kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 19-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Indonesische kunst

Kunst van de Indonesische eilanden, waarbij Java een voortrekkersrol vervult.

Zie ook Indonesische kunst' roept in het Westen vooral associaties op met traditionele oosterse vormen van kunst als batik, wajang en de Balinese schilderkunst, of met klassieke hindoe-Javaanse monumenten als de Borobudur en de Prambanan.

Tot de twintigste eeuw stond de beeldende kunst over het algemeen in dienst van magische en religieuze rituele aangelegenheden en wordt de verbondenheid met verleden en religie tot uitdrukking gebracht. Hetzelfde geldt voor de literatuur, waarbij in de klassieke literatuur, in de vele regionale talen van Indonesië, duidelijk de invloeden van het hindoeïsme en de islam aanwijsbaar zijn.

Tot de tradionele technieken rekenen we de textielbewerking: ikat, plangi, tritik, batik.
Tot het traditionele theater behoren de wayangspelen.

Tussen de 7de en 14de eeuw bestonden in Indonesië op verschillende plaatsen diverse koninkrijken. Deze waren vooral gestoeld op het hindoeïsme en het boeddhisme.

hindoe-beschaving
De kunst uit de tijd van de hindoe-beschaving kan worden verdeeld in een West-Javaanse (5e-7e eeuw), Midden-Javaanse (7e-10e eeuw) en Oost-Javaanse (13e-16e eeuw) periode. Van de tijd tussen de laatste twee perioden is weinig bekend.

Midden-Javaanse periode (7e-10e eeuw)
Uit de Midden-Javaanse tijd zijn tempelcomplexen bewaard gebleven die vierkante tempels met trappen laten zien, met in de gevelvelden vissen, een dak dat in verdiepingen is geconstrueerd en een evenwichtige decoratie die aansluit bij de architectuur.

Na ca 750 ontstonden verfijndere, technisch knappere bouwwerken. Goed voorbeeld daarvan is de Borobudur (ca 800).

Aan het einde van de achtste eeuw bloeiden architectuur en beeldhouwkunst van de Indonesische archipel als nooit tevoren op. De rijkdom van de hindoeïstische en boeddhistische cultuur ontwikkelde zich dank zij de vele reizen van pelgrims en handelslieden naar India. Op de eilanden Bali, Java en Sumatra verrezen in een korte periode honderden stenen tempels, waaronder de wereldberoemde Borobudur en Prambanan.

Oost-Javaanse periode
In de Oost-Javaanse periode is er een overdreven aandacht voor het detail. De figuren in de reliëfs lijken nu op wajangpoppen. Het grootste heiligdom op Oost-Java is het Panataran-tempelcomplex (1369), met een Sjiva-tempel op drie terrassen, kleine tempeltjes, plaatsen om te baden, enz.

sculptuur
De sculptuur van Indonesië omvat hoofdzakelijk tempelreliëfs. Menselijke figuren kwamen vooral in groepen voor. Beelden werden zowel uit steen als uit brons gemaakt. Uit de Oost-Javaanse periode zijn cultusbeelden van belang. De godheid werd geïdentificeerd met een overleden koning of familielid en vereerd in een tempel- grafmonument. De beelden kregen hierdoor het karakter van een portret; een voorbeeld hiervan is het Visjnoe-beeld afkomstig uit Belahan (11e eeuw). De figuren uit de Oost-Javaanse periode zijn in het algemeen slanker en hebben stijvere gebaren dan in de voorafgaande Midden-Javaanse periode. Zij werden ook vaak als silhouet afgebeeld.

islam
Via de handel deed de islam zijn intrede in Indonesie en groeide snel uit tot de belangrijkste religie in Indonesië. Na de overheersing van de islam in de 16e eeuw raakten de hindoe-Javaanse bouwvormen in onbruik.

Bali
Op Bali zijn, nadat de overige eilanden van Indonesië onder de invloed van de islam waren gekomen, de Javaanse stijlen voortgezet. Decoraties met reliëfs werden vooral toegepast bij ingangspoorten en beeldden fantastische wezens uit. Steeds meer werd op Bali het ornament onafhankelijk van de architectonische vorm. Gepolychromeerde houten beelden zijn hier kenmerkend. Uiteindelijk is ook de sculptuur o.i.v. de islam steeds verder achteruitgegaan.

schilderkunst
Over de hindoe-Javaanse schilderkunst zijn wel berichten uit de 16e eeuw van de Portugezen overgeleverd, maar van de schilderingen zelf is niets meer over. Op Bali werden echter nog voorstellingen geschilderd die bij de Javaanse periode aansluiten en die nog steeds worden gemaakt. Op boombast en katoenen doeken zijn episoden afgebeeld die zijn ontleend aan de hindoeïstische literatuur. Op deze doeken worden telkens dezelfde figuren afgebeeld in verschillende situaties; zij worden bij feestelijke gelegenheden in tempels en huizen van adellijke families opgehangen. Het formaat ervan is of rechthoekig of lang (soms enkele meters) en vrij smal. Gebeurtenissen uit het dagelijks leven worden afgebeeld in de zgn. wichelkalenders.

VOC
Nederlanders lijven Indonesië in als kolonie.

Schilderkunst
De schilderkunst op Bali kent een eeuwenlange traditie. De oudste Balinese schilderijen dateren uit 1444 en 1458. Traditioneel werd de schilderkunst gebruikt om religieuze en mythologische voorstellingen uit te beelden. Oud-Javaanse en Balinese versies van de Ramayana en Mahabharata, Javaanse en Balinese volksverhalen vonden destijds gretige aftrek bij het hof. De figuren werden uitgebeeld in de stijl van de wayang.

