kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 06-02-2011 voor het laatst bewerkt.

Frans Hals

Nederlands portretschilder, vermoedelijk geboren in Antwerpen tussen 1580 en 1585, begraven in Haarlem 1 september 1666

Frans Hals legde de basis voor de ontwikkeling van een zelfstandige Hollandse portretkunst.

De familie Hals was uit Mechelen afkomstig en week, na de val van Antwerpen in 1585, uit naar de noordelijke Nederlanden. Volgens een bericht uit 1618 was Frans Hals een leerling van Carel van Mander. Hij was tweemaal gehuwd en had een zeer groot aantal kinderen. Minstens vijf zoons zijn eveneens schilder geworden. Hij schijnt nauwelijks gereisd te hebben. Alleen verbleef hij enige tijd in Antwerpen.

Hals was een portret- en genreschilder en ook schilder van een aantal schuttersstukken. In zijn vroegste stukken (vanaf 1616) toont hij al dadelijk een veel grotere compositiegave dan de vroegere schilders van schuttersstukken, doordat hij zijn personen tot levendige en aaneengesloten groepen weet te ordenen. Dit nieuwe gegeven, gecombineerd met een krachtig naturalisme, een zuivere observatie en een helder en bont koloriet, maakten zijn schilderijen tot ongekende kunstwerken.
In de volgende jaren wist hij een enorme hoogte te bereiken. De latere jaren kenmerken zich meer door een grotere bezadigdheid, dieper gevoel en gematigder kleurenharmonieën (veelal alleen zwart en wit met spaarzaam toegepast rood of geel). Zijn techniek echter gaat dan nog steeds vooruit en wat hij in vroegere jaren nauwkeurig en plastisch wist uit te beelden, wordt allengs een aanduiding met geniale vegen en strepen.
Niet alleen zijn portretten, ook zijn karakterstukken als Malle Babbe (Museum Berlijn), de Musicerende en zingende jongens (o.a. te Kassel en Berlijn) zijn kunstwerken van bijzondere waarde. Zij geven die bepaalde karakteristiek van het veelzijdig kunnen van Hals, dat in de portretkunst alleen niet tot uiting kwam. Hierin is hij voorloper en meester van de genreschilders uit de Haarlemse kring, die bijna allen zijn tijdgenoten waren of tot zijn leerlingen behoorden, zoals Willem Buytewech, Dirck Hals, Esaias van de Velde, Judith Leyster en P. Codde. Zijn belangrijkste leerling was wel Adriaen Brouwer. (Summa)

Biografie
Deze Vlaming van geboorte stamde uit een lakenweversfamilie. Nadat Antwerpen in 1585 in Spaanse handen was gevallen verhuisde de familie Hals naar Noord Nederland. Het staat vast dat hij vanaf 1591 in Haarlem verbleef waar hij samen met twee van zijn broers door Karel van Mander werd opgeleid, een kunstenaar uit het late maniërisme.

In 1610 werd Frans Hals als zelfstandig meester in het Lucasgilde te Haarlem opgenomen. Hij is bekend vanwege zijn groepsportretten van de Haarlemse schuttersgilden, zoals Officieren van de St. Jorisdoelen (hiervan bestaan twee versies, één uit 1616 en één uit 1627), Schutters van de Kloveniersdoelen (1626-27) etc.

In 1610 trouwde Frans Hals met Anneke Harmensdochter, die tot een welgestelde en invloedrijke Haarlemse familie behoorde. Hij krijgt met haar twee kinderen. Een kind sterft heel jong. Anneke sterft ook.

De vrolijke drinker, 1628-1630

De schilder Frans Hals was zeker geen miskend genie. Hij werd in zijn tijd zeer gewaardeerd en gevierd. Toch zat hij voortdurend in de schulden. Zijn eerste vrouw Anneke moest in 1615 in een armengraf begraven worden. Frans Hals had zelfs geen geld om de vrouw te betalen die toen voor zijn kind moest zorgen. Dus voor hem zocht hij een tehuis.

Na de dood van Anneke had Frans geen zin meer om te schilderen, dus ging hij op reis naar Antwerpen. Daar ontmoet hij Rubens, als Frans hem ziet schilderen krijgt hij zelf ook weer zin.

Frans Hals nam het representatieve compositieschema van het manierisme over en van Dirck Barentsz., evenals de poses en gebaren van de deftige Italiaanse portretten. De portretten van Frans Hals zijn echter veel levendiger, de houdingen en de mimiek zijn ongedwongener en de afgebeelden zijn minder plechtstatig als op de traditionele groepsportretten. De modellen worden eerder als individuen geportretteerd, niet zozeer in hun officiële functie.

