kunstbus







Grafiek

[van het Grieks 'graphein' = 'schrijven, tekenen, ritsen'] Aan de ene kant wordt met het begrip grafiek alle soorten tekeningen, van de met de hand gemaakte tekening tot de moderne industrieel vervaardigde tekening (de zogenaamde gebruiksgrafiek), aangeduid. Aan de andere kant heeft de benaming grafiek binnen de drukkerswereld betrekking op alle technieken, die worden gebruikt voor de kunstmatige verveelvuldiging, met name van de houtsnede, de kopergravure, de ets en de lithografie. Bij deze drukgrafiek onderscheidt men de positie van de af te drukken delen; hoogdruk, diepdruk en vlakdruk.

De graveur (m) (graveurs):
1 plaat-, zegel- of stempelsnijder
2 kunstenaar die het graveren beoefent

Hoogdruk
Bij de houtsnede, een hoogdrukprocédé, blijven de afdrukkende delen staan, terwijl de delen, die bij de druk wit moeten blijven uit de drukplaat (recht- of radiaalgezaagd) uitgesneden worden.

Diepdruk
Kopergravure en ets daarentegen, worden tot het diepdrukprocédé gerekend. Met een graveerstift (bij de kopergravure) of een graveernaald (bij de ets) worden in een koper- of metaalplaat de lijnen van de tekening ingegraveerd of gekrast, die naderhand bij de druk ook als tekening verschijnen. De drukinkt wordt hierbij op de plaat gesmeerd en daarmee ook in de groeven van de plaat ingebracht. Daarna wordt de plaat schoongeveegd, waardoor er nog slechts inkt achterblijft in de dieper liggende groeven. Door nu onder grote druk (in een drukpers) deze drukplaat op een zogenaamde beelddrager (papier, hout, kunststof, e.d.) te persen, wordt de inkt uit deze groeven op het papier overgezet.

Vlakdruk
Bij vlakdruk (steendruk, offsetdruk) liggen de af te drukken delen op gelijk niveau met de niet af te drukken delen. Door een chemische behandeling van de drukplaat (bij de lithografie of steendruk een vlakke stenen plaat, die met bepaalde vette soorten verf of inkt wordt beschilderd) volgt een scheiding tussen de wel en niet af te drukken delen.

Doordruk
Een speciale vorm van de drukgrafiek is de doordruk (zeefdruk, sjabloondruk), waarbij de verf of inkt door een zeef met zeer fijne openingen of over een sjabloon op de beelddrager wordt gestreken.

Vierkleurendruk
Daarnaast zijn er voor de industriële- en de boekdrukkerij met grote oplagen speciale technische processen ontwikkeld, zoals de vierkleurendruk, waarbij door rastering van de drie basiskleuren (geel, rood, blauw), aangevuld door zwart alle kleuren zijn te imiteren.

fecit
[Lat.= 'hij heeft uitgevonden'] In de grafische kunst de benaming voor de naam van degene die de tekening voor een druk heeft vervaardigd of 'uitgevonden'.

Het prenten-ABC

Het prenten-ABC: termen en begrippen uit de prentkunst in het kort verklaard
uitg. Rijksmuseum Amsterdam, 1981

Aanleg
Vaste markering op de drukpers om het papier tegen aan te leggen, zodat het papier telkens op dezelfde punten bedrukt wordt. Bij kleurendruk noodzakelijk om de kleuren passend te drukken.

Adres
Vermelding op een prent van de naam van de prentuitgever of -uitgeverij. Kan door een eventuele volgende uitgever worden vervangen.

Ad Vivum / Ad Viv.
'Naar het leven' staat soms vermeld in onderschriften.

Afdekken
Het bedekken van delen van de etsplaat met bv. afdekvernis of asfaltlak, ter bescherming tegen het etswater. Zie ets.

Afdekvernis
B.v. hars opgelost in spiritus. Is zuurbestendig en wordt gebruikt als afdekmiddel bij het bijten van een etsplaat. Zie ets.

Afdruk
Afbeelding op papier of ander materiaal, overgebracht door een ingeïnkte drukvorm. De afdruk toont het spiegelbeeld van de drukvorm.

Affiche
Aanplakbiljet. Als kunstvorm beschouwd vanaf ca. 1890, toen kunstenaars als Toulouse-Lautree affiches gingen maken. Zij maakten daarbij gebruik van de lithografie. Tegenwoordig worden affiches meestal fotomechanisch vervaardigd.

APDR
Avec Privilège du Roi. Vermelding op een prent van de koninklijke toestemming om de prent uit te geven. Verplicht in Frankrijk tot 1793. Zie ook CPR

Aquaforte fecit / Aq.F.
'Maakte het met sterk water, dwz. etste het. Toevoeging bij de naam van de kunstenaar.

Aquatint
Diepdruk. Etstechniek om vlakken met een egale toon te verkrijgen. Eerst alleen als aanvulling van de lijnets toegepast, later ook zelfstandig, Er zijn twee manieren om de etsplaat een structuur, een grein, te geven zodat de inkt niet alleen in smalle groeven maar ook op vlakken blijft zitten:
1. Korreltjes op de plaat aanbrengen. B.v. door zuurbestendig hars- of asfaltpoeder op de plaat te strooien of te verstuiven. Daarna wordt de plaat verwarmd, zodat de korrels van het poeder zich aan de plaat hechten. Bij het afdrukken ontstaan vlakken met witte puntjes tegen een donkere achtergrond.
2. De etsgrond perforeren. B.v. door er schuurpapier op te drukken. Of door zoutkorrels te strooien op de verwarmde en zacht geworden etsgrond. In water lost het zout op zodat in de etsgrond kleine gaatjes achterblijven. Bij het bijten dringt het etswater door de gaatjes in de etsplaat. Bij het afdrukken ontstaan vlakken met donkere puntjes tegen een witte achtergrond. Als uitvinder van de aquatint geldt J.B. Le Prince, midden 18e eeuw. Kleurenaquatinten waren in de 2e helft van de 18e eeuw in Frankrijk zeer geliefd. Zie ook suikeraquatint

Arabische gom
Plantaardige lijm uit de schors van bepaalde acaciasoorten. In water oplosbaar tot een doorzichtige, kleverige vloeistof Gebruikt bij de lithografie.

Arceren
Het evenwijdig naast elkaar zetten van lijnen. Vooral bij houtsnede en gravure de gebruikelijke methode om halftonen, grijze tinten en schaduwen te suggereren

Asfaltlak
Asfalt opgelost in terpentine. Is zuurbestendig en wordt gebruikt als afdekmiddel bij het bijten van een etsplaat. Zie ets.

Autografisch papier Speciaal geprepareerd papier met aan één kant een deklaag die in water oplosbaar is. Hierop kan met lithografisch krijt of tusche getekend worden. Daarna wordt het papier ingevocht, op een lithosteen gelegd en zo door de pers gehaald; de tekening blijft op de steen achter. De lithosteen wordt verder op de gewone wijze behandeld, zie lithografie.
Het tekenen op autografisch papier heeft een aantal voordelen: papier is gemakkelijker te hanteren dan de zware steen, de uiteindelijke afdruk is niet gespiegeld maar vertoont dezelfde richting als de oorspronkelijke tekening.

