kunstbus
Heb je een links, progressief of sociaal hart? Volg ons dan op Twitter of Facebook

Je kunt ook zelf een opinie of encyclopedisch artikel op Kunstbus of Muziekbus plaatsen!

lexicon opinie


Heyman Dullaert

Noord-Nederlands (vóór 1775) schilder, tekenaar van genrekunst, historie, mythologie, portretten en stillevens, tevens dichter.

Naamsvarianten: Heijmen, Heiman, Heymen

Geboorteplaats/datum Rotterdam 1636-02-06
Sterfplaats/datum Rotterdam 1684-05-06

Heiman Dullaert werd in 1636 geboren als zoon van een Rotterdamse graanhandelaar.

Plaats/periode van werkzaamheid
Amsterdam ca 1653.
Heiman kreeg een opleiding als schilder: hij was in Amsterdam van 1652 tot 1656 een leerling van Rembrandt.

Rotterdam 1656 - 1684.
Teruggekeerd naar Rotterdam legde hij zich toe op kerkelijke plichten bij de waalse kerk en was hij schrijver van religieuze poëzie.

Dullaert werd geplaagd door hevige hoofdpijnen. De laatste tien jaar van zijn leven waren sociale contacten vrijwel onmogelijk. In 1684 stierf deze dichter-schilder ongehuwd na een smartelijk lijden aan de tering.

In 1719 verschenen zijn Gedichten met vooral geestelijke poëzie. Hij beschikte over een groot vakmanschap. Zijn religieuze innigheid spreekt de moderne mens aan, met name na de volledige erkenning die zijn werk bij Verweij vond.

Zie ook Dullaert was een vriend van Joachim Oudaen, van Samuel en Frans van Hoogstraten, de boekhandelaar, wiens zoon David het leven van Dullaert beschreef en zijn gedichten uitgaf, 1719. Tot zijn werken behoren mooie psalmberijmingen. Verder Minnezuchten en andere gedichten, die aan Vondel doen denken, o.a. zijn Passie-sonnetten. Maar zijn werk werd onverdiend vergeten; Bellamy kende hem; Verwey vestigde opnieuw de aandacht op hem in het Tweemaandelijksche Tijdschrift, 1898. Dullaert was ziekelijk; hij bleef ongetrouwd. Oudaen schreef zijn lijkdicht. Hij was Prinsgezind en ouderling bij de Waalse kerk. Studie over hem door J. Wille, 1926. Hij was zwak en lange jaren lijdend; de dood was hem een verlossing:
Ik ga door de dood uit mijne duisternissen
Naar 't onuitbluslijk licht, dat in den Hemel schijnt.

Behalve zijn oorspronkelijk werk gaf Dullaert een vertaling van de gedichten van Joachim du Bellay.

Noordnederlands dichter (Rotterdam 6.2.1636-ald. 6.5.1684). Zoon van een welgesteld korenkoper. Opleiding tot schilder, als 16-jarige in de leer bij Rembrandt. Na ongeveer vier jaar te Amsterdam te hebben gewoond, terug naar Rotterdam; van 1665-1667 diaken, van 1670-1672 ouderling van de Waalse kerk; van 1672-1674 hoofdman van het Rotterdamse St.-Lucasgilde. Zeer zwak gestel. Ongehuwd. Stierf na een langdurig lijden. Van zijn geloofszin getuigen zeven prozavertalingen van Franse stichtelijke werken.
Pas in 1719 gaf zijn bewonderaar David van Hoogstraten te Amsterdam uit: H. Dullaerts gedichten, met een `Kort Berecht wegens het Leven van H.D.'. De uitgave is slordig en slecht verzorgd. Behalve een aantal gelegenheids-, graf- en lofdichten schreef Dullaert vooral geestelijke poëzie. Zijn beste werk wordt gekenmerkt door een groot technisch vakmanschap: paradox, antithese en hyperbool bijv. worden op knappe wijze door hem toegepast. Zijn religieuze innigheid is van een karakter dat men in de Nederlandse 17de-eeuwse literatuur niet vaak aantreft en dat doet denken aan de verinnerlijkte kunst van Rembrandt; zij geeft zijn werk iets dat de moderne mens aanspreekt. Na een voorbijgaande bewondering ten tijde van de preromantiek (Bellamy), vond hij pas bij Verwey volledige erkenning. Van zijn schilderwerk is in Nederland vooral nog bekend `De Urinedokter' (Groninger Museum voor Stad en Lande).