De portretten van Frans Hals geven de in die tijd ontstane sociale laag van burgers weer die in de eerste langdurige vredesperiode in het begin van de 17e eeuw tot aanzien en welstand was gekomen. Ze sloten zich aaneen tot maatschappelijke en politieke groepen, die zich voor het maken van een portret vaak tot Frans Hals wendden. Hij op zijn beurt wendde zich ook tot de lager geplaatsten in de samenleving en schilderde veelal borstbeelden van boeren, soldaten vissers, deernen en dronkaards.

Malle Babbe

Het zijn grove, robuuste gestalten, vitaal en expressief (bijv. Malle Babbe 1629). Hier vertoont het portret duidelijke trekken van de genreschilderkunst, wat het tevens mogelijk maakt de geportretteerden conform de tradities van het genreportret allegorisch te duiden. Zo kan bijv. de Zigeunerin de tastzin of het gevoel belichamen en de Vrolijke Drinker de smaak. Vaak hebben de portretten ook een belerend karakter.
Jonker Ramp bijvoorbeeld is een variatie op de verloren zoon. Het is een in beeld gezette waarschuwing voor de vergankelijke vreugde van het bestaan op aarde. Zo kunnen ook bij de schuttersmaaltijden afgebeelde voorwerpen als symbolen van de vergankelijkheid worden gezien; brood wijn en zout (‘Gij zijt het zout der aarde') daarentegen als eucharistische symbolen. Het overnemen van toneelspelersgebaren in de portretten, bijv. de karakteristieke houding van de capitano en figuren uit de commedia dell'arte, voor het portret van Willem van Heythuysen (1625-26) wijst op het barokke begrip dat de wereld één groot theater is waar niet te zwaar aan getild moet worden.

In zijn vroege donkere werken zit nog een laat-maniëristisch overdreven kleureffect, dat daarna geleidelijk lichter wordt. In zijn late werk, in het bijzonder de portretten, gebruikt hij de intensiteit van een kleur ook om een gemoedsuitdrukking van de geportretteerde weer te geven. Het portret van Jacobus Zaffius (1610) laat al een meer naturalistische en meer persoonlijke uitdrukking van het model zien

In de periode 1616-24 verwerkte hij Vlaamse impulsen (Peter Paul Rubens, Cornelis de Vos). Zijn schilderijen Vrolijk Gezelschap (1617) en De verloren zoon (1623) onderscheiden zich door de contrastrijke beweging en representatieve opvatting.

In 1617 trouwt Frans Hals opnieuw, met Lysbeth Reiniersdochter. Met haar krijgt hij nog negen kinderen.

In 1626 werd de invloed van het Utrechtse carravaggisme, Hendrik Terbrugghen, Gerard van Honthorst en Dirck van Baburen, zichtbaar in sterkere lichteffecten en een meer plastische en volumineuzer uitwerking van hoofden en handen. De mimische musculatuur, vooral de uitdrukkingszones rondom ogen, neus en mond, wordt bestudeerd, wat vaak tot een gespannen gezichtsuitdrukking leidt. Het verband met de grote belangstelling in die tijd van medisch en natuurkundig onderzoek van het menselijk lichaam staat buiten kijf.

In de jaren twintig ontwikkelde Frans Hals zijn karakteristieke spontane penseelvoering. Nat in nat werden alle kleuren in en over elkaar opgebracht.

Na 1630 wendde Frans Hals zich af van de caravaggeske naturalistische opvatting en gaf in trefzekere psychologische karakterisering en scherpe sobere mimiek de geportretteerde weer.

Willem Coymans, 1645

Vanaf 1640 ontwikkelde Frans Hals een koeler kleurengamma door zijn met grijs vermengde kleuren. Meesterwerken uit die tijd zijn De regent van het St Elisabeth Gasthuis, Jasper Schade van Westrum (1646) en Willem Coymans (1645).

Helaas heeft Frans zijn reputatie als boegbeeld van het bankbiljet van tien gulden niet helemaal waar gemaakt. Hij bracht namelijk het grootste gedeelte van zijn leven als arme sloeber door en had constant financiële zorgen. Zo erg zelfs, dat hij aangeklaagd werd door zijn slager, bakker en schoenmaker vanwege uitstaande schulden. In 1654 betaalde hij een schuld aan de bakker af met verschillende schilderijen. Aan het eind van Frans Hals' leven moest hij zelfs in 1662 voor bijstand bij het stadsbestuur aankloppen. Toch maakte hij toen nog twee grote regentenstukken.

