kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Etruskische kunst

Etruskische Kunst (7de-1ste eeuw v.C.)

Ontstaan in Italië in het gebied tussen de Arno en de Tiber, de Apennijnen en de Tyrrheense Zee.

Voortbrengselen van Etrurische kunst zijn ook gevonden in de Povlakte en ten zuiden van de Tiber, in Latium en Campania, gebieden die lange tijd door Etruriërs beheerst werden.

In de 7de eeuw had de Etrurische kunst evenals de gelijktijdige Griekse kunst een sterk oosters karakter. In de 6de eeuw, de archaïsche periode en die van de grootste bloei, zijn er vooral Peloponnesische en Ionische invloeden, in de 5de eeuw Attische. De Etruriërs kwamen in contact met de Griekse kunst, gedeeltelijk via de Griekse kolonies in Zuid-Italië, gedeeltelijk ook rechtstreeks, o.m. door de import van Grieks vaatwerk. Als de Etruriërs na de slag bij Cumae (474) hun macht ter zee kwijtgeraakt zijn en als zij ook te land verschillende nederlagen gaan lijden, breekt er een tijd van geringe artistieke creativiteit aan. In de tweede helft van de 4de eeuw begint een periode van wederopbloei met hellenistische invloeden. In de 1ste eeuw v.C. gaat de Etrurische kunst over in de Romeinse, waarvan zij voor een groot gedeelte het karakter bepaalt.

De Etrurische kunst toont een grote verscheidenheid. Er zijn verschillen tussen noord en zuid en de voortbrengselen van de verschillende steden (o.a. Caere, Tarquinia, Veii, Volterra, Chiusi) hebben vaak een geheel eigen karakter. Ondanks dit kan men toch wijzen op enkele gemeenschappelijke kenmerken van de Etrurische kunstenaars:
de zin voor het fantastische
de voorkeur voor het expressieve en het individuele.
de grote belangstelling voor het portret

Wat de Etruriërs van de Grieken overnamen verwerkten zij op een heel eigen manier. Kenmerkend is dat de archaïsche Griekse kunst en het hellenisme hen gemakkelijk inspireerden, maar dat de klassieke werken hen kennelijk niet aanspraken.

Van de architectuur is weinig overgebleven. Van de tempels moet men zich een voorstelling vormen aan de hand van schaarse resten, aangevuld met de door de Romeinse architect Vitruvius in zijn De architectura (IV, 7) verstrekte gegevens. De Etrurische tempels lagen op een hoog podium met trappen, alleen aan de voorzijde. In de door Etruriërs gebouwde tempel op het Capitool in Rome, stonden de beelden van Jupiter, Juno en Minerva, elk opgesteld in een aparte cella.

Aanvankelijk dacht men, afgaande op de beschrijving van Vitruvius, dat de Etrurische tempel als regel drie cellae had. Thans is echter uit opgravingen gebleken, dat een dergelijke aanleg eerder tot de uitzonderingen behoort en dat men in het algemeen volstond met één ruimte voor de opstelling van één of meerdere godenbeelden. Het podium was van steen en later ook de cella(e). Het gesloten gedeelte van de bovenbouw nam slechts de achterste helft van het podium in beslag, de voorste helft werd ingenomen door een zuilenhal. De zuilen waren van hout. Soms liepen ze door langs de zijkant van de cella(e). De meest gebruikte zuil is de Toscaanse: een gladde ronde schacht, een basis en een kapiteel dat lijkt op het Dorische. De achterkant van de tempel was steeds gesloten. Het geheel werd afgedekt door heen houten zadeldak in de lengteas. Het dak was gedekt met pannen en het houtwerk was bekleed met terracotta-platen die een ornamentele versiering of een voorstelling hadden in schildering of geschilderd reliëf. In terracotta waren ook de beelden in de frontons (gevelvelden), de akroteria en de beelden die geplaatst werden op de nok van het dak, zoals de bekende Apollo van Veii. Zoals de latere Romeinse tempel is de Etrurische naar één zijde gericht, in tegenstelling tot de Griekse.

Een belangrijke bron voor de kennis van de Etrurische architectuur vormen de graven die de meer gefortuneerden lieten aanleggen. Er zijn verschillende types. De meeste zijn uitgehouwen in de rotsachtige bodem, maar er zijn er ook die geheel of gedeeltelijk uit losse stenen zijn opgetrokken. De meeste grafkamers zijn rechthoekig, maar er zijn ook ronde. Er zijn graven die uit één kamer bestaan, maar er zijn er ook met één kamer en een voorhal en graven met meer vertrekken, als regel symmetrisch gerangschikt. Soms overdekken aarden heuvels één of meer graven, soms zijn de graven naast elkaar gebracht als huizen in een straat (Caere). In de uit stenen opgetrokken graven treft men valse en echte gewelven en valse koepels. In de uitgehouwen graven wordt vaak de onderkant van een flauw hellend zadeldak nagebootst met een zware balk in het midden. De graven werden ingericht als woningen voor de doden. Hun lichamen werden er neergelegd op rustbedden of in sarcofagen van hout, steen of terracotta. Als de lijken verbrand werden, hetgeen vooral gebeurde sinds de 4de eeuw, zette men de as bij in urnen of kleine rechthoekige kisten van steen of terracotta. Ook werd de as wel geborgen in terracotta- of stenen beelden van de overledene.

