde weer terug tot de figuratie als ‘beeldend poëet'. Het mythische element uit de beginperiode van COBRA met vrolijke fel gekleurde figuren herleeft. Hij begon te schilderen op een tafel waardoor alle zijden van zijn werk beter bereikbaar werden. Kleurvlak en lijn worden weer afzonderlijk gehanteerd. In een lyrische stijl, die hij niet meer verlaten zal, verhaalt de schilder van wat hij gezien en meegemaakt heeft. Reizen door Brazilië, Cuba en Mexico resulteren in het opnemen van motieven ontleend aan de volkskunst, de cultuur en de natuur van die landen in zijn schilderijen. Zijn kleurig geschilderde domeinen nodigen uit tot een jubelend feest in de wereld van zijn tuinen. Toegevoegde attributen als palmen, vulkanen, bloemen, insecten of katten vervolmaken de toegankelijkheid en zijn onderdelen van een paradijselijke werkelijkheid die niet ver weg is. De weelderige aarde blijft daarbij een steeds terugkerend motief, maar nu in de vorm van een vrouwenlichaam met daarnaast, of daarboven, de gedaante van een vogel die onweerstaanbaar tot die aarde wordt aangetrokken. 'Mijn bewegingen op het doek worden altijd vogels', zegt Corneille, 'de vogel is het volmaakte beeld van de beweging'. Het is niet alleen maar de beweging, maar het doel is ook de blijdschap om de beweging.

In de jaren zeventig krijgt de figuratie een meer verhalend karakter. Corneille schildert niet zozeer, maar vormt en vult zijn emblemen met kleur. Het werk wordt tekenachtiger, de vormen meer patroonmatig en duidelijk omlijnd. De kleuren brengen de verbindingen.
De seriegrafieën (litho's, zeefdrukken) gaan een belangrijke rol spelen, waarbij vertellingen (fabels, sprookjes) als thema's worden gehanteerd. Ook de dood krijgt een plaats in het werk.

Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig schildert Corneille vooral naar levend model, waarbij de vrouw zijn voornaamste idool wordt. De lichamen van blanke en zwarte modellen worden naturalistischer met zachte rondingen en nu eens met barokke hoofddecoraties, dan weer vlak en egaal afgebeeld, in gesloten vormen en met felle kleuren. Ze zijn gedecoreerd met de primitieve cultuurvormen, door maskers met overwegend geometrische trekken, ontdaan van de expressie, en door beelden uit Afrika.

De werkwijze in zijn gouaches en werken in gemengde techniek van de laatste tien jaar is uitbundiger, spontaan getekend met transparante kleuren, losse toetsen en lukrake arceringen: de opgetogen vrije vogels van een onbeperkte levensvreugde en jeugdige verbeelding. Anders dan vroeger heeft Corneille het reizen als voedsel voor zijn inspiratie minder nodig. Hij heeft een grote verzameling primitieve kunst tot zijn beschikking. In vegelijking met het jeugdwerk waarin het op de realiteit gebaseerde model van de geliefde eveneens vaak werd geportretteerd, is er naast een verschil in uitdrukkingsvaardigheid ook de overeenkomst van een verlangen naar vrijheid met een toenemende en veranderlijke differentiatie.

Corneille maakt dit vrijheidsverlangen voor anderen toegankelijk. Met de voortgaande vereenvoudiging, zowel in het beeldverhaal als in de figuratie, komt hij tegemoet aan een primair gevoel voor kunst, dat niet wordt gedogmatiseerd, maar dat de schepping verheerlijkt. De beelden waartoe de wereld is teruggebracht blijven typisch Corneille, maar zijn nu zo herkenbaar, zo stereotyp, dat ze beantwoorden aan een meer algemeen patroon. Corneille creëert een eigen cultuur, die brede waardering en een grote verspreiding krijgt doordat ze in grafische oplagen, maar ook in reproducties wordt overgenomen op stofontwerpen, balpennen, sieraden, bierblikjes en zelfs op een Corneille-tram.

De verfijnde-stijl en het spaarzame, subtiele kleurgebruik van Corneille sluiten nauw aan op de Franse art-informel ( informele-kunst). Met name zijn schilderijen zijn ruimschoots opgenomen in alle belangrijke museale collecties. Zijn in latere jaren massaal verspreide grafiek brengt ten huize van talloze kunstliefhebbers een blij gevoel, zo wíl Corneille het. Gelijk een tijdloze popster draagt Corneille het maximale bij aan popularisering van het kunstbegrip. Nooit moeilijk-doenerij, verdraagzaam, altijd openstaan met een vriendelijk woord voor allen.

In alle toonaarden en technieken is Corneille's werk uitgevoerd - keramisch, in hout of textiel, op wijnetiketten, kalenders of pennen. In alle gevallen betreft het de ware Corneille met thema's als zon, maan, kat, vissen, vogels, het kind en per definitie de vrouw in alle bekoorlijkheid.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 158.