kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 11-01-2016 voor het laatst bewerkt.

De Ploeg

Groninger kunstenaarsvereniging De Ploeg 1918

Nederlandse kunstenaarsvereniging, opgericht in 1918 als reactie op het artistieke klimaat in de stad Groningen. Bracht vernieuwing teweeg op het gebied van de houtsnede en typografie.

Een aantal jongere kunstenaars was van mening dat de mogelijkheden om te exposeren en zich te ontwikkelen te beperkt waren. Zij hoopten door samenwerking tentoonstellingen te kunnen organiseren van de leden en daarnaast kunstenaars en publiek kennis te laten maken met nieuwste ontwikkelingen op het gebied van beeldende kunst, architectuur, literatuur in de vorm van exposities en lezingen. Tot de initiatiefnemers behoorden Jan Wiegers, Johan Dijkstra, George Martens en Jan Altink.

De weigering om werk van aanstormende talenten als Jan Wiegers, George Martens en Johan Dijkstra op te nemen in de voor die tijd toonaangevende verkoopexpositie van ´Groningsche kunstenaars en amateurs´ van 10 tot 26 maart 1918, georganiseerd door het Kunstlievend Genootschap Pictura op de bovenverdieping van het Groninger Museum, leidde op 5 juni 1918 tot de oprichting van de Groninger Kunstkring De Ploeg. Het was Jan Altink, overigens wel geballoteerd voor de museumtentoonstelling, die in de ongetwijfeld verhitte discussies in café Vogelsang aan de Nieuwe Ebbingestraat 92 in april en mei 1918 de naam van De Ploeg voordroeg. Met het blanke kouter (ploegmes) moest de vette Groninger kunstakker gekeerd worden. En dat gebeurde, met steeds meer verve. Kritiek op de slechte organisatie van het Groninger Museum, toen vooral een oudheidkamer, bij de presentatie van eigentijdse schilderkunst leidde tot energieke tentoonstellingsplannen, gastlezingen, schildersessies, editie van een eigen kunsttijdschrift.

De Groninger kunstenaars vereniging De Ploeg werd op 14 juni 1918 opgericht. De initiatiefnemers waren de Groningse kunstenaars Jan Wiegers en Willem Reinders, samen met Jan Altink, Johan Dijkstra en H. Benes.

In de kunstwereld van Groningen waren belangrijke veranderingen in de beeldende kunst vanaf circa 1906 nauwelijks tot uiting gekomen. De generatie kunstenaars die gedurende de eerste twee decennia van de twintigste eeuw in Groningen de boventoon voerde, inspireerde zich sterk op de verworvenheden van de laat-negentiende eeuwse Nederlandse schilderkunst die tot ontwikkeling was gekomen in Den Haag en Amsterdam. De opvattingen van de schilders van de Haagse School ( Mauve, de gebroeders Maris, Tholen, e.d.), van Israels en in mindere mate van Breitner klinken door in het werk van de in Groningen werkzame kunstenaars Eerelman, De Vries Lam en Bach. Het traditionalisme binnen de Groninger Schilderkunst bood weinig ruimte voor vernieuwende tendensen. Met de komst van De Ploeg zou daar verandering in moeten komen. De kunst werd volgens hun té veel bepaald door de oude tradities van de vorige generatie. Ook een al langer bestaande kunstenaarsvereniging Het kunstlievend genootschap Pictura schonk in zijn tentoonstellingen weliswaar aandacht aan moderne kunst, maar jonge kunstenaars in wier werk een verlangen naar vernieuwing aanwezig was, kregen nauwelijks kansen zich te manifesteren...

De vereniging kende geen inhoudelijk programma: iedereen die zich op ‘serieuze' wijze met kunst bezighield kon lid worden. Vanaf het begin telde De Ploeg dan ook leden die in geheel verschillende richtingen werkzaam waren. Tot de belangrijkste kunstenaars die in die periode lid waren van De Ploeg, behoren: Jan Wiegers, Jan Altink, Johan Dijkstra, Hendrik Werkman, George Martens, Jan Jordens, Jan van der Zee en Job Hansen.

De hoogtepunten van De Ploeg liggen tussen de beide wereldoorlogen in, met name tussen de jaren 1922 tot 1928. In deze jaren zijn door De Ploeg dan ook de belangrijkste publikaties uitgegeven.