Dullaert (Heiman) 1 waarschijnlijk een bloedverwant maar zeer zeker een veel kiescher, bekwamer en verdienstelijker dichter dan de voorgaande, wiens vertaling van Tasso hij met een lofdicht vereerde2, werd geboren te Rotterdam, den 6 Februarij 1636. Zijne ouders waren Kornelis Michielsz. Dullaert, korenhandelaar, en Sofia Melisdyk, deftige en vermogende lieden, die het hem aan geene goede opvoeding lieten ontbreken; daar zij in hem een vlug verstand en grooten lust tot de schilderkunst bespeurden, zonden zij hem naar Amsterdam, waar hij de onderrigting in deze kunst genoot van den beroemden Rembrand van Rhyn, in welke hij zulke vorderingen maakte, dat eene door hem vervaardigde copij van een van Rembrands stukken, zijnde een geharnaste Mars, te Amsterdam, voor het werk van Rembrand zelven werd verkocht.
Met de beöefening der schilderkunst paarde hij even gelukkig die der muzijk en poëzij, verdeelende zijn' tijd, uithoofde van zijn zwak ligchaamsgestel, tusschen de beöefening der letteren en fraaije kunsten, leidende een stil en ingetogen leven, van elk geächt en bemind, zoo zelfs, dat hij in 1672 benoemd werd tot Raad in de Vroedschap zijner geboortestad, in welken een zijner voorzaten, Abraham Dullaert, in 1628 Hoofdofficier was geweest; doch hij wees deze benoeming van de hand. Hij telde Joachim Oudaen en de broeders François en Samuel van Hoogstraten onder zijne gemeenzame vrienden, inzonderheid waardeerde hij den laatsten, die gelijktijdig met hem de schilderkunst bij Rembrand had geleerd.
Met het vorderen zijner jaren nam zijne zwakheid dermate toe, dat hij een' tegenzin kreeg in het schilderen, dichten, zingen en spelen, den gezelligen omgang, ja bijkans in eten en drinken, waarin hij ongemeen sober was. Hij verzwakte zoodanig, dat hem het spreken en hooren bezwaarlijk viel; hij teerde allengs uit, en stierf den 6 Mei 1684. Zijne gedichten zijn in een bundeltje bijeenverzameld en in 1719 te Amsterdam door D. van Hoogstraten in het licht gegeven.
Het oordeel van den Poëtischen Spectator over Dullaert 3 is volkomen ook dat van den Heer De Vries 4 en het onze. Zijne gedichten zijn krachtig en beeldrijk. Zijne Dichtkundige Uitbreiding over Koning Davids CIVde Harpgezang 5 is een uitmuntend fraai stuk; ook schijnt het dat hij het best slaagde in het behandelen van ernstige onderwerpen; ofschoon hij ook regt lieve erotische stukjes heeft geleverd, en eenige puntdichten, die elders eene plaats zijn ingeruimd 6. Een paar der kleinere stukjes kunnen wij er hier geene weigeren.
1 A. Houbraken, Schouburg der Schilders, III Deel, blz. 78, D. van Hoogstraten, Kort Berecht wegens het leven van H. Dullaert, voor diens gedichten.
2 H. Dullaerts Gedichten, blz. 93
3 blz. 58.
4 geschied. der Nederd. Dichtk. I Deel, blz. 263.
5 Gedichten, blz. 3 .Poëtische Spectator, blz. 64
6 Epigramm. Anthologie, blz. 66. L.G. Visscher, Bloemlezing, II Deel, blz. 166.

Op Maria Magdalena.
Hoe laat zij in het nat de schoone lokken slingeren!
Hoe stilt een regenvlaag nu die gekrolde zee!
Zij is niet meer het spel van spiegel, strik en vingeren.
Haar maakt nu ander vocht, dan reukrig vocht, gedwee.
Of zou van yder hair hier wel het zilver glyden,
Waar mede d'ouderdom het sterflyk hooft bekruipt,
't Geen met dit buigzaam gout eerbiedig niet wil stryden,
Maar vloeiende in kristal uit elke vlecht verdruipt?

