kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 19-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Italiaanse kunst

De kunst van Italië boogt op een eeuwenlange traditie, die teruggaat tot voor de klassieke Oudheid.

Zie ook Grieken en Romeinen zich op geestelijk en politiek gebied van het Middellandse Zeegebied meester maakten, bevonden zich langs de kusten van deze zee al hoogstaande beschavingen waarvan de mooiste en rijkste die van het Minoïsche Kreta was. We weten maar weinig van het geestelijk leven van de Minoïsche cultuur en nog minder van de andere beschavingen uit dezelfde periode. Op Sardinië bouwde men nuraghi, torens van zware, onbewerkte stenen, maar waarvoor die bouwwerken dienden - of het burchten of tempels waren - weten we niet. Het enige wat de vondsten ons leren is dat de periode rijk was aan kunstuitingen.

Etruskische kunst en Romeinse kunst
De Etrusken hadden hun kerngebied (Etrurië) in Toscane, ten zuiden van Firenze. Het was gelegen tussen de Arno en de Tiber. De Romeinen noemden de Etruscen: Tusci. Toscane is dus het land van de Tusci. De Romeinen hadden het nodige overgenomen van de volkeren die zij onderwierpen, w.o. de Etrusken. Hun staatsinrichting en bouwkunst kenden hun weerga niet. Zij presteerden veel op het gebied van waterbeheersing, stedebouw en vestingwerken. De Romeinen, de sterkste en meest begaafde van de Italiaanse stammen, gingen in de leer bij de Etrusken en, via hen, bij de Grieken. Ze namen wat ze zagen echter niet klakkeloos over, maar voegden daar veel eigens aan toe.

De oude tradities zijn in Italië nooit geheel verloren gegaan en de zichtbare overblijfselen ervan hebben kunstenaars uit latere perioden tot voorbeeld gediend. In de Romeinse kunst verenigden zich alle kunststromingen van de antieke wereld. Toen het christendom deze wereld veroverde, nam het de vormentaal ervan over.

Romaanse kunst
Van de romaanse bouwkunst zijn voornamelijk kerkgebouwen bewaard gebleven. Kenmerkend voor de romaanse bouwkunst is dat de verschillende onderdelen van het gebouw als afzonderlijke, geometrische vormen herkenbaar blijven.

Vrijstaande beelden uit de romaanse tijd zijn zeldzaam. De beeldhouwwerken zijn meestal reliëfs die deel uitmaken van de architectuur. De reliëfs uit de 11e eeuw zijn nog erg vlak, als een stempel, en doen denken aan ivoorsnijwerk. Later wordt het reliëf hoger. Het beeldhouwwerk is schematisch, verhalend en versierend. De verhoudingen van het menselijk lichaam en de anatomie zijn niet natuurgetrouw weergegeven en met de illusie van ruimte hebben de romaanse beeldhouwers zich al helemaal niet beziggehouden. Het duidelijk overbrengen van het verhaal, het idee of de boodschap was voor de kunstenaars veel belangrijker dan het afbeelden van het zichtbare werkelijkheid.

Wat over de Romaanse beeldhouwkunst gezegd is, geldt ook voor de schilderkunst. Ze is schematisch, verhalend en decoratief. De meest opvallende kenmerken van de schilderkunst zijn het lineaire karakter, het gebruik van felle kleuren en het puur decoratieve (nauwelijks ruimte-illusie).
De invloed van de Byzantijnse schilder- mozaïekkunst op de romaanse tweedimensionale kunst is zeer groot.

Byzantijnse Kunst
Iedereen, die wel eens in Venetië of op Sicilië is geweest, heeft daar kennis kunnen nemen van indrukwekkende mozaïeken, die door Byzantijnse kunstenaars in samenwerking met lokale medewerkers zijn gemaakt. Het zijn echter niet de enige voorbeelden van de invloed van de Byzantijnse kunst op die in West-Europa. Tijdens de Karolingische renaissance en de Ottoonse periode speelden Byzantijnse voorbeelden een belangrijke rol en ook in de romaanse stijlperiode en de opkomende gotiek lieten veel kunstenaars zich inspireren door de veelzijdige vormentaal van Byzantium, die de kunstenaar in het Westen bruikbare composities en goede formele oplossingen bood. Italië was van oudsher een toegangspoort voor Griekse invloeden. Reeds in de 7e en 8e eeuw was een aantal Griekse kunstenaars werkzaam in Rome, waar de pausen toen vaak van Syrische of Griekse afkomst waren. Ook in de volgende eeuwen, tot aan de komst van Giotto, zou de Italiaanse kunst schatplichtig blijven aan de kunst van Byzantium.

