kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Deense schilderkunst

In de eerste helft van de 19de eeuw beleefde Denemarken in cultureel opzicht een 'Gouden Eeuw'. Kunstenaars als Rørbye, Købke en Lundbye bepaalden met hun unieke werken het gezicht van de Deense schilderkunst.

De Deense schilders uit de Gouden Eeuw van Denemarken (1800-1850) zijn in hoge mate beïnvloed door de schilders uit de 17de eeuwse Hollandse Gouden Eeuw. Dat is bijzonder, omdat tussen deze twee Gouden Eeuwen bijna 200 jaar ligt.

Het landschap, zo belangrijk in de Nederlandse kunst, speelt ook een grote rol in Denemarken. Bijna letterlijke imitaties van de indrukwekkende landschappen van Ruisdael en Everdingen door Dahl, maar ook subtiele interpretaties van Købke op het werk van van Goyen en verstilde kerkinterieurs van schilders als Saenredam. De paarden van Paulus Potter zien we terug in een prachtig werk van Lundbye, de zeestukken van Van de Velde vinden hun Deense variant in het werk van Eckersberg. Van beroemde en Købke zijn te bewonderen.

Techniek en stijl van Hals is duidelijk terug te vinden in portretten van de hand van Jensen. Twee van de bekendste werken van het Rijksmuseum, Het portret van Abraham Casteleyn en zijn vrouw (De Bray) en De Linnenkast van De Hooch zijn van grote invloed geweest op fantastische familieportretten van de hand van Bendz en Maarstrand.

Nederlanders in Denemarken
De invloed van de Nederlandse schilderkunst op de Deense schilders was mogelijk doordat in Kopenhagen in de eerste helft van de 19de eeuw zich aanzienlijke verzamelingen met Hollandse kunst bevonden. Zo kom men vanaf 1827 in het paleis Christiansborg de koninklijke schilderijenverzameling in een nieuwe opstelling bezichtigen, waar ongeveer 1000 zorgvuldige geselecteerde werken waren tentoongesteld. De helft hiervan was van Hollandse en Vlaamse meesters, voor het merendeel in Holland opgekocht door Gerhard Morell, tussen 1755 en 1765 kunsthandelaar in dienst van het koninklijk huis.
De verzameling van consul Hans West werd weliswaar in 1809 door koning Frederik VI verworven, maar bleef tot 1823 voor publiek geopend op het oorspronkelijke adres in Kopenhagen, als een geïsoleerd onderdeel van de koninklijke collectie. De Kunstgalerij van de koninklijke Kunstkammer bestond al sinds de jaren '60 van de 18de eeuw. Verder was er de verzameling-Moltke, Den Moltkeske Malerisamling, die vanaf 1804 gedurende de rest van de eeuw één dag per week voor publiek te bezichtigen was. De verzameling werd in het midden van de 18de eeuw aangelegd door de vooraanstaande ambtenaar, kunstkenner en koninklijk raadsheer graaf Adam Gottlob Moltke en bevatte zo'n 150 schilderijen. Daarvan was het grootste deel Hollands en van hoge kwaliteit.
Tenslotte maakten de Deense schilders kennis met de oude Hollandse meesters via grafische reproducties van hun werken. Er moeten vele prenten hebben gecirculeerd onder de 19de-eeuwse Deense kunstenaars, die ze van hun reizen meebrachten of in hun eigen vaderland verwierven. Ook uit boedelinventarissen van kunstenaars uit de Deense Gouden Eeuw blijkt dat deze reproducties in grote aantallen door kunstenaars werden verzameld, als hulpmiddel bij hun eigen werk.
Dit is bijvoorbeeld te zien in het portret van De graveur C.E. Sonne van Ditlev Blunck uit 1826. De afbeelding van het zittende, jonge meisje, in de vensterbank achter de werktafel van de kunstenaar, is namelijk een detail van de Zittende jonge vrouw in het kostuum van een boerenmeisje van Gerard ter Borch van omstreeks 1650.

Denen in Nederland
Niet alleen in Kopenhagen kregen de kunstenaars van de Deense Gouden Eeuw de gelegenheid om kennis te maken met de Hollandse meesters van de 17de eeuw. Als zij op hun verplichte studiereis naar Italië vertrokken, waren er tijdens de reis door Duitsland diverse mogelijkheden om de Hollandse schilderkunst te bestuderen. Verschillende Duitse verzamelingen, onder meer in Hamburg, Berlijn en Dresden, waren, net als de Deense koninklijke verzamelingen, in de loop van de 18de eeuw begonnen met de aankoop van 17de-eeuwse Hollandse meesters. Sommige kunstenaars, waaronder Wilhelm Marstrand, Johan Thomas Lundbye en Constantin Hansen, namen zelfs een omweg door Holland, waar ze het Mauritshuis, de collectie Six en uiteraard het Rijksmuseum bezochten.

