kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Fernand Léger

Jules Fernand Henri Léger

Ballet mecanique (1924) Fernand Leger - Part 1 Frans kunstschilder geboren 4 februari 1881 te Argentan (Normandië) - overleden 17 augustus 1955 in Parijs.

Aanvankelijk was Léger werkzaam als bouwkundig tekenaar te Parijs. Hij werd beïnvloed door Cézanne, Matisse en Rousseau. In 1908 begon hij te schilderen.
Na een kubistische periode kwam hij onder de indruk van de techniek en de oorlogsmachinerie (W.O. I). Na de Tweede Wereldoorlog, die hij in de V.S. doorbracht, bereikte hij een nieuwe glansperiode met le grand cirque, la belle équipe, les constructeurs. Door zijn bewondering voor de perfectie en bovenzinnelijke schoonheid van het machinale ding bracht hij in al zijn voorstellingen een voorwerpachtige anonimiteit. Hij ontwierp ook veel decors en kostuums, mozaïeken en glasramen naast litho's (Le cirque), textiel en glasvoorwerpen. In 1968 werd een museum en een groot deel van zijn werk aan de Franse staat geschonken. (Summa)

Biografie
Joseph Fernand Henri Léger werd als zoon van de veeboer Henri-Armand en zijn vrouw Marie-Adèle Daunou geboren op 4 februari 1881 te Argentan (Normandië).

In 1897 na de-dood van zijn vader werd hij leerling bij een architect in Caen.

In 1900 ging Léger naar Parijs waar hij bij een architect werkte als bouwkundig tekenaar.

Hij bracht zijn militaire dienst door in Versailles en bezocht daarna in 1903 d'École des Arts Décoratifs. Deze hogeschool voor toegepaste kunst moest hij wegens geldgebrek snel verlaten waarna hij s'avonds d'École des Beaux-Arts' en de Académie Julian in Parijs bezocht.

In de winter van 1905-1906 bracht Fernand Léger wegens ziekte enige tijd door op Corsica.

In 1907 sloot hij vriendschap met Robert Delaunay en in 1908 verhuisde hij naar de kunstenaarskolonie zone bij La Ruche, een verzamelpunt van artiesten waar Léger o.a. Alexander Archipenko, Marc Chagall, Henri Laurens, Jacques Lipchitz en Guillaume Apollinaire ontmoette.

In 1910 ontmoette hij Albert Gleizes en stelde zijn werken tentoon op de salon des Indépendants. Vanaf 1910 exposeerde hij ook zijn werken bij de kunsthandelaar Daniel-Henry Kahnweiler, die ook Picasso en Braque vertegenwoordigde.

Les Toits de Paris, 1912

Beïnvloed door Cézanne, neo-impressionisme en het kubisme van Picasso en Braque nam hij deel aan de tentoonstelling van de kubisten in de 'Salon des Indépendants' van 1911. Ook nam hij deel aan de bijeenkomsten bij de gebroeders Duchamp in Puteaux en de Section d'Or in 1911 en 1912.

Op 2 augustus 1914 werd Léger wegens de oorlogsdreiging gemobiliseerd. Tijdens de Eerste wereldoorlog was hij ingedeeld bij de genie. Hierbij ontdekte hij volgens zijn eigen zeggen het Franse volk.

Na een gasaanval bij Verdun werd Léger in 1916 afgekeurd en hervatte hij zijn schilderwerk. Door zijn ervaringen tijdens de oorlog ontdekt hij het hoofdmotief van zijn schilderkunst: het technologische aangezicht van de 20ste eeuw, hij creëert een reeks schilderijen over een verstilde, gemechaniseerde wereld die uitsluitend door arbeiders bevolkt wordt.

Door de buisvormige aanblik van zijn gigantische figuren noemt een kunstcriticus in 1917 zijn kubistische werken spottend tubisme.

Evenals Braque en Picasso maakte Léger kostums en decors. In 1921 en 1922 maakte hij ze voor 'Skating Ring' en 'La Création du monde' van het Ballets Suédois van Rolf de Maré. In deze perode sloot Léger vriendschap met de Stijl-schilders Theo van Doesburg en Piet Mondriaan.

"La lecture", 1924

Les trois musiciens, 1930

Léger's vriendschap met de architect Le Corbusier inspireert hem ertoe zijn werk uit te breiden tot monumentale muurschilderingen, mozaïeken en gebrandschilderde ramen. In deze zogenaamde monumentale periode beeldt hij monsterlijke, stereotypische figuren met zwaar omlijnde ledematen uit.

In 1924 maakte hij samen met Man Ray, Dudly Murphy en Georges Antheil de film: 'Le Ballet Mécanique' en ging daarna langzaam over tot het figuratieve, waarbij vooral de eenvoudige vorm en de heldere kleur opvallen. Fernand Léger werkte diverse keren samen met Robert Delaunay aan muurschilderingen.

Vanaf 1927 worden zijn werken steeds realistischer.

In 1931 bezocht Léger voor het eerst de Verenigde Staten.

