kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 16-10-2008 voor het laatst bewerkt.

Erich Heckel

Duits expressionistisch schilder, tekenaar en graficus, geboren 31.07.1883 te Döbeln in Saksen - overleden 27.01.1970 Radolfzell.

Heckel studeerde eerst architectuur te Dresden en legde zich pas later toe op de schilderkunst, mede onder invloed van Kirchner en Schmidt-Rottluff, met wie hij in 1905 de avant-gardistische groep die Brücke stichtte. Hij werkte in de eerste jaren vooral met Kirchner en Bleyl samen. Zij deelden een atelier en schilderden dezelfde modellen. Tijdens Wereldoorlog I was hij als vrijwillig Rode-Kruissoldaat in Vlaanderen gelegerd, waar hij James Ensor ontmoette. Zijn houtsneden en lithografieën uit die tijd zijn zeer sterk beïnvloed door de afschuw die hij voelde voor de oorlog. In 1937 werd zijn kunst entartet verklaard en de meeste van zijn werken vernietigd. Van 1949-55 doceerde hij aan de kunstacademie te Karlsruhe, waaraan hij ook zijn nalatenschap vermaakt heeft. (Summa)

Heckels schilderwerk uit zijn Brücketijd tot 1913 laat zich alleen nog maar onder voorbehoud beoordelen. Te veel van de toen ontstane werken hebben de terreur van de nazistische beeldenstorm en een vliegtuigbom die zijn atelier in 1944 trof, niet overleefd. Van de bijna 400 schilderijen die zijn catalogus tussen 1905 en 1913 vermeldt, is meer dan de helft vernietigd of verdwenen. (exp 48)

Biografie
1901 Sluit vriendschap met Schmidt-Rottluff.

Heckel volgde tot 1904 een bouwkundestudie aan de Saksische Technische Hogeschool in Dresden.

Hij koos voor de schilderkunst nadat hij in aanraking was gekomen met Kirchner. In het vroege werk van Heckel is duidelijk de invloed van Vincent van Gogh en Paul Gauguin merkbaar.

1905 Die Brücke
Samen met de kunstenaars Bleyl, Kirchner en Schmidt-Rottluff richtte hij op 7 juli 1905 de kunstenaarsgroep Die Brücke op. Ze huren een voormalige slagerij als atelier. Hij werkte in de eerste jaren vooral met Kirchner en Bleyl samen. Zij deelden het atelier en schilderden dezelfde modellen.

Terwijl op dat moment elders in Europa het Fauvisme - de Franse vorm van het Expressionisme - en het Kubisme hun intrede deden, verenigde zich in 1905 in Dresden een groepje jonge, autodidactische kunstenaars onder de naam Die Brücke. In hun manier van werken haalden ze inspiratie uit primitieve culturen en werden ze beïnvloed door onder meer Gauguin, Munch en Van Gogh. Deze laatste wordt wel beschouwd als de stamvader van het Expressionisme en was voor 1914 al een grote naam in Duitsland.
Hoewel het vroege werk van de Brücke-kunstenaars een zeker optimisme uitstraalt, neigden zij later meer naar de donkere zijde van de menselijke psyche. De werken kenmerken zich door felle, contrasterende kleuren, vaste contouren en eenvoudige vormen. Tekenen speelde een belangrijke rol: door middel van snelle, expressieve schetsen probeerden zij de essentie van hun onderwerpen vast te leggen. Maar vooral de houtsnede was een geschikte techniek om de rauwheid van het bestaan op een ruwe en brutale wijze vorm te geven. Daarbij gingen de kunstenaars provocerende onderwerpen niet uit de weg.

De vroege olieverfschilderijen van Heckel hebben die dikke, impressionistische verflaag die voor elke Brückeschilder karakteristiek is. Heckel gebruikt hier nog onverdunde verven en brengt die in korte penseelstreken aan. Zijn eerste werken schilderde hij nog op karton, pas later, in 1907, gaat hij over op linnen. De verf wordt nu royaal aangebracht en de tinten staan zo naast elkaar, dat de ondergrond steeds zichtbaar blijft. Daarmee benadrukt Heckel al de uitdrukkingswaarde van de aparte kleuren en streeft er - anders dan de impressionisten - niet naar de illusie te wekken dat de kleuren in elkaar overlopen. Zo lijkt het geheel een trillende beweging te maken. Opvallend is vooral ook de lucht, die in ritmische streken is verbeeld. Toen Heckel in de volgende jaren het werk van Van Gogh leerde kennen, kon hij zich gesterkt voelen in zijn inspanningen.

