kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 03-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Frits van Den Berghe

Belgisch schilder, tekenaar, graveur en vervaardiger van hout- en linoleumsneden, geboren 3 april 1883 te Gent - overleden 23 september 1939 aldaar.

Frits van den Berghe behoorde met o.a. Constant Permeke en Gustave de Smet tot de tweede groep van de Latemse-School in Sint-Martens-Latem.

Vooral in zijn schilderijen uit de jaren twintig weet hij een angstaanjagende wereld, vervuld van hallucinaties en nachtmerries op te roepen. Ook zijn latere werk staat voornamelijk in het teken van een expressionistisch georiënteerd realisme.

Van den Berghe was lid van talrijke kunstverenigingen: Kunst en Kennis (1901), De IX (1926), Kunst van Heden (1929), L'Art Vivant (1930), Sélection en Les Compagnons de l'Art. De veelzijdigheid van Frits Van den Berghe blijkt uit een rijke selectie van zijn werk als illustrator voor diverse kranten en tijdschriften, waaronder Selection, Centaure en Variétés. Illustrator van literair werk en voor de Gentse socialistische krant De Vooruit (vanaf 1932) en striptekenaar, naar scenario's van John Flanders, in Bravo.

De ontmoeting met het werk van collega's die voor Frits Van den Berghe van betekenis waren: Pierre Bonnard, Edvard Munch, Jan Sluyters, Gustave De Smet, Leo Gestel, Ossip Zadkine, Joseph Cantré, Giorgio de Chirico, Egon Schiele en Max Ernst.

Eerste belangrijke individuele tentoonstelling in 1916 in Amsterdam. Retrospectieve in 1962 in Brussel (PSK). Leraar in Gent aan de Academie (1907-11) en de Volksuniversiteit. Hij was goed bevriend met Permeke en Gust de Smet. Zijn werken vindt men vooral in de musea van Antwerpen en Brussel.

Biografie
Frits van den Berghe werd op 3 april 1883 in Gent geboren als zoon van een secretaris van de Universiteitsbibliotheek.

In 1898 bezocht hij de Stadschool in de Onderstraat te Gent. Hij studeerde daarna tot 1904 aan de Koninklijke Academie in Gent (o.a. leerling van F. Willaert, J. Delvin en J. Van Biesbroeck), waar hij later ook les gaf. Onder zijn medeleerlingen bevond zich Albert Servaes, een Vlaamse expressionist die door zijn religieuse onderwerpen bekend werd en met wie hij later het kunstenaarsdorp Sint-Martens-Latem, in de Leiestreek, zijn atelier zou delen.

Deelt in Gent het atelier met L. De Smet, R. Aerens en C. De Porre (1902-03).

Eerste geschilderde portretten, landschappen en interieursd in impressionistische stijl. In 1905 sloot Frits van den Berghe zich aan bij de Tweede Latemse School in Sint-Martens-Latem, waar hij tijdens de zomerperiode werkt (1904-13). In hun eerste Latemse jaren kwamen zowel Frits Van den Berghe, Constant Permeke, als Gustave en Leon De Smet in de ban van het luminisme.

In 1907 trad Frits van den Berghe in het huwelijk met Elvira van Houte en werkte hij samen met zijn zwager Jules Hoste aan de oprichting van het socialistische Feesthuis 'Ons Huis' aan de Vrijdagmarkt. In het navolgende jaar werd Van den Berghe als docent genoemd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunst en onder zijn vleugels kwam de vereniging 'Vrienden van Bosch-en-Leie' tot stand.

Kort voor de Eerste Wereldoorlog verbleef hij in New York, maar hij keerde al na enkele maanden terug naar Europa.

Hij kwam als vluchteling naar Nederland. Hij vestigde zich in 1914 - gevolgd door zijn geliefde Stella van de Wiele - in Amsterdam. Hij wordt leraar in Laren en vestigde zich in Blaricum en trof er zijn vriend Gustave de Smet aan. Hij maakt in Nederland kennis met het expressionisme van de school van Bergen en komt er onder de indruk van het fauvisme van J. Sluyters, het kubistisch expressionisme van Le Fauconnier en het Duitse expressionisme. Debuteert onder invloed van E. Claus impressionistisch. In enkele jaren ontwikkelden ze zelf een expressionistische stijl. In 1916 exposeerde hij ook voor de eerste keer in Nederland: Frits met 23 werken en Gustave de Smet met 39.