Minnezuchten.
Vertroosters van de minnesmarte,
Die door myne aders vloeit op een bezielde lucht,
Volmaaktste kinderen van 't allerziekste harte
Dat immer in het ryk der liefde heeft gezucht!
Ontdekkende en bespraakte kusjes:
Ontsnapte boden van 't gemoed,
Verradertjes van bloode lusjes,
Van wie de schaamte waant dat gy ze onkenbaar boet,
En om dat gy van haar niet zichtbaar zyt bedreven,
Zoo noemt u Rozemont een' stouten minnaars roof.
Maar, zyt gy diefstal, ik beloof,
Om vry van schuld en straf te leven,
U zevendubbelt weer te geven.

Buiten de groep der collegianten en reformateurs die wij nog te behandelen hebben, is een der zuiverste dichters Heiman Dullaert, aan wie wij dan nu ook iets uitgebreider aandacht besteden.
Bevriend met de acht jaar oudere collegiant Oudaan, wijkt Heiman Dullaert (1636-1684) in enkele opzichten toch wel sterk van de reformateur af. Het polemische ontbreekt, evenals het verstandelijke, dat er de grondslag van is. Dullaert was leerling van Rembrandt, en aan zijn aanleg voor het visuele danken wij het, dat ook zijn gedichten dat element van door de zintuigen waargenomen schoonheid bezitten als kenmerkend bestanddeel van zijn kunst. In veel opzichten herinnert Dullaert zelfs aan de renaissance-kunstenaars, namelijk in zijn aandacht voor de zintuiglijk-waarneembare schoonheid. En het ligt geheel in de lijn, dat hij over de mannen van het tweede en derde geslacht heen, teruggrijpt naar figuren als Du Bartas en Du Bellay, die hij met veel smaak en fijnheid vertaalde of bewerkte. Als bij de meeste dichters uit de tweede helft van de zeventiende eeuw, valt zijn vers losser en soepeler dan dat van Vondel, om van Hooft maar niet te spreken; ook zijn terecht bekende sonnetten mengelen door de kracht die deze dichtvorm a priori veronderstelt, een aangename souplesse, die deze gedichten gemakkelijker en aangenamer leesbaar maakt dan die van beroemde voorgangers. Dullaert heeft, als Oudaan, Vondel bewonderd, hij heeft, als Vondel, Davids psalmen vertaald, maar hij deed het meer in de lichte, ijlere geest van de vroege renaissance.
Dullaert wordt gekenmerkt door een alzijdige levensliefde; hij schreef bruiloftsliederen in kuiser toon en trant dan zijn tijdgenoten gewoon waren, hij is verrukt over de ‘Vooreilanden van Amerika’ die hij toch alleen maar met geleende ogen had gezien; hij huldigde onze zeehelden en beschreef de kunstige bouw van een vogelnest. Maar wanneer wij denken aan zijn Lyk- en Grafdichten, aan zijn Geestelijke Gedichten en sonnetten, o.a. met betrekking tot de gebeurtenissen uit Christus' lijdensweek, herinneren wij ons die andere trek van zijn persoonlijkheid, zijn waarachtige vroomheid. De grondtoon van zijn wezen is ernst, maar die ernst sluit levensliefde geenszins uit. Vóór alles is deze dichter christen, en ongetwijfeld heeft zijn religieuze overtuiging hem gesteund in zijn moeilijk leven: gekweld door zware hoofdpijnen, wist hij, betrekkelijk jong nog, dat zijn leven langzaam maar vroegtijdig neigde naar de dood: hij zag in de haast gebluste vlam van zijn kaars het levend zinnebeeld van zijn leven dat verdwijnt. Maar anders dan de kaars die smoort in duisternis nu zij haar licht gaat missen, weet hij door de dood uit de duisternis op te gaan in het onuitblusbaar licht dat in de hemel schijnt. ‘Slechts in weinig Nederlandsche dichters der zeventiende eeuw treffen wij zulk een harmonische versmelting aan van Christelijke vroomheid met de geest en de kunst der Renaissance’, maar ook afgezien van deze historische belangrijkheid behoudt zijn werk waarde om de schoonheid van een aantal gedichten. Het dichtwerk van Dullaert werd pas lang na zijn dood, namelijk in 1719, uitgegeven door zijn vriend en bewonderaar David van Hoogstraten. (www.dbnl.org/tekst)

Deel dit artikel op Twitter of Facebook

Heb je een links, progressief of sociaal hart? Volg ons dan op Twitter of Facebook

Pageviews vandaag: 26.