kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-01-2016 voor het laatst bewerkt.

fijnschilders

Fijnschilder

Fijnschilders is de term die wordt gebruikt voor kunstschilders die streven naar een zo natuurgetrouw mogelijke weergave van de werkelijkheid.

Zie ook Diederik_Kraaijpoel opgenomen in het boek Henk Helmantel 2000.
Onder fijnschilders moeten diegenen verstaan worden die over het hele schildervlak een extreme uitvoerigheid aan de dag leggen. Er zijn inderdaad zeer fijne penselen bij nodig. Van Eyck, Memling, Dürer, Bronzino zijn de voorbeelden die je het eerst te binnen schieten.

Vaak spreekt men met name over de Leidse fijnschilders uit de 17de eeuw, aangezien de techniek in Leiden, met name door Gerard Dou, tot grote hoogte werd gebracht. De uiterst verfijnde en minutieuze techniek werd vooral toegepast in de zogenaamde genrestukken, meestal op klein formaat weergegeven taferelen van alledaagse activiteiten. Andere Leidse fijnschilders waren onder andere Frans van Mieris de Oude en Adriaen van der Werff.

Zie ook Museum De Lakenhal te Leiden hangt een klein schilderij van Gerard Dou. Een prachtig paneeltje waar je eindeloos op kunt inzoomen, zelfs van dichtbij gaat de scherpte niet verloren. Bij het bekijken van het boek op tafel hoor je als het ware de bladzijden knisperen. Ook andere details vragen om aandacht vanwege de precieze weergave: het gezicht van de man, de kaars in zijn hand, de hemelglobe en de zandloper op tafel. Terloops blijkt dat dit een astronoom in zijn studeerkamer moet zijn, maar eigenlijk draait de voorstelling niet om hem. De bekoring gaat uit van de wervelende deelmotieven. Als beschouwer moet je die bij elkaar sprokkelen en denken: wauw, wat een knappe schilder. Tegenwoordig vinden sommigen dit soort priegelwerk geen hoogstaande kunst, maar meer een kunstje. In de zeventiende eeuw was nabootsing van de werkelijkheid op een plat vlak juist je-van-het, zeker als het resultaat op dit poppenformaat nog wist te overtuigen. Gerard Dou legde zich er helemaal op toe evenals een stel van zijn stadgenoten, de Leidse fijnschilders. In De Lakenhal valt te zien dat het specialisme tot ver in de achttiende eeuw op niveau beoefend werd.

De beroemde oude meesters als Michelangelo, Titiaan, Velazquez, Rubens, Rembrandt, Hals, Vermeer, Tiepolo of Goya zijn geen fijnschilders. Hun schilderijen zijn wel behoorlijk doorwerkt, ze waren er gemeenlijk ook niet gauw mee klaar, maar ze gebruikten fijne penselen alleen op de plekken waar ze die nodig vonden. Dat laatste heeft geleid tot een schitterende illusie: omdat enkele passages een hoge graad van uitwerking bezitten, denkt het oog van de toeschouwer dat alles fijn is uitgewerkt. Pas wanneer je van dichtbij kijkt, zie je hoe je bij de neus genomen wordt.

In de twintigste eeuw is betrekkelijk weinig fijnschilderij te melden. De Nederlanders Ket, Willink, Koch, Van Gelder, de Duitsers Schad en Tübke behoren tot de uitzonderingen. Beroemde neo-realisten als Dix, Balthus, Casorati, Spencer en Hopper streven wel naar plastische illusie, maar gebruiken grotere kwasten. Weliswaar heerste in de jaren zeventig de rage van het fotorealisme. Het principe van deze stijl is echter dat de schilder van de foto niet alleen het motief, maar ook de ordening overneemt, met al zijn toevalligheden, inclusief de beperkingen van de dieptescherpte.

De betiteling 'fijnschilder' werd en wordt ook wel gebruikt om onderscheid te maken tussen een kunstschilder en bijvoorbeeld een huisschilder. Term als Figuratief fijnschilderen, Realistisch fijnschilderen of Fotografisch fijnschilderen verwijzen dan naar de techniek van schilderen op de wijze van de Leidse fijnschilders uitgeoefend.