Tegen het einde van de 19e eeuw komt er meer perspectief in de werken en krijgen de figuren en omgevingen een meer natuurlijk voorkomen. De Balinese stijl zou echter door de nauwe interactie met westerse schilders die op Bali kwamen leven pas echt een transformatie ondergaan. De grijsschakeringen die veelal in de traditionele schilderijen werden gebruikt zouden plaats maken voor een levendig gebruik van kleuren.

Raden Saleh
In de 19e eeuw was de Javaanse schilder Raden Saleh de belangrijkste Indonesische kunstenaar. Hij maakte echter gebruik van westerse technieken en onderging vooral de invloeden van de Franse 19e-eeuwse schilders, met name Eugène Delacroix. Raden Saleh heeft internationale bekendheid gekregen, maar in zijn eigen land geen navolging gevonden.

Walter Spies
Pas in de jaren dertig van de 20e eeuw begon zich een bloeiende schilderkunst te ontwikkelen. De Javaanse schilderkunst was meer dan die van Bali westers gericht. Op Bali koos men het eigen dorpsleven tot onderwerp, hetgeen vooral is gestimuleerd door de Duitse schilder Walter Spies, die er woonde van 1927 tot 1940. De Nederlander Rudolf Bonnet zou volgen in 1931. De lokale kunstenaars zouden sterk worden beinvloed door de werken van deze Europeanen. Bonnet en Spies introduceerden landschappen en romantische portretten.

In de dertiger jaren worden er drie belangrijke kunstcentra's opgericht in Ubud, Sanur en Batuan waar kunstenaars als Ida Bagus Kembeng, Anak Agung Gede Sobrat, Ida Bagus Rai en Ida bagus Made Togog opkomen. Spies, Bonnet en de Nederlandse archeoloog W.F. Stutterheim vrezen dat het toerisme een negatieve invloed op de kwaliteit van de schilderkunst zal krijgen. Met behulp van Cokordas Raka en Gede Sukawati wordt in 1936 de Pita Maha kunstenaarsgezelschap opgericht. Na de oorlog zet Bonnet het werk voort door met Cokorda Gede Sukawati de Ubud Schildersvereniging (Ratna Warta) op te richten.

Na 1965 wordt Bali geopend voor het toerisme en vestigen zich veel Balinese, Javaanse, Sumatraanse en westerse kunstenaars in het gebied tussen Mas en Ubud. Er wordt geexperimenteerd met vele nieuwe stijlen. De academisch opgeleide schilders gebruiken originele stijlen en onderwerpen. In het werk van de niet-academische schilders is nog veel terug te zien van de epische verhalen en volksverhalen, het dagelijkse leven in Bali met al zijn rituelen en dramatische opvoeringen wordt echter ook graag afgebeeld. De meeste niet-academische schilders produceren echter voor de toeristenmarkt.

Back to the Roots
Tegenwoordig experimenteren kunstenaars met westerse kunststijlen. De oeroude batiktechniek word bijvoorbeeld in Midden-Java steeds meer voor schilderijen toegepast.

toegepaste kunst
In Indonesië zijn steeds veel plantaardige materialen gebruikt voor het vervaardigen van gebruiksvoorwerpen. Hout werd versierd met snijwerk en soms gekleurd. Voor doosjes en klein vaatwerk koos men vaak bamboe als materiaal; het werd gekerfd en beschilderd of versierd met snijwerk. Geklopte boombast is ook gebruikt als kleding, nadat men hem had beschilderd. In repen gesneden palmbladeren werden gebruikt voor vlechtwerk, o.m. hoeden, matten en dozen, veelal bestikt met lapjes, kralen en schelpen. Voor het kleuren van de materialen werden plantaardige verfstoffen toegepast.

Uit het vlechtwerk heeft zich de weeftechniek ontwikkeld. Katoen was hiervoor de belangrijkste grondstof. De geweven stoffen zijn niet alleen gebruikt voor kleding, maar hebben ook een functie in huwelijks- en dodenrituelen en als wandversiering.

Het pottenbakken is in Indonesië nooit tot ontwikkeling gekomen, omdat er weinig behoefte bestond aan aardewerk. Bamboe en de schaal van de kokosnoot voldeden als vaatwerk. Wel stond de ingevoerde ceramiek uit China in hoog aanzien.

Vanaf vroege tijden zijn brons en koper bekend in Indonesië. Deze metalen werden gebruikt voor beeldjes, wapens, sieraden en vaatwerk.

Goud en zilver worden gebruikt voor sieraden en toegepast in een vrij zuivere legering, waarbij de kleurnuance belangrijker is dan de materiële waarde. Bladgoud is vaak gebruikt om een kern van ander materiaal mee te bedekken. Voor sieraden zijn verder ivoor en been van belang. Deze materialen werden eveneens verwerkt in de handgrepen van wapens, kogelhouders, kammen, lepels e.d.

Houtsnijwerk wordt op grote schaal gevonden aan de voorgevels en zijwanden van houten huizen.

Als belangrijke uiting van volkskunst kunnen de wajangpoppen worden genoemd.

Muziek
De muziek is gevarieerd, het bekendste is de gamelanmuziek, de traditionele muziek van de Javaanse en Balinese hoven. Ook in de muziek van de gamelanorkesten is het magisch-religieuze herkenbaar. Sinds de Portugese zeelieden in Indonesië verbleven is er een populaire vorm van muziek en liedjes ontstaan die krontjong wordt genoemd. Voor reizigers uit Nederland in het huidige Indonesië is het opvallend te merken dat oude Nederlandse liedjes nog hier en daar in Indonesië worden gezongen.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 48.