In 1907 gaf Heckel zijn baan bij het architectenbureau van Wilhelm Kreis op.

Hij reisde in de herfst met Schmidt-Rottluff naar Dangast, Dangaster Moor, om daar te schilderen. De steenbakkerij ontstond tijdens dit verblijf en geldt als een sleutelwerk. Hij verstevigt de tot dan toe luchtige impressionistische penseelvoering en zet de kleuren zo meer in vlakken bijeen. De contrastwerking tussen de kleuren krijgt hier voor hem al een centrale betekenis.

Tot 1908 schilderde Heckel voornamelijk landschappen, vaak afgelegen boerderijen in de omgeving van Dangast, waar hij zich tot 1910 jaarlijks enige tijd terugtrok om te schilderen. Aan de hand van zijn landschappen is derhalve ook bijzonder duidelijk zijn ontwikkeling tot aan het expressionisme en tot zijn karakteristieke collectieve Brückestijl te volgen.

Italië
Heckel maakte in 1909 een reis naar Italië, waar hij onder meer de steden Florence, Padua, Rome, Venetië en Verona bezocht. Tussen 1909 en 1911 werden de zomers door Heckel doorgebracht in Moritzburg met de kunstschilder Kirchner.

Houtsneden
Heckel is vooral bekend door zijn vele houtsneden, waarvoor soms zijn schilderijen als startpunt dienden. De houtsneden van Heckel zijn lyrischer en rustiger dan die van Kirchner, nooit nerveus getekend en toch zeer spontaan. de door het medium bepaalde archaisch-primitieve vormopvatting en hard tegen elkaar gezette vlakken verhogen de expressiviteit in zijn werk.

Heckel verandert zijn vroege Brucke-stijl, waarbij de vloeiende lijnen, de afgeronde contouren en de enigszins decoratieve ritmische elementen plaatsmaken voor een gereduceerde beeldtaal in de stijl van de houtsnede.

Duidelijk treden de stilistische verschillen met vorig werk naar voren. De Brückeschilders streefden ernaar, hun indrukken zo direct mogelijk en met snel neergezette penseelstreken vast te leggen. Heckel heeft dan ook uitvoerig geëxperimenteerd met verschillende verdunners, waaronder benzine, om het weerbarstige materiaal uit de tube soepeler te maken. Pas nu krijgt hij echter de vlakken die hij hebben wil en weet hij de verf zo op te brengen dat de uitdrukkingskracht van pure kleurnuances benadrukt wordt. Daarbij maakt hij weer gebruik van het contrast tussen de complementaire kleuren rood en groen, zodat deze elkaar in hun helderheid versterken.

Hun opstand en afkeer van de traditionele, aan de academies onderwezen schilderkunst hield voor de Brückekunstenaars ook een afwijzing in van het perspectief. Natuurlijk neemt de kijker, geconditioneerd door zijn kijkervaring, een perspectivische rangschikking van de elementen waar, alleen omdat hij weet, dat een door een ander voorwerp bedekte vorm zich nu eenmaal op de achtergrond bevindt. Door de manier waarop hij de verf aanbrengt, lukt het Heckel echter om de traditionele manier van kijken zoveel mogelijk tegen te werken; Maar daarmee maakt hij tegelijkertijd de kleuren los van de voorwerpen en benadrukt hij hun eigen waarde.

1911 Berlijn
In 1911 verhuisde Erich Heckel met andere Brückeleden naar Berlijn, waar hij vriendschap sloot met Marc en Feininger. Na zijn verhuizing naar Berlijn verwerkte hij kubistische elementen in zijn werk en werd het landschap zijn voornaamste thema.

Heckel is een natuurmens en daarom reist hij ‘s zomers naar het eiland Fehmarn of de golf van Flensburg, waar hij een groot aantal strandgezichten met badenden schildert. Hij is gefascineerd door het samengaan van mens en natuur. De rusteloze zeespiegel vindt een tegenwicht in de opstelling van de vrouwelijke naakten. Vrouwen, land en zee zijn geheel in de toonaard blauw-oranje gehouden. Het met hoekige rotsblokken bedekte, tot één reusachtige golf geplooide strand herhaalt het turbulente zeeoppervlak, dat pas aan de horizon tot rust komt. De vrouwenfiguren hebben groene omtrekken; de landschappelijke elementen rode. Voor Heckel betekent expressie geen tomeloze beweging, maar zich inleven in het ritme van de natuur en het menselijk lot.