Op 1 september 1666 werd de schilder begraven in de Grote of Sint-Bavokerk. Op de plaats van zijn graf is tegenwoordig een nieuwe grafsteen te vinden. Deze werd daar in 1962 geplaatst.

Frans Hals, gestorven in 1666, was degene die in de 17e eeuw de toon zette voor de omvorming van het representatieve portret naar een meer natuurgetrouwe en persoonlijker karakterisering van de betrokken personen. Hierdoor was hij één van de belangrijkste portretkunstenaars in de kunstgeschiedenis. In het Frans Hals museum in Haarlem bevindt zich een gedeelte van zijn werk, waaronder de acht grote groepsportretten, die beschouwd worden als de meesterwerken uit zijn oeuvre.

Werken:
Feestmaal van de officieren van de Sint-Jorisdoelen, 1616, 324x175, Haarlem, Frans Halsmuseum
Dit werk vertoont glansrijk de geniale techniek van Hals en schenkt een ontzagwekkende indruk van concrete kracht en van gemeenschap in de vreugde van de maaltijd. Nog opeengedrongen, hoewel streng bestudeerd, rijk aan details en toegevend aan Venetiaanse beginselen, draagt de compositie de stempel van een heldhaftige spanning en van een krijgshaftige kracht, die zijn weergaloze waarde uitmaken. De kleurenorkestratie berust op de dichtheid van een rood en zwarte harmonie, beheerst door het doffe goud van de kussens in brokaat. Het witte tafelkleed is bedekt met uitgekozen spijzen, stilleven dat door de specialisten van die tijd niet werd geëvenaard. (Sneldia)

Voedster met kind (Catharina Hooft), ca. 1619-20, olieverf op doek, 86x65, Berlijn, Gemäldegalerie

Huwelijksportret van Isaak Abrahamsz Massa en Beatrix van der Laen, 1621, olieverf op doek, 140x167, Amsterdam, Rijksmuseum. Sinds 1852 in het museum.
Hals begon te schilderen toen hij halverwege de dertig was en produceerde dit werk vijf jaar later (1621). Klimop en distel symboliseren de trouw en misschien de vrouwelijke en mannelijke elementen in het huwelijk. Rechts achter zien we een renaissancevilla, tuinen, beeldhouwwerken. Onbevangen intimiteit. Genieten van de omgeving. Sommigen houden het voor een portret van Hals en zijn vrouw. (Scala dia; Meesterwerken, 75)

Dit werk is geïnspireerd op Rubens' Kamperfoeliestruik met het schijnbaar ontspannen en onconventionele paar onder de kamperfoelie. De houding van het net getrouwde tegen een boomstam leunende paar benadrukt de informele sfeer van het portret. De klimop die tegen de boom groeit en loopt tot aan de voeten van de vrouw, symboliseert de 'eeuwige' duur van het huwelijk. De vrouw legt haar hand nonchalant op de schouder van de man. De distel die links van de man op de droge grond groeit, kan een verwijzing zijn naar de woorden die God tot Adam sprak na de zondeval: "Om uwentwil is de aardbodem vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distels zal hij u voortbrengen" (Genesis 3:17 e.v.). Dit was dus een symbool voor de met de zondeval in de wereld gekomen arbeid. In de puriteinse calvinistische ethiek, die toen al wijdverspreid was in de Nederlanden, speelden werk en prestatie een centrale rol als basis van de persoonlijke levenswijze.

Het werk bevat een Italiaanse landschapsachtergrond, wat als teken van voornaamheid moest gelden. Te zien zijn op dit portret een door de zon beschenen villa, een marmeren beeld en een fontein. Deze achtergrondelementen zijn echter van een esthetische fictie; ze hebben geen relatie met de echte wereld van het paar. Uit iconografische details blijkt dat de villa de tempel van Juno is, de godin van het huwelijk, met als attribuut de pauw. (Portret 141)

Zingende knapen, ca. 1625, olieverf op doek, 76x52, Kassel, Staatliche Kunstsammlungen

De vrolijke drinker, 1627, doek, 81x67. In 1806 uit de verzameling van barones Van Leyden aangekocht door het Rijksmuseum Amsterdam.
De 17de-eeuwse mode had een grote voorkeur voor het deftige zwart, een kleur die slechts weinig schilders tot leven weten te brengen. Het zijn de heel groten, de werkelijke coloristen, die het strenge en sombere zwart zo weten te behandelen dat niemand meer denkt aan het ondoorschijnende van een dergelijke kleur. Hals was één van die grote coloristen. Men heeft eens gezegd dat hij wel 27 zwarten heeft gebruikt. Bij het woord colorist denkt men echter vooral aan heldere sprekende kleuren. Ook daarin heeft Hals zijn meesterschap getoond. Het zijn in het Rijksmuseum vooral de vaandeldrager van het door Hals niet afgemaakte schuttersstuk en de vrolijke drinker die zijn helder palet tonen.