Autotypie
Procédé voor het weergeven van tussentinten in de boekdrukkunst.

Avant la lettre 'Vóór de letter'. Term voor een afdruk die gemaakt is voordat het onderschrift is aangebracht.

Berceau
Wiegijzer.

Bladvituur
Schuinstaand scherm van transparant papier op de werktafel van de graveur. Dient om het licht te zeven en het weerspiegelen van de gepolijste plaat te temperen.

Blinddruk
Druk zonder inkt, waarbij reliëf in het papier ontstaat.

Blindstempel
Stempel met een naam of teken in blinddruk. Sinds het einde van de 19e eeuw op prenten aangebracht door uitgevers en drukkers, soms ook door verzamelaars.

Blokboek
Het oudste type gedrukte boek in West-Europa. Iedere pagina is een houtsnede, waarin zowel beeld als tekst is uitgesneden. Voornamelijk gemaakt in de Noordelijke Nederlanden en Duitsland tussen ca. 1430 en 1470. Daarna verschenen de boeken met illustraties in houtsnede en tekst in losse, gegoten metalen letters.

Boekdruk
Hoogdruk

Bon á tirer
Goed om te drukken'. Door de kunstenaar geschreven op een afdruk die de drukker als voorbeeld voor de oplage moet gebruiken.

Braam
Opstaand randje metaal naast een in de metalen plaat getrokken lijn. Bij de gravure wordt de braam weggeschraapt. Bij de droge naald laat de kunstenaar de braam juist zitten: de inkt blijft dan onder dit randje hangen wat bij het afdrukken geen strakke maar een vervloeiende lijn geeft. Het randje is na ca. 30 drukken geheel afgesleten of platgedrukt.

Bruineerijzer
Polijststaal

Burijn
Stalen stift met een meestal ruitvormige of driekantige doorsnede, aan de voorkant schuin afgeslepen. De stift is gevat in een knopvormige houten greep. Zie gravure.

Bijten
Het inwerken van etswater op plaatsen die niet bedekt zijn door etsgrond of afdekmiddel. Zie ets.

Caelavit
'Graveerde het'. Toevoeging bij de naam van de kunstenaar.

Calque
Copie van een tekening, ontstaan door overtrekken op calqueerpapier.

Calqueerpapier
Doorschijnend papier om een tekening op over te trekken.

Camaïeu houtsnede
Hoogdruk. Houtsnede gedrukt van twee blokken, één voor de zwarte lijntekening en één voor de kleur of toon. In het toonblok zijn de hoge lichten, de lichtplekjes, uitgespaard, zodat op de afdruk daar, het wit van het papier te zien is. Vanaf het begin van de 16e eeuw vooral in Duitsland toegepast.

Centsprent
Kinderprent

Chalcografie
Oude naam voor kopergravure. Tegenwoordig de naam voor een verzameling van bewerkte koperplaten en - als uitbreiding - bewerkte houtblokken en Lithostenen. In Madrid, Parijs en Rome bevinden zich de grootste drie chalcografiëen. Van sommige platen worden ook nu nog wel afdrukken gemaakt.

Champlevage
'Het weghalen van een veld', dwz. het wegsnijden van de niet-drukkende delen van een houtblok. Zie houtsnede.

Chinees papier
Dun, wit papier. Ondanks de naam vervaardigd in Japan.

Chine collé
Een dun velletje Chinees papier werd met een groter vel stevig papier en wat lijm ertussen op een etsplaat of lithosteen gelegd. Bij het drukken hechtten deze twee zich dan aan elkaar. In de 19e eeuw werd deze combinatie veel gebruikt om etsen en litho's op af te drukken omdat er een zeer fijne nuancering op mogelijk was.

Chromolithografie
Litho in kleuren. Gebruikelijke naam voor 19de eeuwse afbeeldingen in boeken, op verpakkingsmateriaal enz., waarvan de kleuren soms wel van 20 of 30 stenen zijn gedrukt. Door de vele inktlagen is het oppervlak dikwijls glimmend.

Clair-obscur houtsnede
Hoogdruk. 'Licht-donker' houtsnede in meestal 3 á 4 nuances van één kleur. Voor elke nuance werd een blok gesneden met telkens een deel van de voorstelling. Deze blokken werden over elkaar heen afgedrukt. De naam wordt ook wel gebruikt voor de combinatie van camaïeu houtsnede en clair-obscur-houtsnede, dwz. een sleutelblok voor de contouren aangevuld met blokken voor de kleurnuances. Vanaf het begin van de 16e eeuw vooral in Duitsland en Italië toegepast.

Cliché verre
Op fotografisch papier gemaakte afdruk. Als negatief dient òf een fotoglasplaat waarop in de belichte lichtgevoelige laag met een naald is getekend, òf een glasplaat die bedekt is met een beroete of geschilderde laag waarin een voorstelling is gekrast. Uitgevonden ca. 1850. Vanouds bij de grafiek opgenomen hoewel het procédé daar eigenlijk niet toe behoort.

Composuit / Comp.
'Stelde het samen'. Toevoeging bij de naam van de maker van de oorspronkelijke voorstelling waarnaar de prent is gemaakt.

Contre épreuve
Tegendruk. Afdruk van een prent, die ontstaat door een vel papier samen met een nog natte afdruk door de pers te halen. De contre épreuve heeft dezelfde richting als de drukvorm en wordt b.v. gebruikt voor controle en eventuele correcties.

Copie
Nabootsing van een prent door een andere maker dan de oorspronkelijke. Veel copieën van prenten zijn nauwelijks te onderscheiden van de originelen en ze werden (en worden) dan ook vaak als originelen verhandeld.

CPR
Cum Privilegio Regis. Vermelding op een prent van de koninklijke toestemming om de prent uit te geven. Verplicht in Frankrijk tot 1793.

CPSCM
Cum Privilegio Sacrae Caesaris Maiestatis. Vermelding op een prent van de keizerlijke toestemming om de prent uit te geven. Gebruikelijk in het rechtsgebied van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie in de 17e en 18e eeuw.

Crayonmanier
Diepdruk. Etstechniek om het effect van krijtlijnen en vlakken te bereiken. De kunstenaar werkt met een roulette en een mattoir in de etsgrond zodat na het bijten puntjes en gestippelde lijnen in de plaat ontstaan. Dikwijls in roodbruin gedrukt om de roodkrijt-tekening te imiteren. Ook gebruikt bij kleurendruk om pastels na te bootsen. Toegepast vanaf het midden van de 18e eeuw.

Cul de lampe
Vignet aan het einde van een hoofdstuk in een boek.

Cum privilegio / C.P.
'Met privilege'. Toevoeging bij de naam van een instantie, b.v. de Staten van Holland en West-Friesland; geeft aan dat er toestemming is verleend om de prent uit te geven.