In de zomer van 1917 keerde hij terug naar België en vestigde zich in Brussel, om in 1919 opnieuw zijn toevlucht in Nederland te zoeken. In Blaricum was inmiddels een enclave van Belgische vluchtelingen ontstaan. De meesten konden en wilden, vanwege hun Vlaams activisme en hun afkeuring voor de Belgische kunstpolitiek, niet naar hun vaderland terugkeren. Hij woonde vanaf 1919 enige tijd in bij zijn eveneens in 1918 naar Blaricum gevluchte landgenoot; de beeldhouwer Jozef Cantre.

Vanaf 1917 evolueerde zijn kunst van impressionisme naar een eigen vorm van expressionisme. Hierbij raakte hij aan de uiterste grenzen van de stijlmogelijkheden van het expressionisme door zijn vaak droomwereldachtige vertekeningen.

In 1920 woont hij in Laren en trekt later in maart in bij Gustave de Smet. In 1920 werden op een tentoonstelling in Groningen de werken van hem en zijn oude vrienden Jozef Cantré en Gustave de Smet gezamenlijk geëxposeerd.

Het werk van Frits van den Berghe en Gustave de Smet evolueerde in deze periode naar een zeker classicisme. In weloverwogen composities schilderden ze de menselijke figuur in zijn landelijk of stedelijk decor, hierbij gebruik makend van verzadigde kleuren en een rijke verfmaterie. Gustave de Smet bleef in deze classicistische richting verder werken. Terzelfder tijd kreeg het expressionistische en fantastische element bij Frits van den Berghe de bovenhand. Terwijl zijn vriend De Smet rond 1930 evolueerde naar een sfeervol realisme, geraakte Van den Berghe in de ban van het surrealisme en veranderde hij radicaal van stijl.

In 1921 woont hij in villa 'Carle' te Laren. Van den Berghe beeldde in deze periode meermalen de vluchtelingen van de Blaricumse Belgische enclave af. Onder andere in het schilderij 'De Bannelingen' in 1919 en de Linosnede 'Malpertus' in 1920.

In Nederland verwerkte van den Berghe het fauve coloriet van J. Sluyters, het kubistische expressionisme van Henri le Fauconnier en het dramatische dynamisme van de Duitse expressionisten. Hierdoor ontstond een breuk met het impressionisme tijdens zijn eerste periode in Nederland en via het constructivisme (uit de tweede Nederlandse periode) evolueerde hij tijdens zijn verblijf met Gustave de Smet te Bachte-Maria-Leerne naar een extreem expressionisme. Er kwam een hechte samenwerking met Sélection en Le Centaure te Brussel, waar A. de Ridder en P.G. van Hecke de grote promotors van Van den Berghes kunst waren.

Voor Gustave De Smet en Frits Van den Berghe waren de oorlogsjaren van cruciaal belang. De directe confrontatie in Nederland met het kubisme en het Duits expressionisme ontlokte een kentering in hun oeuvre. Beiden werden in het begin van de jaren 1920 opgenomen in het Brusselse avant-garde milieu waarin vooral Franse invloeden de hoofdtoon hadden. In hun zoektocht naar een herdefiniëring van de werkelijkheid gaan ze de dialoog aan met het werk van de meest vooraanstaande Franse kunstenaars die o.m. bij de galerie en het tijdschrift Sélection de revue passeerden. Anderzijds mag hun persoonlijke ontwikkeling in Nederland niet onvermeld blijven, waarin zeker de aanzet lag van hun modernistische streven in de jaren 1920.

Na het verblijf in Nederland woonde hij in 1922 met De Smet en Constant Permeke in Oostende, daarna te Bachte-Maria-Leerne (G. De Smet) en in Afsnee (P.-G. Van Hecke) en ten slotte in 1927 weer te Gent (sinds 1930 definitief).

Na zijn terugkeer in Belgie worden de vormen minder scherp en evolueert hij, onder invloed van het Brusselse kunstmilieu, naar mondainere thema's en een verfijnder koloriet.