In 1932 doceerd Fernand Leger aan de Academie de la Grande Chaumiere in Parijs.

Samen met le Corbusier bezocht hij in 1935 voor de tweede keer de V.S. Werken van Léger werden tentoongesteld in het museum of Modern Art te New York en in het Art Instituut te Chicago.

Tijdens de 2e wereldoorlog verbleef hij vanaf november 1940 in de V.S., waar hij les gaf en veel reisde. In New York ontmoette hij een aantal goede bekenden, n.l. Zadkine, Chagall, Mondriaan en Ozenfant.

In december 1945 keerde Léger terug naar Parijs.

In 1950 betrok hij in Biot een atelier om keramiek te maken, maar verhuisde in 1952 naar Gif-sur-Yvette. In hetzelfde jaar maakte hij een wandschildering in het gebouw van de Verenigde Naties in New York.

Op 17 augustus 1955 overleed Fernand Léger te Gif-sur-Yvette (Oise). In de plaats Biot werd op 24 februari 1957 de eerste steen gelegd voor het Musée Fernand Léger. De opening was in 1960 en in 1967 werd het een nationaal museum.

Ondanks zijn nauwe verwantschap met het kubisme richtte Léger zich niet zozeer op de analytische defragmentatie van het beeldvlak, maar eerder op de ontvouwing van de kunst in uitbundige, pure kleuren en ritmes, zoals in zijn werk vormcontrasten.


Werken:
. La belle équipe,

. Loisir (vrije tijd) (hommage aan Louis David), Parijs, Musée d'art Moderne
Eindpunt van zijn in de Verenigde Staten begonnen studies van fietsers. Léger was in staat om in de dagdagelijkse realiteit een schoonheid te vinden die zich boven elke idealisering situeerde. Zijn zoeken naar een populaire taal die voor iedereen begrijpelijk was en zijn aandacht voor het sociale aspect van het machinisme bezorgden hem de titel van primitif des temps modernes. (Histoire)

. Rokers, 1911, New York, Solomon R. Guggenheim Museum
Nog enige zin voor atmosferische aspecten. (Histoire)

. Vrouw in het blauw, 1912, olie, 194x130, Basel, Öffentliche Kunstsammlungen
In deze periode verlaat Léger het kubisme uit liefde voor het leven en voor de beweging. Hij tracht de beweging te suggereren door middel van contrasten. Als ik de toestand van georganiseerde plastische intensiteit wil verwezenlijken, zegt hij, dan pas ik de wet van de contrasten toe... Ik organiseer de tegenstelling van de tegenovergestelde waarden, lijnen en kleuren; ik stel kromme lijnen tegenover rechte, vlakke oppervlakten tegenover gemodelleerde, lokale tonen tegenover geschakeerde grijze tinten. Hij noemt fumées de brede, cirkelvormige en wolkachtige vlakken; daarmede wil hij door het licht dynamisch de vormen breken en een bijzondere ruimte verwezenlijken. (Sneldia)
Léger heeft in zijn vroege werken het esoterische van het kubisme en de lyrische vormen van Delaunay in een meer tastbare vorm gegoten. Hiervan maakt ook deel uit de gestadige herhaling van dezelfde vormen en het al vroeg overgaan naar het uitbeelden van machines en de confrontatie met actuele problemen. (KIB 20ste 89)

. De trap, 1914, olieverf op doek, 130x100, New York, Museum of Modern Art

. De stad, 1919, 231x298, Philadelphia, Museum of Art, A.E. Gallatin Collection
Prachtig beheerst industrieel landschap, stabiel maar niet statisch. Weerspiegelt tevens de heldere geometrische vormgeving van moderne machinerie. Vol van vrolijk optimisme en aangename opwinding. Een soort voorstelling van een gemechaniseerd Utopia. (Janson 657)

. De man met de hond, studie, 1920, olieverf op doek, 65x46, Villeneuve-d'Ascq, Musée d'Art Moderne
Vanaf 1913-14 ontwikkelt Léger een alternatief voor het kubisme van Picasso en Braque. Hij evolueert van de reeks 'contrastes de formes', gebaseerd op het simultaancontrast van lijn-vorm-kleur, naar een mechanisch geïnspireerde vormentaal, die verwijst naar de moderne geïndustrialiseerde wereld. In deze 'période mécanique' van 1918 en 1919, ontstaan dynamisch gestructureerde werken die ofwel abstracte transposities vormen van machines, ofwel het stads- en circusleven uitbeelden. Le cirque (1920) werd in 1920 tweemaal door Sélection tentoongesteld en in het tijdschrift afgebeeld in 1920 en in 1926. Le cirque is een speels en dynamisch werk. Realistische elementen als de acrobaat, de hond en de trap worden in het geometrisch vlak achtergrondpatroon ingeschreven.
De studie voor de man met de hond uit 1920 is nog gebaseerd op de principes van de 'période mécanique', maar is rustiger en klaarder opgebouwd. De figuur wordt volledig vervormd naar de eisen van de interne architectonische structuur en de verhoudingen van vorm en kleur. (exp 198)