Deegdruk
Blinddruk op papier dat bestreken is met een dun laagje deeg. Toegepast in de 15e eeuw.

Degelpers
Drukpers voor hoogdruk. De eenvoudigste handdrukpers waarbij de degel, een vlakke plaat, op de drukvorm wordt gedrukt zodat de hele drukvorm in één keer op het papier wordt afgedrukt. In gebruik vanaf het midden van de 15de eeuw.

Delineavit / Del.
'Tekende het'. Toevoeging bij de naam van de maker van de tekening waarnaar de prent werd gemaakt.

Designavit / Des.
'Tekende het of ontwierp het'. Toevoeging bij de naam van de maker van de tekening waarnaar de prent werd gemaakt.

Diepdruk
Druk waarbij dé lijnen en vlakken die afgedrukt moeten worden verdiept in een plaat liggen. Met een tampon wordt de taaie drukinkt over de bewerkte plaat verspreid en in de groeven gewreven. Daarna wordt het oppervlak van de plaat schoongeveegd met kaasdoek, of met de muis van de hand 'afgeslagen'. De plaat met een vel papier er op en een laag vilt erover, wordt tussen de rollen van de plaatdrukpers doorgedraaid. Het papier is vochtig en neemt daardoor de inkt uit de groeven gemakkelijk op. Door de randen van de plaat ontstaat een moet, kenmerk van de diepdruk. O.a. aquatint, crayonmanier, ets, gravure, vernis mou en zwarte kunst.

Direxit / Dir.
'Begeleidde het'. Vermelding bij de naam van het hoofd van de werkplaats waar de prent werd gemaakt.

Divulgavit / Div.
'Gaf het uit' of 'Verspreidde het'. Toevoeging bij de naam van de uitgever.

Doordruk
Diepdruktechniek om krijttekeningen na te bootsen. O.a. toegepast door Cornelis Ploos van Amstel (1726-1798). Van een tekening maakte hij dmv. calqueren een nauwkeurige copie die hij vervolgens op een vel stevig papier afdrukte. Zo kreeg hij de tekening in spiegelbeeld. Hij bestreek de achterkant van die afdruk met lijm en strooide er een fijn, hard poeder over. Met de bepoederde kant naar beneden legde hij het papier op een plaat met etsgrond. De tekening trok hij dan na met een stift zodat de korrels van het poeder door de etsgrond werden gedrukt. Dit gaf bij het bijten een korrelige lijn waardoor bij het afdrukken een krijteffect werd bereikt.

Doubleren
Een dunne, gescheurde of beschadigde prent ter versteviging plakken op een ander vel papier.

Droge naald
Diepdruktechniek waarbij de lijnen met een scherpe naald direct in de metalen plaat zijn getekend. Aan de zijkant van de lijn ontstaat daarbij een randje metaal, de braam. De inkt blijft daar hangen en zo krijgen de lijnen op de afdruk een fluwelig effect. Door het snelle slijten van de braam kunnen van een droge naald maar ca. 10 fraaie en 20 redelijke afdrukken worden gemaakt. Vanaf ca. 1450 door de Meester van het Amsterdamse Kabinet toegepast. In de 17e eeuw veel door o.a. Rembrandt, meestal in combinatie met de ets.

Droogstempel
Blindstempel

Drukinkt
Samengesteld uit een oplosbare kleurstof, een oplosmiddel en een bindmiddel om de kleurdeeltjes te binden en te laten hechten op de afdruk. Of uit een niet oplosbare kleurstof, een drager en een bindmiddel. Tot de 19de eeuw maakte een drukker zelf zijn inkt met natuurlijke pigmenten, daarna werd de inkt in de fabriek en met synthetische kleurstoffen gemaakt

Drukvorm
Houtblok, koper- of zinkplaat, lithosteen enz. met een voorstelling. Van de drukvorm wordt de voorstelling afgedrukt op papier. Voor iedere afdruk moet de drukvorm opnieuw worden ingeïnkt

Echoppe
Dikke etsnaald die schuin is afgeslepen. Door hem bij het tekenen in de etsgrond meer of minder schuin te houden kan de dikker en dunner wordende lijn van de gravure worden nagebootst. In de 17de eeuw voor het eerst gebruikt; o.a. toegepast door Callot.

Effigiayit / Effig.
'Tekende het'. Toevoeging bij de naam van de maker van de tekening waarnaar de prent werd gemaakt.

Épreuve d'artiste
Afdruk gemaakt voor de kunstenaar vóórdat de oplage gedrukt gaat worden.

Épreuve d'essai
Proefdruk

Éprenve de passe
Extra afdruk gemaakt ná de genummerde oplage.

Ets
Diepdruk. Afdruk van een plaat waarin de lijnen door zuur in het metaal zijn gebeten. Meestal is de plaat van koper, soms van ijzer of zink. De plaat wordt enigszins verwarmd en bedekt met etsgrond. Dit laagje wordt met een kaarsvlam beroet om de lijnen die daarna met een etsnaald in de etsgrond worden getekend, tot op de plaat, goed zichtbaar te maken. In een bad met etswater worden de bloot gekomen delen van de plaat aangevreten en verdiept. De achterkant van de plaat wordt afgedekt met b.v. afdekvernis. Lijnen die ondiep en dun moeten blijven, worden na de eerste bijting afgedekt. De lijnen die dikker moeten worden, worden nog eens gebeten. Van een normaal gebeten koperplaat zijn ca. 50 goede en 200 redelijke afdrukken te maken, van een zinken plaat maar resp. ca 30 en 120. Het bijten van lijnen in metaal kwam het eerst voor op o.a. harnassen aan het einde van de 15de eeuw. De vroegst gedateerde ets werd in 1513 gemaakt in Duitsland.

Etsgrond
Zuurbestendig mengsel van (bijen)was, hars en asfalt. Wordt gebruikt bij de ets.

Etsnaald
Spitse metalen naald. Wordt gebruikt bij de ets.

Etspers
Plaatdrukpers

Etsplaat
Drukvorm voor de ets. Is vrijwel altijd van metaal, 1 á 3 mm dik. Het oppervlak moet glad zijn. De vroegste platen waren van ijzer; vanaf ca. 1520 werd koper gebruikelijk. Sinds de 19de eeuw wordt ook het goedkopere zink veel gebruikt.

Etswater
Meestal verdund salpeterzuur, soms ijzerchloride of zoutzuur. Wordt gebruikt om de etsplaat te bijten. In de 16de en 17de eeuw overgoot men meestal de schuin gezette plaat met etswater; ook werd er wel een opstaand randje op de plaat gemaakt zodat het etswater op de plaat kon blijven staan. Vanaf het einde van de 17e eeuw dompelt men de gehele plaat in een bad met etswater. Soms wordt etswater wel plaatselijk met een penseel aangebracht.

Exendit / Exe.
'Gaf het uit'. Toevoeging bij de naam van de Uitgever.