Hals is in de werken die zonder opdracht zijn ontstaan, waar visserskinderen en enkele volkstypen zijn model waren, toch allereerst de portrettist, voor wie de mens primair blijft... Of hij een zakenman, een geleerde of min of meer een bohémien is, doet er voor Hals niet toe. Vandaar dat men de meeste van zijn werken uitstekend kan plaatsen naast hofportretten van andere grote schilders. De vrolijke drinker is een oude niet zeer gelukkige titel, want bij nader inzien is de vrolijkheid maar heel betrekkelijk; de even geopende mond is niet die van een gulle lach. De kop is rijk van toon en Hals paste in de schaduwpartij zelfs vrij veel groen toe zoals dit zowel in de Byzantijnse kunst als in de 20ste eeuw bij menig expressionist voorkomt. Met een zeer losse toets zijn haren en baard geschilderd. De naar voren gestoken hand met de schuine witte manchet geeft een prachtig ruimte-effect. De hand is echter niet naar de toeschouwer gericht. Integendeel, hij schijnt die op een afstand te willen houden. Hals is hier coloristisch en in de licht- en schaduwwerking heel impressionistisch. Met zulk werk heeft hij zeker invloed gehad op Manet. De zwierige hoed en de gebogen vingers, die het glas aan de voet vasthouden, plaatsen de man uitstekend in de ruimte. De kraag, luchtig en soepel, is uit kleine zeer beweeglijke toetsen opgebouwd. Men heeft wel eens gemeend in het medaillon een portret van prins Maurits te kunnen herkennen. Hals heeft zeer waarschijnlijk hier meer een helder kleureneffect beoogd en een ovale vorm gewenst die het wat gedrongene van de gestalte, veroorzaakt door de ceintuur, zou breken. Het paarse koord, schuin onder het medaillon, is een zeer geraffineerd en speels effect, waaraan men nauwelijks een andere betekenis kan hechten. Al is Hals vermaard om zijn prachtige portretten, coloristisch neigt hij onbewust naar abstracties, zoals die in de 20ste eeuw bewuster worden opgezet.

Een combinatie van robuustheid en brede blik (Rubens) met een concentratie op het dramatische moment (Caravaggio). Zeer spontaan: lachende ogen, halfopen mond, opgeheven hand, balancerend wijnglas, vlotte wijze waarop de vormen zijn aangebracht. De techniek: snelle duidelijk zichtbare penseelstreken. Het resultaat heeft de directheid van een schets, maar in feite heeft hij uren eraan gewerkt. Doch hij wekt de illusie dat alles in een handomdraai is gebeurd. Dit blijkt uit alle dergelijke werken van Hals (Malle Babbe,...) (Janson; VAN GULDENER, Rijksmuseum Amsterdam, Schilderijen, 24; Meesterwerken, 75)

Schitterende techniek (vegen) met alle mogelijke geeltinten. Mooie weergave van het glas witte wijn (of bier?). Aan zijn gordel is een portretje bevestigd. (dhk)

Een onderzoek van Hals’ techniek leert ons hoe hij erin slaagt om de hartslag van het leven te suggereren. De vrolijke drinker lijkt op het eerste gezicht als een wild en min of meer richtingloos geheel van streken, toetsen en klodders die zowel scherp, gebroken of hoekig kunnen zijn. Maar vanop een zekere afstand gezien lost dit impulsieve penseelwerk als vanzelf op tot een coherente impressie die vorm en textuur suggereert naast een verbazend lichtspel. Deze techniek is een van de grootste ontdekkingen in de geschiedenis van de schilderkunst. Het principe duikt reeds op in de 16de-eeuwse Venetiaanse schilderkunst, maar werd daar nooit zo consistent toegepast.

Hals is zeker niet revolutionair in de opbouw van zijn portretten. Hij begint altijd met het uittekenen van de hele vorm in de middentint. Vanuit deze basis brengt hij details aan met vlugge toetsen van licht en schaduw. Zo modelleert hij de vorm en brengt hij beweging op de belangrijkste punten. Zijn penseeltrek is wel zeer individualistisch en spontaan, maar is steeds aangepast aan het karakter en de variëteit van het schilderoppervlak. De vorm is samenhangend opgebouwd vanuit donker en licht en getuigt van een grote levendigheid door het opbrengen van dikkere verflagen.