. Landschap met figuren, 1921, potlood op papier, 26x37, Biot, Musée National Fernand Léger

. Landschap met figuren, 1921, aquarel op papier, 36x25, Otterlo, Rijksmuseum Kröller-Müller
In 1921 schildert Léger een hele reeks landschappen. Hij ontvlucht het jachtige stadsleven en verblijft in het ouderlijk huis te Lisores in Normandië. 'Na de mechanische periode moest ik even verademen', zegt hij zelf. Deze 'paysages animés' worden inderdaad gekenmerkt door een stille, bijna lyrische eenvoud. De abstracte mechanische visie wordt gecombineerd met een meer natuurgebonden vormgeving. De geometrische typering van de huizen contrasteert met het golvende ritme van heuvels, wolken en bomen. De figuren behouden de cilindrische morfologie van de vorige periode, maar zijn organischer opgebouwd. De voeling met het landelijk leven, het introduceren van realistische elementen en de eenvoudige pastorale sfeer verlenen deze landschappen een intiem karakter en maken een vergelijking met het werk van de Vlaamse expressionisten mogelijk. (exp 198)

. Het ontbijt, 1920, potlood op papier, 37x51, Otterlo, Rijksmuseum Kröller-Müller

. Drie vrouwen (le grand déjeuner), 1921, New York, Museum of Modern Art
Léger schildert de vrouwenlichamen als poppen. Deze tubistische vormgeving laat ze zien als robots in een koele, saaie omgeving. Het is net alsof de vrouwen zich dood vervelen. Léger probeert de natuur altijd toch een plaatsje te geven in zijn werk. Hier zit er een kat die met haar rondere vormen afsteekt tegenover de mechanische vormen. (Elviera 35)

. Liggende vrouw met boek, 1923, potlood op papier, 26x33, Villeneuve-d'Asq, Musée d'Art Moderne
In het begin van de jaren twintig tekent Léger talrijke composities met figuren. Veel van deze tekeningen staan in verband met het schilderij Le grand déjeuner (1921, New York). Hij paart hier een monumentaal realisme aan een klassieke geest. De kolossale vrouwenfiguren krijgen een hiërarchische présence en een poëtische, bijna epische uitstraling. Nochtans zijn ze anoniem weergegeven, zonder sentiment of individuele eigenheid: het gelaat herleid tot een ovaal, de hals tot een cilinder, de ledematen tot zware volumes en het haar eenvoudig gestileerd. Léger benadert de menselijke figuur als een object, waarvan de plastische schoonheid en kracht gearticuleerd worden door de rigide compositie. De sculpturale lichamen contrasteren sterk met de vlakke achtergrond. Door de toevoeging van alledaagse stillevenelementen als vazen, bloemen, tafel en pijp, worden deze composities als intieme interieurs. De statische bewegingloosheid, de serene en idealiserende sfeer, het uitzuiveren en stileren van realistische elementen binnen een formele geometrische structuur, en het monumentaal klassiek evenwicht van deze tekeningen hebben vooral op Gustave de Smet een merkbare invloed uitgeoefend. Légers kunst staat model voor een belangrijke richting in de kunst van de jaren twintig, die de kubistische en abstracte vormstrengheid combineert met een figuratieve voorstelling van reële, alledaagse motieven. De volumineuze modellering en de cilindrische opbouw van ijn figuren worden ook door Van den Berghe en Floris Jespers in hun persoonlijke stijl verwerkt.
Léger was vrij goed gekend in het Brusselse kunstmilieu. In 1924 publiceert Sélection zijn tekst "L'Esthétique de la machine", waarin de nieuwe mechanische schoonheid verheerlijkt wordt. In 1929 wijdt Sélection een Cahier aan Léger, met studies over de kunstenaar van o.m. Le Corbusier, Van Doesburg, M. Raynal en W. George en een gedicht van R. Guiette. (exp 210)

. Vrouw met boek, 1923, olieverf op doek, 116x82, New York, Museum of Modern Art, legaat Nelson Rockefeller

. Le siphon, 1924, olieverf op doek, 91x60, privé-verzameling
Een beeld van de symbolen van het “grote leven” uit de jaren ’20: een sodakan en een cocktailglas. In de monumentale behandeling van anonieme huiselijke gebruiksvoorwerpen en in zijn moderniteit is dit werk een belangrijke mijlpaal in Légers schilderijen uit de eerste helft van de jaren ’20. (sotheby)

. Vrouw met vaas, 1924-27, doek, 131x90, Basel, Kunstmuseum

. De pauze, op een rode achtergrond, 1949, olieverf op doek, 114x148, Biot, Musée National Fernand Léger

. La grande parade, 1954, olieverf op doek, New York, Solomon R. Guggenheim Museum

. Vrouwen met bloemen, 1954, Londen, Tate Gallery
Een jaar voor zijn dood. De kleur maakt zich vrijelijk los van de vorm en bereikt een volledige autonomie: dit procédé zal later vaak gebruikt worden in de publiciteitsaffiche. (Histoire)


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2101.