Ex libris
'Uit het boekenbezit van'. Een eigendomsmerk, meestal in houtsnede of gravure, dat geplakt wordt aan de binnenzijde van een boekband om de eigenaar van dat boek te vermelden. Komt voor vanaf het einde van de 15e eeuw.

Facet
Schuin afgeslepen rand aan de metalen plaat voor een diepdruk. Daardoor loopt de plaat soepel onder de pers door en wordt het papier niet gescheurd of afgesneden door de scherpe rand.

Faciebat
zie fecit.

Facsimile
'Gelijkend gemaakt'. Nauwkeurige reproductie van een kunstwerk, die gemaakt is om in alle opzichten op het origineel te lijken.

Fecit / F.
'Maakte het. Toevoeging bij de naam van de graveur of de etser die de voorstelling op de plaat bracht.

Figuravit / Fig.
'Tekende het. Toevoeging bij de naam van de maker van de tekening waarnaar de prent werd gemaakt.

Formis
'Met de vormen van', dwz. uitgegeven bij. Toevoeging bij de naam van de uitgever.

Gillotage
Proces om van een tekening met lithografisch krijt een hoogdrukvorm te maken. De tekening wordt gemaakt, of overgedrukt op een zinken plaat. Daarna wordt de plaat bestrooid met harspoeder dat alleen hecht op het vet van de tekening. Bij het bijten wordt de tekening door het harspoeder afgeschermd, zodat de lijnen hoog komen te staan. Ca. 1850 kreeg Firmin Gillot patent op dit procédé dat echter niet lang toegepast werd.

Graficus
Kunstenaar die prenten maakt.

Grafiek
Prentkunst. Ook gebruikt als verzamelnaam voor prenten.

Gravure
Oudste type diepdruk. Afdruk van een plaat met lijnen die direct gestoken zijn in de plaat. Die is meestal van koper, in de 19e eeuw ook wel staal. De graveur begint met dunne krasjes die telkens wat verdiept worden. Hij steekt daarvoor met de burijn van zich af. Zo ontstaan lijnen met een spits begin, kenmerk van de gravure. De plaat rust op een met zand gevuld leren kussentje, zodat de graveur de plaat kan draaien. De braam wordt met schraap- en polijststaal weggehaald om de lijn scherp te houden. Arceringen en kruisarceringen zijn de nadelen om halftonen en schaduwen aan te brengen. Van een gravure zijn ca. 300 goede en 300 redelijke afdrukken te maken. Goudsmeden waren de eerste graveurs. De vroegst gedateerde gravure werd gemaakt in 1446 en is waarschijnlijk Duits.

Grein
Korrel of korrelig oppervlak. Toegepast bij o.a. aquatint en lithografie.

Greinen
Meestal het bewerken van het oppervlak van een lithosteen tot het de structuur van fijn schuurpapier heeft. Bij het greinen wordt met een greinschijf of een glazen loper fijn zilverzand of carborundumpoeder over de steen gewreven.

Greinschijf
Ronde schijf van glas of steen met een excentrische handgreep. Bij het greinen wordt de schijf over de lithosteen gedraaid. Door gaten in de schijf kan poeder worden toegevoegd.

Guts
Hol beiteltje. Gebruikt bij de hout- en linoleumsnede.

Heliogravure
Diepdruk. Vroege reproductiemethode. Afdruk van een koperplaat die is bestoven met een zeer fijn harspoeder, dat ook gebruikt wordt bij de aquatint. De voorstelling wordt fotografisch op deze plaat overgebracht. Hierbij blijft op de delen die op het origineel het donkerste waren het dunste laagje gelatine achter. Bij het bijten worden deze delen dan ook het eerste en diepste uitgebeten. Daarna wordt de plaat op dezelfde manier geïnkt en gedrukt als een gewone, met de hand bewerkte aquatintplaat. Geeft een zeer accurate weergave van o.a. gravures en etsen. Toegepast aan het eind van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw.

Hoogdruk
Druk waarbij de lijnen en vlakken die afgedrukt moeten worden, hoog liggen. De delen die niet moeten afdrukken, zijn weggesneden of weggestoken. Op de drukvorm wordt met een tampon of een roller drukinkt aangebracht. Vervolgens gaat de drukvorm met een ingevocht vel papier erover op de degelpers. Ook zonder pers kan een afdruk gemaakt worden, door over het vel papier te wrijven of te borstelen. Hoogdruk is de oudste druktechniek. Wordt ook wel boekdruk genoemd, omdat boeken lange tijd voornamelijk in hoogdruk werden gemaakt. O.a. houtsnede, houtgravure, linoleumsnede.

Hors commerce / H.C.
'Buiten de handel, dwz. niet bestemd voor verkoop. Aanduiding geschreven op bv. épreuves d'artiste.

Houtgravure
Hoogdruk. Afdruk van een blok kopshout waarin de delen die wit moeten blijven zijn weggestoken met een burijn. Dankzïj het kopshout biedt de houtgravure de mogelijkheid tot een fijnere detaillering dan de houtsnede die in langshout wordt gesneden. Van de houtgravure kan een grotere oplage gedrukt worden dan van de gravure of ets. Daarom werd de techniek van de houtgravure gebruikt voor boekillustraties. Het voordeel daarbij was, dat nèt als de tekst, ook de illustraties in hoogdruk gedrukt werden. Vanaf het einde van de 18de eeuw en vooral in het begin van de 19de eeuw toegepast.

Houtsnede
Hoogdruk. Afdruk van en blok langshout, waarin de delen die wit moeten blijven zijn weggestoken met mes of guts. De lijnen kruisen elkaar zelden om afbrokkelen van het hout te voorkomen. Van een houtblok zijn ca. 1000 goede afdrukken te maken. Later gemaakte afdrukken vertonen dikwijls onderbrekingen van de lijnen door het afbreken van stukjes hout, door barsten in het blok of door houtwormgaatjes. De oudst bekende houtsnede werd aan het einde van de 9de eeuw gemaakt in China; de eerste Europese houtsnede dateert uit het einde van de 14de eeuw.

Impressit / Imp.
'Drukte het'. Toevoeging bij de naam van de drukker.

Incidit / Inc.
'Graveerde het'. Toevoeging bij de naam van de kunstenaar.

Incunabel
Wiegedruk.

Intaglio
Diepdruk.

Invenit / Inv.
'Ontwierp het'. Toevoeging bij de naam van de kunstenaar die de voorstelling maakte waarnaar de prent werd gemaakt.