Men gaf de doden gebruiksvoorwerpen mee waarvan men zich voorstelde dat ze hun ook na dit leven van dienst konden zijn. Uit een aantal grafurnen in huisvorm en uit het inwendige van verschillende graven kan men zich, zij het dan zeer onvolledig een beeld vormen van de woningen van de Etruriërs. De rechthoekige plattegrond was blijkbaar de meest gebruikelijke en de afdekking bestond uit een zadeldak of een schilddak. In de huizen met meer vertrekken werd waarschijnlijk een belangrijke plaats ingenomen door een hal die de voorloper geweest kan zijn van het Romeinse atrium. De oude steden waren onregelmatig van aanleg en alleen daar met muren versterkt, waar de gesteldheid van het terrein dat nodig maakte. De stadsmuren werden opgetrokken uit rechthoekige of veelhoekige (polygonale) blokken natuursteen. Een regelmatig stratenplan werd gebruikt in de nieuwe kolonies. Het oudste voorbeeld (5de-4de eeuw v.C.) is Marzabotto.

De Etruriërs kenden geen marmer. Als zij beelden of reliëfs wilden hakken in steen, waren zij voornamelijk aangewezen op kalksteen, turf en albast. Voor de vrijstaande sculptuur echter gebruikten zij bij voorkeur brons of terracotta, dat ook zo'n belangrijke rol speelde bij de versiering van de tempels. Grote beelden zijn er maar weinig. Naast de Apollo van Veii in de Villa Giulia te Rome (6de eeuw), kan als voorbeeld van een groot werk in terracotta genoemd worden de groep van een man en een vrouw op een aanlegbed, afkomstig uit Caere (5de eeuw). De meest bekende stukken in brons zijn de wolvin van het Capitool in Rome (5de eeuw) en de chimaera uit Arezzo (4de eeuw) in het Museo Archeologico te Firenze.

De beeldhouwkunst stond voor een groot gedeelte in dienst van de dodencultus. Op de terracotta- of bronzen asurnen, gebruikt tot in de 6de eeuw, plaatste men een kop die het hoofd van de dode voorstelde; de vorm van de urn zelf gaf vaak een suggestie van een menselijk lichaam. Soms zette men deze urnen op een stoeltje.

Verwant aan de asurnen zijn de beelden in terracotta of steen, die doden uitbeelden en waarin de as werd geborgen. Bij de sarcofagen die in de 6de eeuw in gebruik komen, en bij de askisten die vanaf de 4de eeuw vooral in het noorden veelvuldig werden gebruikt, werden de doden afgebeeld in rusthouding liggend op het deksel.

De kisten zelf voorzag men vaak van voorstellingen, veelal mythologische. De figuren op de deksels hebben, vooral sinds de 4de eeuw, geheel en al het karakter van portretten, tenminste wat het hoofd betreft. De rest van het lichaam wordt door de kunstenaar van minder belang geacht. De grote kracht van de Etrurische beeldhouwkunst ligt in de kleine bronzen plastieken, vrijstaand of toegepast in gebruiksvoorwerpen.

Op het gebied van de edelsmeedkunst werden opmerkelijke prestaties geleverd. Op gouden sieraden paste men graag de granulatietechniek toe, een versiering met druppels of korrels. Gebruiksvoorwerpen uit brons zijn in grote verscheidenheid bewaard gebleven: schalen, ketels, drievoeten, kandelaars, lampen, cistae, spiegels. Behalve de eerder genoemde onderdelen verdiende de gegraveerde voorstellingen op spiegels en cistae (cista Ficoroni) bijzondere aandacht.

Op de wanden van de onderaardse grafkamers is een groot aantal schilderingen bewaard. De meeste geschilderde graven zijn in Tarquinia. In de 6de en 5de eeuw zijn maaltijd, dans en wedstrijden de meest geliefde onderwerpen. Deze voorstellingen hebben een blije sfeer. In de 4de eeuw kiest men sombere en angstaanjagende taferelen uit de onderwereld. Uit Griekenland gemporteerd vaatwerk was bij de Etrurïers zeer in trek. Ze volgden het ook na in eigen ateliers. Typisch Etrurisch is het zwarte glanzende vaatwerk dat bucchero wordt genoemd. (Summa)

Zie verder bij Romeinse Kunst.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 613.