WALTER LECLAIR OVER ‘DE SCHOONHEID VAN OBJECTEN'
In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, bestaat de grootste uitdaging voor de fijnschilder er niet in, de werkelijkheid zo goed mogelijk weer te geven, maar wel deze werkelijkheid op een voor de toeschouwer zo begrijpelijk mogelijke wijze weer te geven.
Vaak zijn contouren, schaduwen of reflecties op het echte stilleven minder fraai dan op het schilderij. Een dun koordje dat op een bepaalde plaats overschaduwd wordt, een glas waardoorheen je de achtergrond ziet en waarin tegelijkertijd de voorgrond weerkaatst. Gaatjes in afhangend kantwerk waar het licht doorheen schijnt. Het zijn voorbeelden van objecten die je in werkelijkheid kan waarnemen en waarvan je, door de complexiteit van vormen en schaduwen, niet steeds precies weet wat je waarneemt. Toch zal je dat de werkelijkheid niet kwalijk nemen. Van een fijnschilderij echter verlang je duiding. De ogenschijnlijk nonchalant neergepote voorwerpen zijn op heel welbepaalde plaatsen donker en niet meer duidelijk waarneembaar. De natuur is bij wijze van spreken een handje geholpen. Lichteffecten zijn net iets sterker weergegeven, of juist afgezwakt. Hiermee breng je het stilleven als het ware op smaak, leg je de realiteit uit aan de argeloze toeschouwer, die een leidraad nodig heeft om terug de diepte van drie dimensies te ervaren binnen de grenzen van het tweedimensionale paneel. Ook zoekt de toeschouwer onbewust naar een esthetische meerwaarde, die wordt gegenereerd door bijvoorbeeld een net wat sterker glanzende reflectie, een net iets fellere kleur, een dynamische en contrasterende achtergrond. Het is soms het dunne koord tussen kunst en kitch bewandelen. Zo wordt duidelijk dat clair-obscur heel wat meer is dan wat donkere partijen en slagschaduwen.
Niet toevallig wordt fijnschilderkunst door nogal wat Japanners hogelijk geprezen. De meticuleuze opbouw die al begint bij het opstellen van het stilleven, het zoeken naar de pijnlijk juiste lijn. En dan het uiteindelijke schilderij, dat een zulkdanige staat van voltooid-zijn bereikt, dat het simpelweg ‘is'. Precies, Zen.
Het is onzinnig om, voor wat betreft de keuze van voorwerpen steeds weer te willen terugvallen op alleen maar antieke of ‘rustieke' voorwerpen. Wel valt het je als fijnschilder op, door je heel lang op voorwerpen te concentreren, hoe weinig sfeer en inhoud veel hedendaagse objecten maar hebben. De band met het heden bewaren is niet altijd evident.
Natuurlijk is de schilder van al deze overwegend dode voorwerpen ook nog een mens. Op subtiele wijze sluipt, soms heel bewust, soms buiten je wil om, je persoonlijkheid in je schilderijen. Het verhaal ervan wordt verteld door de keuze van de voorwerpen, het kleurgebruik, maar vooral door abstracte gegevenheden zoals de dynamiek van de tegenover elkaar opgestelde objecten of de licht-en donkerbalans. Persoonlijk hou ik ervan een schilderij vol te proppen met nauwelijks zichtbare details: een ultrafijn barstje, her en der waterdruppeltjes waar het licht doorheen schijnt, of een kleine reflectie van een raam in glaswerk waarin een nog veel kleiner silhouet van een overvliegend vliegtuig is verwerkt. Zo kan de latere eigenaar van het schilderij er nog lange tijd nieuwe dingen in ontdekken.
Ondertussen is het maken van een olieverf in fijnschilderstijl wel een beetje een gevecht. Een gevecht met de voorwerpen die niet altijd onmiddellijk op hun juiste plaats willen staan, met de taaie dikvloeibare verf en met je ogen die altijd in naaldscherpe staat van paraatheid moeten verkeren.
Finaal kun je een goed stilleven, geschilderd in fijnschilderstijl beschouwen als iets dat heel ver afstaat van de levenloze dingen die er oorsprong gestalte aan hebben gegeven. Als mensen na deze lange omweg in tijd, materie en herinterpretatie nog zeggen: ‘Het is net echt', dan is het echt geslaagd!

WALTER LECLAIR OVER EEN DETAIL UIT ZIJN SCHILDERIJ ‘MAGIC DANCER'
‘Als fijnschilder moet je natuurlijk oog voor detail hebben. Zo kun op de bijgaande detailopname zien hoe het poezenkarretje vooraan voorzien is van een oogschroef. Je ziet de schroef van opzij, maar haar minuscule schaduw verraadt dat het om een oogschroef gaat. Op het groene bovenvlak van het karretje weerkaatst het etiket van de Magic Dancer erachter. Heel vaag, nauwelijks merkbaar, kun je nog net een deel van de eerste letter zien. Wat hogerop kun je zien hoe het poezenoor vaag weerkaatst in het glas van de Magic Dancer. Het houten bolletje van de staartpunt van de poes heeft nerfjes, de springveer waaraan het vastzit blinkt lichtjes. Zo stouw ik mijn schilderijen telkens weer vol met nauwelijks merkbare details. Kun je dan helemaal niets aan het toeval overlaten, is er dan helemaal geen speelruimte voor de fijnschilder? Toch wel, ik verander naar hartelust kleuren, verhoog of verlaag contrasten. Ik zet barstjes, deukjes en krasjes waar ik ze hebben wil. Waterdruppels en insectjes, als ze bij het schilderij passen. En terwijl ik dat doe, voel ik iets van de werkvreugde die wijlen Barend Koekoek, Jan van Huysum en zovele andere 17de en 18de eeuwse fijnschilders moeten gehad hebben bij het vervaardigen van hun werk.'
Bron: www.leonhardsgallery.com


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 711.