Inventor
'De ontwerper'. Toevoeging bij de naam van de kunstenaar die de voorstelling bedacht waarnaar de prent werd gemaakt

Japanse (kleuren)houtsnede
Hoogdruk. Afdruk van één of meer houtblokken, voor elke kleur één. Een tekening op dun papier wordt met de getekende kant naar beneden op een blok van kersehout geplakt. Met een mes en beiteltjes worden door de tekening heen de vlakken weggesneden zodat de lijnen die afgedrukt moeten worden blijven staan. Afdrukken van dit blok, het sleutelblok, worden daarna geplakt op de blokken die voor de kleuren gesneden worden. De houtblokken worden ingeïnkt en na elkaar afgedrukt. Het afdrukken gebeurt door het papier op het blok te leggen en er met een wrijver overheen te wrijven. Dikwijls wordt ook preegdruk toegepast. De houtsnede was in Japan al in de 9e eeuw bekend; pas in de 18e eeuw ontstaan de eerste kleuren- houtsneden. Ca. 1850 werden zij in West-Europa ingevoerd waar zij grote invloed kregen.

Japans papier
Langvezelig, taai en absorberend papier, gemaakt van de bast van moerbeibomen. Enigszins gelig. Sinds de 17de eeuw in Nederland ingevoerd; veel gebruikt voor diepdruk

Kinderprent
Los vel papier met een serie kleine, anonieme en primitieve houtsneden die een bekend verhaal afbeelden, het ABC, kinderspelen, dieren enz. Meestal van kleurige vlekken voorzien dmv. een tampon. Ze werden vooral gemaakt in de Nederlanden in de 18de en 19de eeuw en voor weinig geld verhandeld zoals blijkt uit de ook gebruikte naam centsprent.

Kleurendruk
De oudste gekleurde prenten werden ingekleurd met de hand of dmv. sjablonen. De eerste kleurendrukken waren hoogdrukken waarbij enkele blokken over elkaar heen werden gedrukt: de camaïeu- en clair-obscurhoutsnede. In diepdruk werden vanaf de 17e eeuw kleurendrukken gemaakt, eerst van één plaat, á la poupée, later van een aantal platen (aquatint, crayonmanier, zwarte kunst). In de lithografie verschenen kleurenlitho's al snel na de eerste zwart-wit litho's. Om goede kleurendrukken te maken, moeten de drukvormen sluitend gemaakt zijn en passend gedrukt worden. Hulpmiddelen hierbij zijn b.v. aanleg, paskruis.

Kopshout
Hout dat dwars op de nerf is gezaagd, dus een schijf uit een boom. Meestal palmhout dat dicht bijeenstaande jaarringen heeft en zeer hard is, wat gedetailleerd werk mogelijk maakt. Gebruikt voor de houtgravure.

Kruisarcering
Arceringen die elkaar kruisen. Vanaf het einde van de 15de eeuw de gebruikelijke methode om in gravures schaduwen en donkere partijen te verkrijgen.

Langshout
Hout dat in de lengterichting, met de nerf mee, uit de boomstam is gezaagd. Bij voorkeur pere-, kerse- of beukehout dat een weinig sprekende nerf vertoont. Gebruikt voor de houtsnede.

Lino
Afkorting van linoleumsnede.

Linoleumsnede
Hoogdruk. Afdruk gemaakt van een stuk linoleum waarin de delen die wit moeten blijven met een guts zijn weggestoken. Linoleum is goedkoper en gemakkelijker te bewerken dan hout, maar brokkelt snel af. Gebruikt sinds het einde van de 19e eeuw.

Litho
Afkorting van lithografie.

Lithog. / Lith.
'Lithografeerde het'. Toevoeging bij de naam van de kunstenaar die op de steen tekende of bij de naam van de drukker van de lithografie.

Lithografie
'Steentekening'. Vlakdrukprocédé gebaseerd op het elkaar afstoten van water en vet. Men gebruikt een vlakke gladgeslepen plaat kalksteen, de lithosteen. Op dit gladde oppervlak kan getekend worden met lithografische inkt. Wil men met lithografisch krijt tekenen dan moet men het gladde oppervlak eerst greinen. Ook kan de gehele steen met inkt worden ingerold waarna de tekening met een mesje of naald in de inkt wordt gekrast.
Soms wordt de tekening overgebracht van autografisch papier. Het vet van inkt of krijt trekt in de steen. De onbetekende delen worden met Arabische gom bewerkt om ze nog sterker vetafstotend en wateropnemend te maken. Daarna wast men met terpentijn de kleurstof van inkt of krijt weg; het vet blijft in de steen zitten. De steen wordt dan nat gemaakt, de onbetekende delen nemen het vocht op, de betekende delen stoten het af.
Bij het ininkten hecht de vette drukinkt alleen op het vet van de tekening. De lithografie wordt gedrukt op de rijverpers en is geschikt voor grote oplagen.
De lithogtafie werd in 1796 uitgevonden door Alois Senefelder. De eerste Nederlandse litho dateert uit 1809. Al in de eerste helft van de 19de eeuw verschenen de eerst litho's in kleuren, gedrukt van een aantal stenen.

Lithografische inkt
Samengesteld uit roet, vet, zeep, was en hars. Om ermee met pen of penseel op de lithosteen te kunnen tekenen wordt de inkt wat verdund met water of terpentijn.

Lithografisch krijt
Samengesteld uit roet, vet, zeep, was en hars. De zachtere soorten worden gebruikt op grof gegreinde stenen, de hardere op fijn gegreinde.

Lithopers
Rijverpers.

Lithosteen
Plaat poreuze kalksteen, meestal afkomstig uit Solnhofen in Beieren. Om breken onder de pers te voorkomen zijn grote stenen dikker, ca 15 cm., dan kleine, ca 6 cm. Gebruikt bij de lithografie.

Loper
Zwaar stuk glas met een vlakke onderkant en een handgreep. Gebruikt bij het greinen van een lithosteen.

Lijnets
Ets die alleen uit lijnen bestaat Term wordt wel gebruikt ter onderscheiding van etsen waarbij ook vlakken zijn bewerkt, b.v. aquatint, of waar de voorstelling uit puntjes is opgebouwd, b.v. crayonmanier.

Lijngravure
Gravure die alleen uit lijnen bestaat. Term wordt wel gebruikt ter onderscheiding van gravures waarbij ook vlakken zijn bewerkt, b.v. zwarte kunstprenten, of waar de voorstelling uit puntjes is opgebouwd, b.v. gravures met ponsoen of stippelgravures.

Maculatuur
Afdruk gemaakt van een drukvorm zonder deze na de vorige druk opnieuw in te inkten; gebruikt om inktresten van de drukvorm te verwijderen.

Marge
Onbedrukte rand van het papier. Bij hoog- en vlakdruk buiten de voorstelling, bij diepdruk buiten de plaatrand. Tot de 18de eeuw werd de marge meestal afgeknipt. De term wordt ook wel gebruikt voor de ruimte tussen de voorstelling en de plaatrand.

Mattoir
Hamertje met puntjes. Gebruikt bij de crayonmanier.

Mezzotint
Zwarte kunst.

Moet
Indruk van de plaatranden in het papier. Kenmerk van diepdruk. Ontstaan bij het door de pers gaan. Soms aangebracht met een onbewerkte plaat om een reproductie het aanzien te geven van een originele prent. De term wordt ook wel gebruikt bij prenten in hoogdruk, voor de indruk in het papier veroorzaakt door de lijnen van de drukvorm.

