kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 28-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Hendrick Cornelisz. van Vliet

Noord-Nederlands schilder en tekenaar van genrekunst, kerkinterieurs, landschappen, portretten en interieurs, geboren 1611 – 1612 (in april 1633 verklaart hij 21 jaar oud te zijn) in Delft - op 28 oktober 1675 in de Oude Kerk te Delft begraven.

Hendrik Cornelisz. van der Vliet was werkzaam in Delft van 1632 - 1675. Op 22 juni 1632 werd hij lid van het Delftse gilde. Gedateerde werken komen uit de jaren 1635 – 1672.

Leerling van Michiel Jansz. van Mierevelt en zijn neef Willem van der Vliet (of Willem Willemsz van Vliet).
Leraar van Floris de la Fée,

Hendrick van Vliet, 23,3 x 18,4 cm, Materiaal:olieverf op paneel

Architectuurstukken worden in het 17de-eeuwse Holland en masse geschilderd. Met name kerkinterieurs die naar de realiteit worden ‘geportretteerd’, zijn geliefd. ‘Perspectieven’ worden ze genoemd. De favoriete interieurs van de Delftse kunstenaar Hendrick van Vliet zijn de oude en nieuwe kerk in zijn geboortestad.

Het architectuurstuk beleeft een uitzonderlijke bloeiperiode in het 17de-eeuwse Holland. Kunstenaars als Pieter Saenredam (1597-1665), Emanuel de Witte (1617-1692) en Hendrick van Vliet (1612-1675) schilderen kerkinterieurs naar de realiteit. Zo ‘portretteren’ De Witte en Van Vliet vaak de oude en de nieuwe kerk in Delft.

Deze schilderijen kunnen ook vooraf bestelde ‘nagedachtenissen’ zijn. Over de functie van deze ‘perspectieven’, zoals deze architectuurstukken in de 17de eeuw worden genoemd, bestaat geen zekerheid. In de interieurs van Van Vliet zien we vaak, naast een zuil met een epitaaf of een rouwbord, een open, pas gedolven graf. Mogelijk gaat het hier niet enkel om een ‘portret’ van een kerkinterieur, waarbij de weergave van licht, ruimte en perspectief essentieel is, maar tevens om een vooraf bestelde nagedachtenis.

Portret familie van der Dussen, 1640, Stedelijk Museum Het Prinsenhof, Delft

Vader en de zoons spelen fluit, op de lessenaar links staat een muziekstuk ter ere van het feest van de heilige Michael (de van der Dussens waren katholiek). Moeder en dochters hebben hun mooiste kleren aangetrokken. Moeder wat ouderwets, de meisjes op hun allermodernst. Het fruit op de tafel en de stoel verwijst naar de tijdigheid van het leven. Op tafel is vaag nog een zakhorloge te zien, de tijd vergaat.

In de Nederlanden zijn in de 17de en 18de eeuw miljoenen schilderijen en een veelvoud aan prenten geproduceerd. In nagenoeg ieder huishouden prijkten wel één of meer schilderijen aan de muur; prenten, die goedkoper waren, kwamen overal voor.
Gezien de afmetingen moet de schilder Hendrik Cornelisz van Vliet veel geld hebben gevraagd voor het portretteren van de familie Van der Dussen. Hij was ongeveer 28 jaar oud (zijn precieze geboortedatum is onbekend) toen hij de opdracht kreeg om hen op bijna ware grootte uit te beelden. Overigens was een dergelijk prestigieus portret; niet uitzonderlijk in die tijd: schutterijen, bestuurscolleges van gilden of sociale instellingen en zeer draagkrachtige particulieren bestelden ze regelmatig.

Van Vliet schilderde Wilhelmina van Setten, dochter van een Delftse notaris, zittend te midden van haar dochters Anna, Maria en Elisabeth. Daarnaast staat de oudste zoon Cornelis met een muziekboek. Zijn broer Otto wacht met een blokfluit in zijn hand op zijn vader, die ook gaat spelen, maar de toeschouwer eerst wijst op de bladmuziek op de lezenaar. Het is een stuk van de componist Hieronymus Praetorius dat thuishoort in de katholieke liturgie. Het verwijst naar de feestdag van de heilige Michael waarnaar Michiel van der Dussen kennelijk is vernoemd. Bij nadere beschouwing van het schilderij zijn er meer verwijzingen naar katholicisme: het beeldje van Christus aan het kruis en dat van Maria op de kast in de achtergrond en de kruisjes die de dochters om hun hals dragen. De vader van dit katholieke gezin was een telg uit een invloedrijk en zeer welgesteld Delfts regentengeslacht. De protestantse leden van zijn familie maakten deel uit van het stadsbestuur en andere hoge bestuurcolleges, die voor hem als katholiek niet toegankelijk waren.

Welk beroep Michiel van der Dussen heeft gehad, is onbekend, maar hij was vermoedelijk rijk genoeg om van de opbrengsten uit land en roerend goed in en buiten de stad te leven. De situering van zijn Delftse bezittingen rond het van oorsprong katholieke Begijnhof hield ongetwijfeld ook verband met zijn geloofsovertuiging.

Het verhaal van de familie Van der Dussen uit 1640
In 1997 kreeg het Delftse museum Het Prinsenhof een familieportret aangeboden van de 17de-eeuwse schilder Hendrick Cornelisz van Vliet. Op het doek staan bijna levensgroot Wilhelmina van Setten en haar man Michiel van der Dussen afgebeeld bij hun 15de trouwdag op 25 mei 1640, samen met hun kinderen. Het Delftse gezin dook in 1986 op in een kasteel in de buurt van de Franse stad Orléans. De afgelopen maanden heeft Het Prinsenhof met hulp van velen de benodigde f 1.050.000,- bijeen gebracht om de familie voor Delft te behouden, een bedrag dat het museale aankoopbudget ruim zeven maal te boven ging. Het museum sluit 1998, het jaar waarin het zijn honderdste verjaardag viert, dan ook af met een tentoonstelling waarin de nieuwe aanwinst een grote rol speelt in het verhaal over Delft anno 1640.

Delft telde in 1640 ruim 20.000 zielen. De stad was qua grootte vergelijkbaar met Rotterdam en Den Haag, kleiner dan Leiden en Haarlem en aanzienlijk kleiner dan Amsterdam, waar ruim 150.000 mensen woonden.
Slechts een paar honderd mensen behoorde tot dezelfde groep van zeer welgestelden als de familie Van der Dussen. Een wat grotere groep van succesvolle ambachtslieden, kooplieden en 'middenstanders' leidde eveneens een zeer dragelijk bestaan. Het gros van de mensen echter moest hard werken om te overleven, vrouwen evengoed als mannen. Vanwege de lage loonkosten speelden ook kinderen een aanzienlijke rol in het produktieproces.
Zo'n 4000 zielen, dus circa 20% van de Delftse bevolking, leefde in 1640 in grote armoede. De bierindustrie, vanouds een pijler van de Delftse economie, verkeerde toen in een diepe recessie. Bijna jaarlijks ging er wel een brouwerij failliet; een kleine ramp voor een bedrijfstak waar in vroeger hoogtijdagen een zesde deel van de stedelingen hun brood hadden verdiend.
Ook op het gebied van de textielindustrie zat het dat jaar niet mee.
Alle investeringen van het stadsbestuur om deze tak van nijverheid een nieuwe impuls te geven, bleken jammerlijk mislukt. Enkel de aardewerkindustrie ging een betere toekomst tegemoet, maar die zou pas enkele tientallen jaren later tot werkelijke bloei komen.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 796.