Het verlangen zich terug te trekken in een idyllische omgeving was voor Heckel, de gevoeligste en meest melancholische van de Brucke-leden, groot. Het idee van een op de christelijke ethiek berustend, herderlijk lijden werd onder invloed van Fjodor Dostojevski tot extatische hoogten opgezweept en zou een van de belangrijkste kenmerken van de expressionistische literatuur en kunst worden; de beeldtaal van Heckel was de duidelijkste uitdrukking van dit idee.

In 1913 werd de kunstenaarsgroep Die Brücke opgeheven. In dat jaar werd tevens de eerste solo-expositie van Erich Heckel georganiseerd bij Galerie Gurlitt in Berlijn.

1914 neemt deel aan de tentoonstelling van de Werkbund in Keulen.

Wereldoorlog I
Tijdens de Eerste Wereldoorlog meldde Erich Heckel zich vrijwillig als hospitaalsoldaat in Vlaanderen gelegerd, waar hij James Ensor en Beckmannontmoette. Zijn houtsneden en lithografieën uit die tijd zijn zeer sterk beïnvloed door de afschuw die hij voelde voor de oorlog.

Hij huwde met Milda Frieda Georgi in 1915.

Na de oorlog vestigde de kunstenaar zich in 1918 weer in Berlijn. Hij brengt de zomers in Osterholz door.

1929 Reizen door de Provence, de Pyreneeen, Spanje en de Aquitaine.

In 1937 werd zijn werk als ontaard aangemerkt, waardoor 729 van zijn werken in beslag werden genomen.

Wereldoorlog II
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd zijn atelier in Berlijn vernietigd tijdens een bombardement. Erich Heckel verhuisde naar Hemmenhofen aan het Bodenmeer.

Heckels schilderwerk uit zijn Brücketijd tot 1913 laat zich alleen nog maar onder voorbehoud beoordelen. Te veel van de toen ontstane werken hebben de terreur van de nazistische beeldenstorm en de vliegtuigbom die zijn atelier in 1944 trof, niet overleefd. Van de bijna 400 schilderijen die zijn catalogus tussen 1905 en 1913 vermeldt, is meer dan de helft vernietigd of verdwenen.

Van 1949 tot 1955 werkte Erich Heckel als docent aan de kunstacademie van Karlsruhe, waaraan hij ook zijn nalatenschap vermaakt heeft.

Na de wereldoorlog werd het landschap zijn voornaamste thema.

Erich Heckel overleed in 1970 Hemmenhofen (Radolfzell) aan het Bodenmeer.

Werken:
. De haven van Göteborg,

. De steenbakkerij (Dangast), 1907, olieverf op linnen, 68x86, Castagnola, verzameling Thyssen-Bornemisza
Ook de vroege olieverfschilderijen van Heckel hebben die dikke, impressionistische verflaag die voor elke Brückeschilder karakteristiek is. Heckel gebruikt hier nog onverdunde verven en brengt die in korte penseelstreken aan. Zijn eerste werken schilderde hij nog op karton, pas later, in 1907, gaat hij over op linnen. De verf wordt nu royaal aangebracht en de tinten staan zo naast elkaar, dat de ondergrond steeds zichtbaar blijft. Daarmee benadrukt Heckel al de uitdrukkingswaarde van de aparte kleuren en streeft er - anders dan de impressionisten - niet naar de illusie te wekken dat de kleuren in elkaar overlopen. Zo lijkt het geheel een trillende beweging te maken. Opvallend is vooral ook de lucht, die in ritmische streken is verbeeld. Toen Heckel in de volgende jaren het werk van Van Gogh leerde kennen, kon hij zich gesterkt voelen in zijn inspanningen.
In 1907 gaf Heckel zijn baan op en reisde in de herfst met Schmidt-Rottluff naar Dangast om daar te schilderen. De steenbakkerij ontstond tijdens dit verblijf en geldt als een sleutelwerk. Hij verstevigt de tot dan toe luchtige impressionistische penseelvoering en zet de kleuren zo meer in vlakken bijeen. De contrastwerking tussen de kleuren krijgt hier voor hem al een centrale betekenis. Het motief wordt beheerst door het sterke contrast tussen de rode pannendaken en de groene wei op de voorgrond. (exp 49)