Monogram
Beginletters van de naam van een kunstenaar, meestal op een bepaalde manier aan elkaar verbonden of dooreengevlochten. In de 15de en 16de eeuw een gebruikelijke wijze om prenten te signeren.

Monogrammist
Kunstenaar wiens identiteit alleen bekend is door een monogram.

Monotype
Afdruk van een nog vochtige voorstelling die met penseel op een glazen of metalen plaat is getekend. Levert slechts één goede en eventueel nog één lichtere afdruk op. Geen methode tot vermenigvuldiging dus eigenlijk niet behorend tot de grafiek. Enkele monotypes dateren al uit de 17e eeuw; de meeste zijn gemaakt in de 19e en 20ste eeuw.

Niëllo
Een plaatje van zilver of goud met een gegraveerde voorstelling, waarvan de lijnen zijn gevuld met een zwart mengsel. Eigenlijk een techniek van de goudsmid. Soms werden deze sierplaatjes afgedrukt voordat de lijnen gevuld werden. De afdruk wordt ook niëllo genoemd. Vooral in Italië gemaakt aan het einde van de 15de en in het begin van de 16de eeuw.

Nummering
Door de kunstenaar met 'de hand geschreven aanduiding op een prent om aan te geven met welk volgnummer de prent deel uitmaakte van de totale oplage. Bv. 15/50 betekent de 15de prent uit een oplage van 50. Gebruikelijk sinds de 2de helft van de 19de eeuw.

Oleografie
Een chromolithografie die d.m.v. blinddruk voorzien is van een structuur, b.v. een linnenstructuur, en die bestreken is met vernis, ter imitatie van een olieverfschilderij.

Oplage
Het totaal aantal exemplaren van een prent, gedrukt na de proefdrukken en de épreuves d'artiste. Hoeveel exemplaren er van vroege prenten werden gedrukt is vrijwel nooit bekend, maar de oplage bleef door slijtage van de drukvorm beperkt. In de 2de helft van de 19de eeuw werd het door nieuwe technieken mogelijk om bijna onbeperkte oplagen te maken. Veel kunstenaars gingen er toen toe over om de grootte van hun oplagen opzettelijk te beperken en deze op de prent te vermelden. Om nadrukken te voorkomen werden veel drukvormen na het drukken van de aangegeven oplage vernietigd of onbruikbaar gemaakt.

Opsnijden
Opsteken

Opsteken
Het bijwerken van een blok of plaat met guts, burijn of etsnaald om slijtage weg te werken. Gebeurde veel met geliefde voorstellingen. Ook werden sommige drukvormen jaren of zelfs eeuwen later opgestoken en opnieuw afgedrukt

Opticaprent
Gravure met een topografisch onderwerp, een titel in spiegelschrift en meestal met de hand aangebrachte kleuren. Bedoeld om bekeken te worden via een speciale kast met spiegels, een optica, waardoor de voorstelling in spiegelbeeld verschijnt en dieptewerking vertoont. Voornamelijk gemaakt in de 18de eeuw in Duitsland.

Originele grafiek
Prentkunst waarbij het onderwerp en de uitvoering van de hand van dezelfde kunstenaar zijn.

Ornamentprent
Prent met een ontwerp voor een decoratie, bedoeld om als voorbeeld te dienen voor ambachtslieden op het gebied van de kunstnijverheid. Ornamentprenten werden al gemaakt in de 15de eeuw.

Ouweldruk
Deegdruk.

Overdruk
Methode om een voorstelling van de originele drukvorm over te brengen op een drukvorm voor vlakdruk, zodat bij afdrukken de originele drukvorm niet onderhevig is aan slijtage. Met extra vette drukinkt wordt van de drukvorm een afdruk gemaakt op overdruk- of autografisch papier.
Deze afdruk wordt met de drukpers overgebracht op een 'machinale' steen die verder als een gewone lithosteen wordt behandeld. Van kleine illustraties kunnen b.v. een aantal afdrukken overgedrukt worden op één vlakdrukvorm bij elkaar zodat de pers minder vaak hoeft te draaien. Voor kleurenlithos wordt de voorstelling door overdruk afgedrukt op zoveel stenen als men nodig heeft.

Papier
Werd al ± 105 na Christus in China vervaardigd; in West-Europa pas in de 13de eeuw. In de 16e eeuw werd er voor het eerst in Nederland papier gemaakt. Het papier was handgeschept; het formaat was afhankelijk van de gebruikte papierzeef. Het papier werd gemaakt van plantaardige vezels of lompen. Vanaf ca. 1800 werd ook hout als grondstof gebruikt. Dit papier verkleurt snel. Toen ook kwam de papiermachine in gebruik, waardoor grotere formaten papier mogelijk werden.

Pasgat
Registermerk Nodig bij kleurendiepdruk. Meestal zijn er 3 of 4 pasgaten; ze moeten alle op precies dezelfde plaats in de verschillende platen zijn gemaakt. Meestal zitten ze in de hoeken van de voorstelling of in de randen van de plaat. In de gaten worden z.g. passpelden gestoken en het papier wordt er overheen geprikt. Het papier met de gaatjes wordt bij de volgende plaat weer over de spelden gelegd.

Paskruis
Registermerk. Nodig bij kleurenlithografie. Meestal zijn er twee paskruisen. Ze worden buiten het beeldvlak op precies dezelfde plaats op de verschillende stenen aangebracht. Nadat het papier door de eerste steen is bedrukt wordt het met twee naalden door het snijpunt van de kruistekens op de juiste plaats van de tweede steen gelegd.

Pastelmanier
Diepdruk. Etstechniek om pastels na te bootsen. Zie crayonmanier.

Peintre-graveur
Kunstenaar die originele grafiek maakt.

Perkament
Onthaarde, gespannen, gedroogde en gladgeschuurde huid van een kalf, geit of schaap. In de 17e eeuw wel gebruikt om prenten op af te drukken, terwille van het speciale effect.

Pingebat
zie pinxit.

Pinxit / P.
'Schilderde het'. Toevoeging bij de naam van de kunstenaar die de voorstelling schilderde waarnaar de prent werd gemaakt.

Plaat
Metalen plaat gebruikt als drukvorm. Vnl. bij diepdruk. Is meestal van koper, soms van ijzer, zink, staal, messing of van een ander metaal.

Plaatdrukpers
Drukpers voor diepdruk. Ook wel etspers genoemd. De bodemplaat met daarop de metalen drukvorm, een vel ingevocht papier en een dikke lap vilt wordt tussen twee walsrollen door gedraaid. Gebruikt vanaf de 16de eeuw.

Plaatrand
Rand van metalen drukvorm. Bij diepdruk is de plaatrand als moet in het papier zichtbaar.

Plaattoon Lichte tint op een afdruk, ontstaan door een waas inkt op de plaat. Vooral aan het einde van de 19de eeuw werd dit waas opzettelijk aangebracht over het gehele oppervlak van de plaat. Ontstaat ook plaatselijk als de plaat niet geheel glad of schoon was. Komt voorbij diepdruk.

