kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 17-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Dirck Jacobsz

Dirck Jacobsz was een zoon van de schilder Jacob Cornelisz. van Oostsanen. Zijn geboorteplaats is niet bekend. Wel is zeker dat hij zijn kinderjaren doorbracht in Amsterdam. Dirck leerde het schildersvak van zijn vader. Tijdens die leerperiode ontmoette hij Jan van Scorel met wie hij de rest van zijn leven bevriend bleef. Dirck was een van de eerste Nederlandse schilders die zich vrijwel volledig toelegde op het schilderen van portretten. In 1529 vervaardigde Dirck een groepsportret, een vroeg voorbeeld van het typisch Nederlandse schuttersstuk. Dirck voorzag zijn portretten vaak van symbolische elementen als zandlopers en schedels, verwijzingen naar de vergankelijkheid van het leven.

52, Olieverf op paneel, 122 x 184; luiken 120 x 78 cm
Het eerste schuttersstuk dat ooit werd gemaakt bevindt zich in het Rijksmuseum. In 1529 schilderde Dirck Jacobsz een rot (afdeling) van de Amsterdamse Kloveniers. Een rot bestond uit 17 schutters. Jacobsz stelde hen in twee rijen op, gescheiden door een balustrade. De belangrijkste figuren, kapitein en luitenant, staan iets groter op de voorgrond tussen de oudere schutters. Omstreeks 1552 voegde Jacobsz twee zijpanelen toe aan zijn schilderij. Daarop is de volgende generatie van hetzelfde rot te zien. Op de zijpanelen zijn slechts 14 schutters afgebeeld. Misschien waren de drie schutters die ontbreken nog van de oude lichting. Dan waren zij al op het middenpaneel te zien en hoefden zich niet meer te laten portretteren.
De schutters dragen hun traditionele uniform, tabbaard en muts. Speldjes op hun mouw - kleine geweertjes - laten zien dat het Kloveniers zijn, schutters die schoten met vuurwapens. De mannen op de zijluiken dragen ook voorname bontkragen. Ondanks de strakke opstelling maken de handgebaren van de schutters de panelen zeer levendig. Op het middendeel wijzen twee van hen naar de kapitein. Hij maakt een soort bevelend gebaar dat op latere schuttersstukken vaak is nagevolgd. Ook de kapitein van de volgende generatie, middenonder op het rechter paneel, maakt zo'n gebaar. De meeste schutters op de zijpanelen hebben iets in hun hand. Dat maakt de compositie nog afwisselender.

Portret van Pompeius Occo (1483-1537), 1531, Olieverf op paneel, 66 x 54 cm
De zelfbewuste heer met bontkraag is Pompeius Occo, een schatrijke Amsterdamse koopman, op 48-jarige leeftijd. In de boom hangt een schild met het wapen van de familie Occo: een gouden adelaar met rode bek en klauwen. Occo, die afkomstig was uit Duitsland, vestigde zich omstreeks 1510 in Amsterdam. Daar behartigde hij de belangen van het Duitse bankiers-en handelshuis Fugger. Zijn internationale contacten en zijn rijkdom verschaften Occo veel invloed. Hij verstrekte bijvoorbeeld leningen aan de landvoogdes van de Nederlanden, Margaretha van Parma (1522-1586), en aan de stad Amsterdam. Occo was ook een ontwikkeld man. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek met kostbare handschriften. Dirck Jacobsz schilderde hem in 1531.
Occo is gekleed volgens de laatste mode: een zwarte paltrok - Een paltrok (van het oude franse woord 'paletoc', dat 'lap' betekent) is een overkleed tot halverwege het bovenbeen. De hals is open, en in het gewaad zijn veel splitten aangebracht zodat het hemd eronder zichtbaar wordt. Rond het middel wordt de paltrok ingesnoerd. Daardoor ontstaat een klein, wijduitstaand schootje. De mouwen van de paltrok werden er los aangezet, met linten. Een paltrok werd gedragen door mannen van de 14de tot en met de 16de eeuw. Soms wordt een paltrok ook kortweg 'rok' genoemd - met daaronder een wit, geborduurd hemd. Over zijn kleding draagt hij een tabbaard - Een tabbaard is een lange mantel. In de 16de eeuw droegen mannen over hun kleding een knielange tabbaard, vaak afgezet met bontranden. Vrouwen droegen in die tijd een lang gewaad met een wijd uitlopende rok dat ook tabbaard genoemd werd. Later werd het woord 'tabbaard' meer algemeen gebruikt voor alle lange, wijde gewaden, zoals de mantel van Sinterklaas - met een kraag van luipaardbont, en op zijn hoofd een bonnet - Een bonnet is een kap of muts van zachte stof. Mannen van aanzien droegen in de 16de eeuw een bonnet als hoofddeksel. In de 17de eeuw kwam de zwierige hoed, met brede rand en pluim, in de mode. De bonnet raakte in onbruik, behalve voor katholieke geestelijken. Tot ver in de 20ste eeuw droegen pastoors door de week een drie- of vierpuntige bonnet. Jacobsz schilderde Occo's gezicht vrij 'glad'; behalve de wallen onder zijn ogen is de huid vlak en eentonig. De handen zijn daarentegen heel expressief weergegeven, vol rimpels en plooien. Veel aandacht besteedde de kunstenaar aan het kostbare luipaardvel. Hier en daar bracht hij lichtpuntjes aan, zodat het bont lijkt te glanzen. Hetzelfde deed hij met de mouw van de mantel. Ook het marmer van de balustrade is bedrieglijk echt weergegeven.
Dirck Jacobsz portretteerde Occo tegen de achtergrond van een on-Hollands, bergachtig landschap. In de verte ligt een stad. Landschap en stad zijn ontsproten aan Jacobsz' fantasie; hij is nooit buiten Nederland geweest. Maar hij kende wel het werk van Jan van Scorel, die lange tijd in Italiƫ
gewoond en gewerkt had. Zijn manier van schilderen diende Jacobsz tot voorbeeld. Occo bevindt zich hoog boven het landschap dat zich achter hem uitstrekt, net als de Maria Magdalena van Jan van Scorel.
Uit het portret spreekt een opmerkelijk zelfbewustzijn. Een tijdgenoot schreef dan ook over Occo: 'Hij is rijker dan een satraap (een Perzische vorst) en bovenmate trots'. Maar Occo verloor de betrekkelijkheid van het aardse bestaan niet uit het oog: de schedel en de anjer die hij zo nadrukkelijk toont, verwijzen naar vergankelijkheid en wederopstanding.
Dat een koopman als Occo zich zo liet portretteren was iets nieuws. Tot kort hiervoor werden burgers vrijwel alleen vereeuwigd op altaarstukken. Zo had Occo zich nog in 1515 door de vader van Dirck Jacobsz, Jacob Cornelisz. van Oostsanen laten afbeelden op een drieluik dat hij aan een kerk schonk (nu in Antwerpen, Museum voor Schone Kunsten). Omstreeks 1529 schilderden Jan van Scorel en Maarten van Heemskerck in Haarlem de eerste portretten die bestemd waren voor het woonhuis of het kantoor van burgers. Jacobsz was, met zijn portret van Occo, de eerste Amsterdamse kunstenaar die aansloot bij deze ontwikkeling.

Website: www.rijksmuseum.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 164.