. Rode huizen, 1908, olieverf op linnen, 66x80, Bielefeld, Kunsthalle der Stadt Bielefeld
Tot 1908 schilderde Heckel voornamelijk landschappen, vaak afgelegen boerderijen in de omgeving van Dangast, waar hij zich tot 1910 jaarlijks enige tijd terugtrok om te schilderen. Aan de hand van zijn landschappen is derhalve ook bijzonder duidelijk zijn ontwikkeling tot aan het expressionisme en tot zijn karakteristieke collectieve Brückestijl te volgen. Heckel heeft hier dit laatste stadium bereikt. Het is een mooi voorbeeld, omdat het in motief en kleurstelling lijkt op De steenbakkerij van het jaar daarvoor. Des te duidelijker treden echter ook de stilistische verschillen naar voren. De Brückeschilders streefden ernaar, hun indrukken zo direct mogelijk en met snel neergezette penseelstreken vast te leggen. Heckel heeft dan ook uitvoerig geëxperimenteerd met verschillende verdunners, waaronder benzine, om het weerbarstige materiaal uit de tube soepeler te maken. Pas nu krijgt hij echter de vlakken die hij hebben wil en weet hij de verf zo op te brengen dat de uitdrukkingskracht van pure kleurnuances benadrukt wordt. Daarbij maakt hij weer gebruik van het contrast tussen de complementaire kleuren rood en groen, zodat deze elkaar in hun helderheid versterken.
In Rode huizen voert een weggetje van voor aan de rand van het schilderij door het groene weiland naar een uit meerdere gebouwen bestaande hoeve. Deze hoeve strekt zich, als een rode band, horizontaal over de hele breedte van het doek uit. Achter de hoeve verrijzen dichte hoge bomen, zodat de hemel slechts langs de bovenrand als een blauw vlak zichtbaar wordt. Alleen in details - zoals bij het raam op het gebouw rechts - herkennen we nog duidelijk Heckels haastige penseelvoering. Verder zijn de kleuren in grote vlakken bij elkaar gezet, die alleen schetsmatig en niet eens volledig door zwarte contourlijnen van elkaar gescheiden worden.
Hun opstand en afkeer van de traditionele, aan de academies onderwezen schilderkunst hield voor de Brückekunstenaars ook een afwijzing in van het perspectief. Natuurlijk neemt de kijker, geconditioneerd door zijn kijkervaring, ook in dit werk een perspectivische rangschikking van de elementen waar, alleen omdat hij weet, dat een door een ander voorwerp bedekte vorm zich nu eenmaal op de achtergrond bevindt. Door de manier waarop hij de verf aanbrengt, lukt het Heckel echter om de traditionele manier van kijken zoveel mogelijk tegen te werken; Maar daarmee maakt hij tegelijkertijd de kleuren los van de voorwerpen en benadrukt hij hun eigen waarde. Hetzelfde geldt voor de twee jaar later ontstane compositie Saksisch dorp. (exp 49-52)

. Baders in het riet, 1909, olieverf op linnen, 71x81, Düsseldorf, Kunstmuseum Düsseldorf
Niet de straat, maar de mens is naast het landschap het tweede grote thema van Heckel. In zijn Dresdener jaren tot 1910 schildert hij bijna uitsluitend naakten, meestal in zijn atelier, maar ook een aantal in de vrije natuur in de omgeving van de Moritzburgse vijvers. Baders in het riet is daar een uitstekend voorbeeld van. Op de voorgrond zien we een groep naakte in hun bewegingen op elkaar afgestemde figuren. Eén man staat afzijdig. Helemaal links richt hij zich frontaal tot de kijker. Maar niet alleen ruimtelijk, ook door de rode kleurschakering van zijn lichaam plaatst heckel deze persoon tegen de actieve centrale figuurgroep. Die centrale groep wordt daarenboven als door een ondoordringbare wand door het groen van het riet ingesloten. De penseelvoering van Heckel is hier nog sterker dan in de vroegere landschappen, bepaald door een snelle bewegende toets, die alle vormen oppervlakkig neerzet. Vooral bij de figuren is dat zichtbaar: zij zijn alleen door hun contour, die gewoon dichtgeschilderd is, gekarakteriseerd, net zoals de gezichten. Daardoor tonen de figuren geen individualiteit, maar de boodschap komt klaarder en ondubbelzinnig over: een poging ondernemen om mens en natuur weer met mekaar te verzoenen en in harmonie te plaatsen, trouwens één van de doelstellingen van de hele Brückegroep.
Niettemin zijn een aantal figuren te identificeren. Heckel was zomer 1909 bij de Moritzburgse vijvers samen met Kirchner en verschillende modellen. Behalve de vier modellen :moeten hier dus ook de beide kunstenaars afgebeeld zijn. De centrale figuur tussen vier vrouwen is Kirchner, te oordelen aan het smalle gezicht. Heckel heeft zichzelf dus geschilderd als de afzijdige persoon. Hij richt zich tot de kijker en neemt de functie waar van contactpersoon tussen toeschouwer en schilderij, een gewoonte die uit de klassieke schilderkunst stamt.(exp 54)