Pochoir
Sjabloon van karton.

Polyautografie
Naam voor de eerste litho's in Engeland, 1803/'07.

Polijststaal of -ijzer
Rond of ovaal staafje met een stomp, gebogen uiteinde. Gebruikt bij diepdruk om een braam te verwijderen of ruwe plekken glad te maken.

Ponsoen
IJzeren staafje met een spitse punt. Gebruikt om putjes mee in de plaat te slaan. De goudsmid Jan Lutma maakte hiermee in de 17e eeuw vier gravures. Zie ook stippelgravure.

Poupée, á la
Methode om met een kleine tampon of met een rolletje vilt een bewerkte koperplaat in verschillende kleuren te inkten. Zo kon men kleurendrukken van één plaat maken. Toegepast vanaf het einde van de 17de eeuw.

Preegdruk
Blinddruk

Prent
Afdruk, meestal op papier, van een drukvorm die met een drukpers of door een andere drukwijze vermenigvuldigd kan worden. Naar het geëigende drukprocédé zijn de prenttechnieken verdeeld in hoogdruk, diepdruk en vlakdruk. De oudste West-Europese prenten zijn houtsneden uit het einde van de 14de eeuw.

Prentenkabinet
Zelfstandige instelling of onderdeel van een museum of bibliotheek waar prenten en tekeningen worden verzameld en bewaard. Vanwege de lichtgevoeligheid van inkt, verf en papier gebeurt dit laatste meestal in dozen en kasten. Bezoekers kunnen in studieruimten de prenten en tekeningen op aanvraag bekijken.

Privilege
zie cum privilegio.

Proefdruk
Druk door de kunstenaar gemaakt vóór de voltooiing van de plaat ter controle van zijn vorderingen. Zeldzaam, dus gezocht. Daarom drukte men in de 18e eeuw grote aantallen prenten met de vermelding 'proefdruk' voordat het opschrift of de titel op de plaat waren aangebracht.

Punteermanier
Etstechniek waarbij om toon te verkrijgen gaatjes in de etsgrond worden geprikt; door het bijten ontstaan onregelmatige puntjes in de plaat. De stippels op de afdruk lijken sterk op die van de gravure met ponsoen en van de stippelgravure. Gebruikt bij de ets, de crayon- en pastelmanier.

Rattenstaart
Ronde vijl. In de 17de eeuw bij zwarte kunstprenten gebruikt om de plaat op te ruwen.

Recto
'Op de voorzijde' van een blad papier, tegengesteld aan verso.

Register
Juiste plaats van de kleuren bij kleurendruk. Om register te drukken zijn een preciese aanleg en registermerken nodig.

Registermerk
Hulpmiddel om bij kleurendruk de kleuren op de juiste plaats te drukken, b.v. pasgat en paskruis.

Reliëfets
Hoogdruk(!) Afdruk van een metalen plaat, meestal van zink, waarop de voorstelling is getekend met b.v. etsgrond of asfaltlak. Daarna wordt de plaat in etswater gebeten: de niet-betekende delen worden weggebeten, de voorstelling blijft dus hoog staan.
De refiëfets is dus hoogdruk in tegenstelling tot de gewone ets .O.a. toegepast door William Blake ca. 1800.

Remarque
Krabbel of schetsje in de marge van een ets. Gemaakt om te controleren hoe het etswater gewerkt heeft. Meestal verwijderd vóór het drukken van de oplage.

Reproductie
Weergave van een kunstwerk gemaakt met behulp van fotografische en machinale middelen.

Reproductieprent
Prent gemaakt naar voorbeeld van een al bestaande voorstelling op een schilderij of tekening. Tegengesteld aan originele grafiek.

Retroussage
Methodebij diepdruk om een vervloeiende lijn te krijgen. Na het afslaan van de plaat wordt wat inkt uit de lijnen gehaald door met een zacht doekje voorzichtig over de plaat te strijken.

Roulette
Wieltje met puntjes, aan een handvat. Wordt gebruikt bij o.a. zwarte kunst en crayonmanier.

Rijverpers
Drukpers voor vlakdruk. De drukvorm, met daarop een vel ingevocht papier en een beschermplaat, wordt doorgehaald onder een met leer overtrokken lat, de rijver, die krachtig op de beschermplaat drukt.

Schraapstaal of -ijzer
Spits toelopend, in doorsnede driehoekig staafje in een handvat. Wordt gebruikt bij gravure en zwarte kunst om oneffenheden, b.v. de braam, te verwijderen.

Schrootblad
Afdruk van een metalen plaat in hoogdruk. In zacht metaal worden met een burijn lijnen gestoken; vlakken worden met priemen van puntjes voorzien. De hoogliggende delen worden afgedrukt zodat de voorstelling wordt gevormd door witte lijnen en puntjes tegen een donkere achtergrond. Voornamelijk tussen ca 1430 en 1490 gemaakt in de omgeving van Keulen.

Scripsit / Scrip.
'Schreef het'. Vermelding bij de ontwerper van het schoonschrift op prenten met schrijfvoorbeelden.

Sculpsit / Scalp.
'Graveerde het' of etste het. Toevoeging bij de naam van de kunstenaar.

Signatuur
Naam van de kunstenaar die de prent maakte, gedrukt of geschreven op een afdruk. De eerste signaturen komen voor op 15de eeuwse prenten; het zijn monogrammen, gesneden of gestoken in de drukvorm. Vanaf de 16de eeuw signeert de kunstenaar de drukvorm ook wel met zijn volledige naam. Ca 1860 beginnen kunstenaars iedere afdruk apart met de hand te signeren.

Sjabloon
Plaat van blik of karton waarin een vorm is uitgesneden. O.a. gebruikt om prenten in te kleuren door met kleur over het sjabloon heen te rollen.

Sleutelblok
Bij kleurenhoutsneden het houtblok waarin de basisvoorstelling is gesneden. Afdrukken van het sleutelblok dienen als voorbeeld bij het snijden van de overige blokken. Zie clair-obscur houtsnede en Japanse kleurenhoutsnede.

Staalgravure
Diepdruk. Ca. 1820 werd het mogelijk in staal te graveren dankzij de uitvinding van een methode om staal zachter te maken. Na het aanbrengen van de voorstelling werd het staal weer verhard. Van een staalgravure kan een veel grotere oplage gedrukt worden dan van een gravure op koper.

Staat
Elk stadium van bewerking van een drukvorm dat is vastgelegd op een afdruk. Als een drukvorm na verandering in voorstelling, in het adres of onderschrift weer wordt afgedrukt, is een nieuwe staat tot stand gekomen.

Steendruk Lithografie

Steenpapier Autografisch papier

Stippelgravure
Diepdruk. Gravure met een voorstelling die niet uit lijnen maar uit puntjes is opgebouwd. De driehoekige puntjes worden gestoken met de burijn. Veel toegepast in 18de eeuwse kleurendrukken. Vaak verward met de gravure met ponsoen of de ets in punteermanier.