(...) dit is de rijkste verzameling Nederlanders die ik heb gezien, met paarlen van een zodanige schoonheid dat ze mij altijd in het geheugen zullen blijven, temeer omdat ze de diepste snaren raken in mijn eigen gemoed; hier heb ik, ja een landschap geschapen zoals ons eigen geliefde [landschap], een familieleven zo lieflijk en aanlokkelijk als alleen mijn fantasie het zou kunnen schilderen. Lundbye in zijn dagboek over zijn bezoek aan het Mauritshuis, 4 juni 1846.

De Deense Gouden Eeuw vond plaats in een periode dat ook in de rest van Europa een toenemende belangstelling bestond voor de oude Hollandse meesters. Aanvankelijk waren hun schilderijen naar een lagere plaats in de hiërarchie verdrongen door de opkomst van de klassieke kunsttheorie in de 17de eeuw. Het simpele realisme van alledag en de bijbehorende onderwerpen beantwoordden niet aan de vraag van het classicisme naar verheven onderwerpen uit geschiedenis, bijbel en mythologie. In de loop van de 18de eeuw waren de Hollandse meesters in Europa geleidelijk herontdekt, als een welkom tegenwicht voor de frivole aristocratische rococokunst. Ter Borchs eenvoudige en pretentieloze voorstelling van het bescheiden jonge boerinnetje vormt een goed voorbeeld van het soort Hollandse motieven dat men in de jaren na 1750 - geheel conform de gevoelige en moralistische geest van die tijd - verbond met positieve eigenschappen als eenvoud, eerlijkheid en gevoeligheid. Ook voor de Hollandse landschapschilders bestond grote belangstelling, in het bijzonder voor Jacob van Ruisdael. Al vóór de aanvang van de Romantiek had men oog voor de schilderachtige aspecten van Ruisdaels dramatische landschappen, waarin de nadruk ligt op de karakteristieke verschijningsvormen van de natuur.

Overeenkomsten en verschillen
De belangrijkste overeenkomst tussen de kunst van deze twee gouden eeuwen is, dat zij voortkomt uit een burgerlijke samenleving waarin de nationale identiteit een wezenlijke rol speelde. De tentoonstelling bevat dan ook talloze voorbeelden van de manier waarop de burgerlijke idealen en het nationale zelfbewustzijn, die in de kunst van de twee perioden worden weerspiegeld, overeenkomen, zowel in het streven naar een zelfstandige, nationale landschapschilderkunst, als in de pogingen om binnen de familie- en genrestukken het burgerlijke kerngezin en de deugden van het huiselijke leven te verheerlijken.

Verschillende Denen lijken zich bewust te zijn geweest van deze overeenkomsten met de Hollandse burgers van 200 jaar daarvoor, en tevens van de mogelijkheid om de Hollandse kunst model te laten staan voor de artistieke weergave van hun eigen land en burgerij. Met betrekking tot democratie en economie waren er echter opvallende verschillen tussen de burgerlijke samenlevingen van de twee gouden eeuwen. De Deense samenleving in de eerste helft van de 19de eeuw bestond niet uit vrije burgers, zoals in het Holland van de 17de eeuw. Ondanks het absolutisme, dat in Denemarken heerste tot aan de vestiging van de democratie in 1849, was de Deense burgerij gedurende deze periode toch tamelijk invloedrijk, dankzij de vele posten die zij bezette binnen het Deense staatsapparaat en het wetenschappelijke en culturele leven. De economische bloei die de nieuwe Hollandse Republiek in de 17de eeuw beleefde, beantwoordt evenmin aan de situatie in Denemarken in de periode 1800-1850. In 1807 verloor Denemarken zijn vloot in de strijd tegen de Engelsen, een onderdeel van de Napoleontische Oorlogen. En na het Deense staatsbankroet van 1813 en het verlies van Noorwegen in 1814 kon de dichter Poul Martin Møller in zijn gedicht Reeds bloeit de roos in Dana's tuin terecht schrijven: Denemarken is een klein, arm land.

Bron: www.codart.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1698.