. Windmolen bij Dangast, 1909, olieverf op linnen, 71x81, Duisburg, Wilhelm Lehmbruckmuseum

. Fränzi met pop, 1910, olieverf op doek, 65x70, New York, privé-verzameling
Massieve vlakken in ongemengde kleuren, scherpe contouren, hoekige vormen: dit zijn de kenmerken van de vroege werken van deze kunstenaar uit de Brücke-groep. Hij deelde aanvankelijk een datelier met Kirchner en Bleyl. Zij schilderden dan ook dezelfde modellen. Daarom heeft Kirchner ook het weesmeisje Fränzi meermaals geschilderd.

. Saksisch dorp, 1910, olieverf op linnen, 70x82, Wuppertal, Von der Heydtmuseum

. Stadsspoor in Berlijn tussen Gleisdreieck en het Görlitzer Bahnhof, 1911, olieverf op linnen, 61x77, Möndchengladbach, Städtisches Museum Abteiberg
Eén van de zeldzame stadslandschappen van Heckel, ontstaan in 1911, vermoedelijk onmiddellijk na zijn verhuis in de herfst van dit jaar naar Berlijn. Hij nam daar in Berlin-Steglitz het atelier van Mueller over. Het shcilderij is het tegenbeeld van de harmonische natuurlandschappen ut Dangast. Het werk toont aan beide zijden van de straat hoge huizenblokken met meerdere etages die in de diepte samenkomen. Het verdwijnpunt verschuilt zich echter achter een voor de huizen lopende spporweg. In plaats van de schetsmatige kleurenvlakken van zijn landschappen bouwt heckel hier de compositie op uit compacte geometrische blokken met brede zwarte contouren. De mens is klein in vergelijking met de overheersende bouwsels achter hem. Dit werk wordt, net zoals Rode huizen uit 1908, door een tweeklank van kleur gedomineerd, maar het vrolijke groen en rood uit 1908 is vervangen door het onwerkelijke en dreigende contrast van de geelbruine hemel – een kleur die zich herhaalt in de gevels van de huizen – met de donkerblauwe straatstenen. (exp 54)

. Gezicht op Stralsund, 1912, houtsnede, 31x36, Bremen, Kunsthalle
De houtsneden van Heckel zijn lyrischer en rustiger dan die van Kirchner, nooit nerveus getekend en toch zeer spontaan. De meest voorkomende thema's in zijn werk zijn landschappen, naakten en interieurs met figuren. (exp 154)

. Tafereel aan zee (badende vrouwen), 1912, olieverf op linnen, 96x121, Wuppertal, Von der Heydtmuseum