Suikeraquatint
Diepdruk. Methode om lijnen en vlakken met een lichte toon te verkrijgen. De lijnen en vlakken worden op de plaat getekend met dekkende waterverf of inkt vermengd met Arabische gom en suiker. Daarna wordt de plaat bedekt met etsgrond. In een waterbad lost de suiker op en op die plaatsen laat de etsgrond los. De oorspronkelijk getekende stukken, nu blank metaal, krijgen door ze te bestrooien met bv. harspoeder bij het bijten een aquatintgrein.

Taille douce
Techniek waarbij de voorstelling eerst wordt geëtst en daarna wordt voltooid met de burijn. De naam wordt ook gebruikt voor een ets gemaakt met de échoppe.

Tampon
Met leer overtrokken kussentje aan een handgreep. Gebruikt om drukinkt aan te brengen bij hoog- en diepdruk. Ook kleurvlekken op kinderprenten werden er mee aangebracht.

Tegendruk
Contre épreuve.

Toonblok
Houtblok waarmee een egaal getinte ondergrond wordt gedrukt bij de camaïeuhoutsnede.

Toonplaat
Metalen plaat waarmee een egaal getinte ondergrond wordt gedrukt.

Toonsteen
Lithosteen waarmee en egaal getinte ondergrond wordt gedrukt. Vooral in de vroege lithografie toegepast.

Tusche
Lithografische inkt.

Uitgever
Persoon die op eigen risico zorgt voor aanbod en verspreiding van prenten. Al sinds de 16e eeuw zijn op prenten uitgevers in het adres vermeld. Dikwijls waren zij ook opdrachtgever en drukker van de prent.

Unicum
Prent waarvan slechts één exemplaar bekend is.

V
Vellum
Perkament

Velijn papier
Papier zonder vergure. De mazen in de papierzeef zijn zo fijn dat er geen lijnen meer in het papier te zien zijn. Gemaakt vanaf de 2e helft van de 18e eeuw.

Vergé papier
Papier met vergure. Vrijwel de enige soort papier vóór de 2de helft van de 18de eeuw.

Vergure
Vertikale en horizontale lijnen in handgeschept papier, veroorzaakt door de schepvorm waarmee het papier wordt geschept. De dikke lijnen ontstaan door de ribben van de schepvorm, de dunnere door de koperen draden van de zeef daarin. Bij tegen het licht houden is te zien dat het papier op die plaatsen wat dunner is.

Vernis mou
Diepdruk. Etstechniek om korrelige lijnen te verkrijgen. Een zachtere etsgrond dan normaal wordt bedekt met vochtig, korrelig papier. Op het papier wordt met een harde stift getekend. Wanneer het papier wordt weggehaald, blijven daar waar getekend is, deeltjes etsgrond aan het papier zitten. Dit geeft bij het bijten korrelige lijnen. Voor het eerst toegepast ca. 1600, maar vooral in de 18de eeuw.

Verso
'Op de achterzijde' van een blad papier, tegengesteld aan recto.

Verstalen
Methode om door electrolyse een koperplaat te voorzien van een dun, maar hard laagje staal. Sinds het midden van de 19de eeuw bij etsen en droge naaldprenten toegepast om grote oplagen mogelijk te maken. Slechts de allerfijnste nuance gaat bij verstalen verloren.

Verzamelaarsmerk
Teken, meestal afkomstig van een stempel, om een prent te kenmerken als behorend tot een bepaalde verzameling.

Vignet
1 Ornament en randversiering.
2 Kleine, decoratieve voorstelling zonder omkadering. Voornamelijk gebruikt aan begin of einde van een hoofdstuk in een boek.

Vlakdruk
Druk waarbij de lijnen en vlakken die afgedrukt moeten worden even hoog liggen als de niet-drukkende delen. Gebaseerd op het elkaar afstoten van water en vet. De drukvorm wordt met een roller ingeïnkt en op de rijverpers gedrukt. O.a. lithografie, zincografie.

Volksprent
Los vel papier met een anonieme, primitieve houtsnede van een heilige, een bijbelse gebeurtenis, een komische scène enz. De vroege volksprenten hebben één afbeelding per vel die zorgvuldig ingekleurd is. Vanaf de 17de eeuw verschijnen ook vellen met hele reeksen prentjes die min of meer willekeurig zijn gekleurd. Volksprenten waren goedkoop en ook mensen die niet konden lezen, konden ze begrijpen. Vooral gemaakt in de Nederlanden, vanaf de 15e eeuw. Uit de volksprent ontwikkelde zich de kinderprent.

Watermerk
Merk in het papier bestaande uit een figuur of monogram. Veroorzaakt door een uit koperdraad gevormd figuurtje dat was vastgemaakt op de mazen van de papierzeef Bij tegen het licht houden is te zien dat het papier op die plaats wat dunner is. Van veel papier met watermerk zijn de maker, de plaats van vervaardiging en de datum bekend.

Wiegedruk
Prent 'uit de wieg', een van de eerste prenten gedrukt in een nieuwe techniek. B.v. houtsneden tot het begin van de 15de eeuw, litho's van vóór 1820.

Wiegijzer
Brede beitel met gebogen snede en fijne zaagtandjes. Gebruikt bij de zwarte kunsttechniek om de plaat ruw te maken; het wiegijzer wordt in alle richtingen over de plaat heen en weer bewogen. Gebruikt vanaf het einde van de 17de eeuw.

Xylog. / Xyl.
'Sneed het in hout'. Toevoeging bij de naam van de houtsnijder of houtgraveur.

Xylografie
Houtsnede of houtgravure.

Y
IJzerets
Ets in een ijzeren plaat. Lijnen van een ijzerets zijn wat rafeliger uitgebeten dan die van een ets op koper. Waarschijnlijk zijn tot ca 1520 alle etsen op ijzer gemaakt. De eersten immers die de etstechniek toepasten waren de wapensmeden die met zuur versieringen in ijzeren wapens en harnassen aanbrachten.

Z
Zincografie
Tekening op zink. Vlakdruk. Vrijwel niet te onderscheiden van een lithografie. De bewerking loopt ook vrijwel parallel aan die van de lithografie. Alleen dringt het vet van de tekening niet in het zink, maar hecht er zich aan vast. Toegepast vanaf het einde van de 19de eeuw.

Zinkets
Reliëfets

Zwarte kunst
Diepdruk. Techniek waarmee gevarieerde overgangen tussen licht en donker kunnen worden bereikt. Met o.a. een wiegijzer en een roulette worden over de gehele koperplaat puntjes aangebracht. Dat zou een vrijwel geheel zwarte afdruk geven. Om een voorstelling op de plaat te maken worden met schraap- en polijststaal sommige putjes dicht gemaakt; zo pakt de inkt daar niet en ontstaan lichte partijen. Van de zo bewerkte plaat zijn maar 20 á 30 goede afdrukken te maken. Toegepast vanaf ca 1650.









privacybeleid