Bohémienne, ca. 1626/1630, paneel, 58x52, Parijs, Louvre
Het is een onderwerp uit de volkskringen als portret vol leven, sappigheid, karakter. Hals gebruikt een nieuwe techniek: hij strijkt de verf in zware strepen op het doek met een breed penseel en zelfs met een spatel. De vrouw heeft een weelderige boezem, een zinnelijke mond, een raadselachtige glimlach (naturalisme!). Het volmaakte type van de zigeunerin met toch eigen trekken (weelderige boezem). (Janson; Meesterwerken 47; dhk)
Zeker geen portret maar een karakterstudie van een onbekende jonge vrouw. Haar losse haren en haar slordige kleding wijzen erop dat ze niet tot de gewone burgerij behoort; daarom denkt men algauw dat ze een hoer is. Toch zijn stand en beroep niet van belang voor de zeer levendige manier waarop deze ondeugend en zelfverzekerd lachende vrouw geschilderd is. De wilde penseelstreken waarmee de blouse aan haar losse vorm komt, zijn op zichzelf al een genot. Ook kan het schilderij met weinig kleuren toe zonder dat het een monochrome indruk maakt. Het koloriet is gekozen op grijswaarden met wit en niet op een warme gouden gloed zoals bij Rembrandt. (Louvre 506)

Malle Babbe, ca. 1650, doek, 75x64, Berlijn, Staatliche Museen, In de verzameling Suermondt (1874).
Een volksvrouw die iets van een heks heeft (uil op haar schouder), maar ook iets van iemand die niet goed wijs is, en de andere gasten in een herberg de huid vol scheldt. Hals lijkt haar meer met leedvermaak dan met deernis te bezien, maar hij beeldt haar met een geniale scherpte uit, en zijn bliksemsnelle penseelvoering maakt dit doek tot een bravourestukje van enorme vakbekwaamheid. (Janson 508; Meesterwerken, 89)

Portret van Stephanus Geraerdts, schepen van Haarlem, 1650-52, olieverf op doek, 115x87, Antwerpen, K.M.S.K.

Portret van de regenten van het Haarlemse Oudemannenhuis, 1664, 256x173, Haarlem, Frans Halsmuseum
Hoort bij een ander portret van de regentessen van hetzelfde Oudemannenhuis. Het is een van zijn laatste opdrachten. Regenten waren mannen of vrouwen (meestal uit de hogere standen) die door het stadsbestuur waren aangesteld om liefdadigheidsinstellingen te leiden. De regenten lieten zich graag afbeelden tijdens een vergadering, waarbij ze bezig waren met boekhouden of geld te tellen, echter nooit in het bijzijn van één van de armen voor wie zij zorg moesten dragen. Dit werd als beneden hun status beschouwd. Een enkele keer staat er een dienstmeisje of bewaarder, waarbij de lage status dan duidelijk werd aangegeven doordat ze blootshoofds waren.

Deze portretten zijn volgens het gewone principe gemaakt, maar dan zo veranderd dat de regenten no nauwelijks in een narratieve context met bepaalde kenmerkende handelingen worden afgebeeld. Dit was een compositionele ontwikkeling van de eerste helft van de eeuw, waaraan Frans Hals zelf een grote bijdrage had geleverd. De personen zijn hier wat stijver afgebeeld. Gewoon, vrij formeel en zonder zwierigheid kijken ze de toeschouwer aan. De wens volgend van de geportretteerden, die ieder apart betaalden, houdt Hals zich aan het principe van het afzonderlijk afbeelden van hun gezichten. Aan de andere kant komt er een nieuwe kwaliteit in zijn werk via een onconventionele pre-impressionistische manier van schilderen: het directe, spontane aanbrengen van verf ('alla prima') met de tendens tot open vormen.

Er is wel op gewezen dat deze structurele vernieuwingen, die op de (esthetische) rebellie van een latere avant-garde vooruit lijken te lopen, in verband moeten worden gebracht met de kritische houding van Hals ten opzichte van de regenten en regentessen van het oudemannenhuis. Zo zou de regent die zijn hoed scheef op zijn hoofd heeft staan een alcoholist zijn of drugs gebruiken. Bewezen is echter dat deze man een gezichtsverlamming leed. Het is dan ook onjuist om uit te gaan van dit laat-19de-eeuwse cliché en Frans Hals het motief van wraak toe te schrijven omdat hij slecht behandeld zou zijn door zijn opdrachtgevers.

Zoals gebruikelijk in het genre van de regentenportretten is de achtergrond donker gehouden. (Portret 159-161)

Man met hoed, 1665, olieverf op doek, 80x67, Kassel, Staatliche Kunstsammlungen


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 284.