. De glazen dag, 1913, olieverf op linnen, 138x114, München, Staatsgalerie Moderner Kunst
Heckel verhuist in 1911 naar Berlijn, wat nieuwe indrukken en contacten met zich meebracht. Hij kreeg in die periode ook geleidelijk aan publieke erkenning, wat leidde tot zijn eerste solotentoonstelling (1913 in Galerie Gurlitt). Vrouwennaakten in landschap of atelier bleef echter een centraal thema in zijn werk, maar er komt een verandering in de toon van zijn werk. De vrolijke en kleurvolle baderschilderijen veranderen en De glazen dag is daarin zeer belangrijk. Het gaat hier wel degelijk om een badend naakt, maar toont toch de veranderingen van Heckel. Het werk toont geen eenvormig perspectief of beweging (het is expressionistisch), maar toch is de kennis en invloed van kubisme en futurisme, van wie Heckel het werk in Berlijn gezien had, niet te ontkennen.
Het werk is geschilderd met verdunde olieverf. De zachte decoratieve lijnen die tot dan alle vormen ingesloten hielden, hebben plaats geruimd voor hoekig neergezette strepen die het geheel aaneenrijgen, dat uit in elkaar verankerde; kristallijnen vormen bestaat. De blauwe, heldere kleuren van water en hemel domineren de hele voorstelling en lijken ook alle andere beeldelementen, het vrouwelijk naakt op de voorgrond en de steile k,ust op de achtergrond, te doordringen. Met de ijzige vrieskleuren, de kristallisering van de vormelijke aspecten en het thema van de weerspiegeling, waarnaar ook de titel verwijst, maakt Heckel zich los van de kleur als drager van de expressie en slaagt hij erin een voorstelling te geven van licht en van een immateriële, de kleurvlakken doordringende ruimte. De glazen dag ontstaat in 1913 en het is bepaald niet zonder toeval, dat deze thematische verandering van zijn werk zich in hetzelfde jaar voltrok waarin ook Die Brücke definitief werd ontbonden. (exp 57)

. Kristalheldere dag, 1913, olieverf op doek, 138x114, München, Bayerische Staatsgemäldesammlungen, Staatsgalerie Moderner Kunst
. Twee mannen aan tafel, 1913, houtsnede, 24x26, Bremen, Kunsthalle
. Bomen bij een weg, 1914, houtsnede, 36x36, Bremen, Kunsthalle

. Baadsters, 1914, olieverf op doek, 83x97, Bonn, Städtische Kunstsammlungen
In 1911 vertoeft Heckel met andere Brückeleden in Berlijn. Maar hij is een natuurmens en daarom reist hij ‘s zomers naar het eiland Fehmarn of de golf van Flensburg, waar hij een groot aantal strandgezichten met badenden schildert. Hij is gefascineerd door het samengaan van mens en natuur. De rusteloze zeespiegel vindt een tegenwicht in de opstelling van de vrouwelijke naakten. Vrouwen, land en zee zijn geheel in de toonaard blauw-oranje gehouden. Het met hoekige rotsblokken bedekte, tot één reusachtige golf geplooide strand herhaalt het turbulente zeeoppervlak, dat pas aan de horizon tot rust komt. De vrouwenfiguren hebben groene omtrekken; de landschappelijke elementen rode. Voor Heckel betekent expressie geen tomeloze beweging, maar zich inleven in het ritme van de natuur en het menselijk lot. (Leinz 25)

. Sacramentsdag in Brugge, 1914, olieverf op linnen, 94x82, Mühlheim a.d. Ruhr, Städtisches Museum

. Vlaamse vlakte, 1916, olieverf op linnen, 83x96, Mönchengladbach, Städtisches Museum Abteiberg
In 1914 meldde Heckel zich vrijwillig als soldaat. Hij kwam onder bevel van de kunsthistoricus Walter Kaesbach, die in zijn eenheid jonge kunstenaars verzamelde, en zo kon hij ook in de oorlogsjaren doorgaan met schilderen. Naast portretten van vrienden-soldaten en enkele taferelen van het soldatenleven, maakte hij vooral gezichten van het Vlaamse platteland. Het licht lijkt het eigenlijke thema van dit werk te zijn, maar de orfistische exprerimenten van Delaunay bleven hem onbekend. Onbestemd, uit een niet te situeren bron stroomt en doordringt het licht het vaak prismatisch gebroken motief. Van dood en vernietiging van de slagvelden is bij Heckel niets te bekennen. Zijn Vlaamse taferelen zijn als uit een tegengestelde wereld in vergelijking met de verschrikkingen van het dagelijkse soldatenbestaan. Het licht doorspoelt deze landschappen als de schijn van de hoop op een vriendelijker wereld, een indruk die ook afstraalt van zijn landschap met binnenmeer, badend in het felle licht van de voorjaarszon. (exp 58)

. Zelfportret, 1917, houtsnede, 37x30, Bremen, Kunsthalle
. Landschap in de lente, 1918, houtsnede in Das Kunstblatt, februari 1918, Amsterdam, Bibliotheek van het Rijksmuseum
. Voorjaar, 1918, tempera op linnen, 91x93, Berlijn, Nationalgalerie SMPK
. Mannenportret (zelfportret), 1919, houtsnede, 46x33, privé-verzameling
. Mannenportret (zelfportret), 1919, kleurenhoutsnede, 46x33, privé-verzameling


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2010.