Toen Gustave De Smet en Frits Van den Berghe in 1922 opnieuw hun opwachting maakten in de Leiestreek, eerst in Bachte-Maria-Leerne, later in Afsnee, vormde de Leiestreek hun inzichten tot een klassiek expressionisme, waarin een begrip als Einfühling het uitgangspunt was. De omgeving van de kunstenaar vormt met andere woorden zijn beeldende reflectie. Frits Van den Berghe bijvoorbeeld werkte tussen 1922 en 1924 aan een reeks landschappen, waaruit een opvallende hang naar geometrie en harmonie blijken. Gustave De Smet ging zich in deze jaren meer op de menselijke figuur concentreren. Zijn afstandelijke benadering herinnert zeker aan de visie van André Lhote (1885-1962), die evenzeer harmonie, gestrengheid en afstandelijkheid propageerde. In tegenstelling tot De Smet en Van den Berghe zou Constant Permeke op dat ogenblik vooral het sociale vraagstuk aansnijden. Het harde landleven, de armoede, de sociale wanverhoudingen kregen een monumentale gestalte, die de absolute vertaling van Permekes empathie, het mede-leven met zijn medemens incorporeerde. Niet de constructie van het geheel droeg zijn belangstelling weg. Alle picturale middelen zag hij in functie van de vrije expressie, die vooral op intuïtie gestoeld was.
Na 1925 gingen hun wegen meer en meer uiteen. Gustave De Smet sloeg eerder de weg in van een decoratief, sterk abstraherend en milder expressionisme, dat in de jaren 1930 zelfs raakpunten vond met het animisme. Van den Berghe daarentegen ging de zichtbare werkelijkheid meer en meer verlaten, om aan de droom en de verbeelding de belangrijkste impuls tot schilderen te geven. Voor Permeke bleef de mens en het landelijke leven centraal staan, vooreerst in de schilderkunst, in de late jaren 1930 ook in de beeldhouwkunst.

Na zijn donkere Nederlandse periode kiest hij een helderder palet en gebruikt grotere formaten.

Vanaf 1927 is zijn kunst surrealistisch en vertoont ze verwantschap met deze van Max Ernst; groteske maskers en burleske mannequins geven uitdrukking aan zijn gevoeligheid, spirituele onrust en obsessies. Is medeoprichter van de kunstgalerij L'Epoque (Antwerpen, 1927-31) en onder contract bij Sélection en Le Centaure (1920-31).

Hij sluit zich aan bij de groep 'L'Epoque' en de surrealistische beweging. Onder invloed van Max Ernst ging hij over naar een zeer persoonlijke stijl, sterk surrealistisch getint, hallucinerend en expressief, met neiging tot het groteske en het barokke. Hij schildert fantastische, visionaire landschappen met spookachtige figuren, in de geest van Ensor en Bosch. Zijn olieverfschilderijen werden uitgevoerd op gekleefd papier, wat interessante effecten gaf. De menselijke figuur werd irreëel met een uitdrukking van angst en obsessie.

Na 1928 ging hij over op surrealistisch getinte composities, waarin het fantastische een grote rol speelt en imaginaire wangedrochten worden weergegeven in een zeer persoonlijke stijl. Deze uiterst begaafde en zeer ontwikkelde kunstenaar wordt dan ook gezien als de geestelijke vader van het (Vlaamse) expressionisme.

De schilderkunst van Van den Berghe werd gevoed door een scherpe zin voor natuurwetenschappen, affiniteit met het surrealisme, belangstelling voor de psychoanalyse en kennis van wereldliteratuur, mythologie en volkskunst. Het centrale thema in het oeuvre van deze kunstenaar is steeds weer de mens, in zijn tragische onvolkomenheid. Zijn werk is gekenmerkt door een merkwaardige evolutie; hij debuteerde als luministisch impressionist onder invloed van E. Claus en ging van het impressionisme via het expressionisme naar een eigen vorm van surrealisme, waarbij zijn palet door een fantastische verbeeldingskracht werd bepaald. Ook zijn late werk staat voornamelijk in het teken van een expressionistisch georienteerd realisme.

De laatste jaren van zijn leven hield Van den Berghe zich vooral met tekenen bezig.

In 1938 wordt hij lid van de Academie Picard in Brussel.

Van den Berghe stierf op 23 september 1939 in de Sint-Katelijnestraat te Gent. Zie ook Bij den dood van Vlaanderens grooten kunstenaar Frits van den Berghe

Websites:
. www.arto.be
. websthetica


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 32.