Echt bruisen ging het in de jaren 1922-´23. Jan Wiegers die tijdens een kuur in het Zwitserse Davos kennis maakte met de Duitse Brücke-schilder Ernst Ludwig Kirchner, liet het brave Groningen ontvlammen. Dit niet alleen met bonte kleuren op het linnen. Via Ernst Ludwig Kirchner leerde de kunstbent ook de expressieve mogelijkheden van de grafiek, de meest volkse kunst bij uitstek, kennen. In zijn Logboek noteerde Johan Dijkstra: ´Het etsen is een rage geworden, men ropt het zink van de daken, het betonnen balkon krijgt kuilen van het zuur´. `Technisch werd er druk geëxperimenteerd, vooral het handwerk had onze belangstelling. We etsten meest op zink, in koorddikke lijnen, kletsten soms het zoutzuur zo op de plaat. Of we maakten litho´s, zonder pers, uit de hand afgedrukt door er met een tinnen lepel over te wrijven. Veel afdrukken werden er niet gemaakt, ´t ging om de verwezenlijking van je grafische ideeën. Het afdrukken op een prachtige lithopers leek ons haast te volmaakt - de handgedrukte litho was als een kreet van ziel tot ziel. Geen reproductietechniek, maar uitdrukkingsmiddel evenals de houtsnede: met een schoenmakersmes in de volle vuist gekorven, het scherp naar beneden. Een oertechniek.´ Al vroeg trad De Ploeg met zijn grafiek naar buiten. In september 1923 bijvoorbeeld op de expositie Zwart-Wit.

Niet vergeten mag worden dat De Ploegers ook altijd exposeerden in de etalage van kunsthandel en lijstenmaker Sibbele Ongering, zijn gelijknamige kleinzoon doet nog steeds niet anders in zijn pand aan de Oude Kijk in ´t Jatstraat.

Hoewel De Ploeg als vereniging bleef bestaan – en nog steeds bestaat – ligt haar kunsthistorische betekenis in de jaren twintig, toen binnen haar gelederen achtereenvolgens een expressionistische en impressionistische richting tot ontwikkeling kwamen die zich typeerden door een regionale gebondenheid en een internationale artistieke oriëntatie. In de jaren twintig en dertig werden diverse leden beïnvloed door het Duitse expressionisme van Die Brücke.

Expressionisme
Al vrij snel formeerde zich onder aanvoering van Jan Wiegers binnen De Ploeg een groep schilders die inspiratie vond in het expressionisme. Vanaf 1922 drukten zij een nadrukkelijk stempel op alle verenigingsactiviteiten. Daarvoor ontwikkelde zijn stijl zich al in die richting, maar in Zwitserland had Wiegers zich definitief tot het expressionisme bekeerd. Door ziekte genoodzaakt verbleef hij in 1920-1921 in Davos, alwaar hij de voorman van het Duits Expressionisme Ernst Ludwig Kirchner leerde kennen. Diens persoonlijkheid en stijl maakten een beslissende indruk op hem en eenmaal hersteld introduceerde hij een nieuwe richting in Groningen. Op aangeven van hem gaven kunstenaars als Altink, Dijkstra, Werkman en Martens zich over aan experimenten met kleur, wasverf en expressieve vormen van grafiek. Het expressionisme van De Ploeg is terug te voeren op het werk van kunstenaars als Vincent van Gogh, Edvard Munch en Piet van Wijngaerdt, maar vond in dat van Kirchner haar artistieke grammatica De periode waarin het Groninger expressionisme de toon zette binnen De Ploeg duurde uiteindelijk maar kort. Wiegers en Altink matigden omstreeks 1926 hun kleurpalet en Dijkstra keerde zo'n drie jaar later terug tot een meer impressionistische wijze van werken. Werkman, die zich minder nadrukkelijk dan hen had ingelaten met ‘Kirchners' stijl, ontwikkelde een geheel eigen expressionistische schilderkunst, maar zou zich vooral bezighouden met zijn drukkunst. Aanvankelijk met behulp van zijn handpers, later aan de hand van stempel- en sjabloontechnieken vervaardigde hij zijn beroemd geworden druksels, die dan weer figuratief, dan weer abstract waren.

Constructivisme
Een zelfstandige richting binnen de moderne kunst in Groningen was het constructivisme, dat zich vanaf 1923 ontwikkelde in het werk van Wobbe Alkema, Jan van der Zee en in de drukkunst van Hendrik Werkman. Anders dan het expressionisme groeide deze stijl niet uit tot belangrijke richting binnen De Ploeg, omdat Van der Zee uiteindelijk slechts één jaar constructivistisch werkte, Werkman ook in expressionistische richting werkzaam was en de enige constructivist van overtuiging, Alkema, nog geen jaar, van 1924 tot 1925 lid was van De Ploeg. Zijn werk ontstond dan ook vooral buiten het bereik van De Ploeg.

Impressionisme
Onder invloed van Jan Altink ontstond omstreeks 1927 een tweede periode waarin een duidelijk herkenbare richting binnen de vereniging toonaangevend was. Deze was impressionistisch van aard en kenmerkte zich door een uiterst expressieve penseelvoering en een licht en transparant kleurgebruik. De meest opzienbarende resultaten binnen deze richting werden bereikt door Altink en Job Hansen. De laatste ontwikkelde een geheel eigen schilderstechniek, waarbij verdunde olieverf op bijna aquarelachtige wijze werd uitgestreken op geprepareerde paneeltjes. De manier waarop in zijn werk expressiviteit werd meebepaald door het schildersmateriaal wees vooruit naar de experimentele en abstract-expressionistische vormen van kunst die na de tweede Wereldoorlog tot ontwikkeling zouden komen.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 179.

Tweets by kunstbus