Middeleeuwen
Gedurende de Middeleeuwen bestond de Italiaanse kunst hoofdzakelijk uit architecturale decoratie ( fresco's en mozaïeken ). De Byzantijnse kunst in Italië had een hoogst formele en geraffineerde stijl met een gestandaardiseerde kalligrafie en een bewonderenswaardig gebruik van kleur en goud.

Tot de 13e eeuw was de kunst in Italië bijna volledig regionaal en werd beïnvloed door externe Europese ( Romaanse kunst ), met name Frankrijk, en Oosterse stromingen ( Byzantijnse kunst ). Na 1250 ontwikkelde de kunst van diverse gebieden gemeenschappelijke kenmerken zodat een bepaalde eenheid ontstond. Dit ging echter niet ten koste van de originaliteit van de werken. De schilderkunst kwam vanaf deze tijd tot grote bloei, waarbij Byzantijnse elementen plaats maakten voor individueel herkenbaar, vaak hoogbegaafd werk.

Gotische schilderkunst in Italië
In de 13e eeuw was in Italië de Byzantijnse invloed op de schilderkunst nog zeer groot. De kunstenaars, toen nog gewoon ambachtslieden, hielden zich aan strenge Byzantijnse tradities die weinig artistieke inbreng van henzelf toestonden. Daardoor leken hun schilderijen ook allemaal op elkaar. Doel van deze kunst was niet te interpreteren of de werkelijkheid te tonen. Ze diende meer als medium om het eeuwige, geestelijke en bovenzinnelijke zichtbaar te maken voor gewone stervelingen.
Pas aan het eind van de 13e eeuw drong de gotische belangstelling voor de waarneembare, aardse werkelijkheid ook in Italiaanse schilderkunst door. Langzamerhand werd de Byzantijnse invloed zwakker. De composities werden vlotter, de houdingen van de figuren natuurlijker en de gouden achtergronden maakten plaats voor gebouwen, steden en landschappen. Als zij madonna's, kalvariekruisen of andere zeer gewichtige onderwerpen schilderden, bleven de kunstenaars nog dicht bij de traditie, maar daarbuiten veroorloofden zij zich steeds meer vrijheden. Deze ontwikkelingen deden zich in heel Italië voor, maar de kunstenaars uit Siena en Florence waren de voortreffelijkste.

Begin van de renaissance
Belangrijke ateliers stonden in o.m. Florence en Siena. Nieuw was een gevoel voor monumentaliteit en ruimte, dat tot uiting komt in fresco's van Giotto te Assisi en Padua. Met Giotto di Bondone (ca 1300), een tijdgenoot van Dante, begon een nieuwe periode in de schilderkunst. Zijn "warme" stijl bepaalde de toekomstige koers van kunst in Italië. Zijn directe aanhangers, Taddeo Gaddi, Bernardo Daddi, Giottino en anderen verspreidden zijn techniek.

De schilders die in Siena werkten, w.o. Duccio, legden de nadruk vooral op lijn en (schitterende) kleur. Belangrijke schilders, waaronder Guido van Siena, Cimabue en Duccio di Buoninsegna, introduceerden nieuwe schildertechnieken en een directere weergave van de menselijke emotie. Dezelfde trend werd gezien in het beeldhouwwerk van Nicola Pisano. Hij maakte gebruik van elementen uit de klassieke oudheid, net als Pietro Cavallini in zijn frescoschilderijen.

De Zwarte Dood (1348)
De Zwarte Dood betekende een sterke daling van de artistieke productiviteit voor de volgende twee generaties. Er werden apocalyptische fresco's gecreëerd tijdens deze periode door Andrea Orcagna in Florence en door Francesco Traini in Pisa.

internationale stijl
De pessimistische inhoud van de kunst veranderde in de vroege 15de eeuw met het ontstaan van een elegante stijl die bekendstaat als de internationale stijl. Deze manifesteerde zich in de werken van Lorenzo Monaco, Masolino da Panicale en in zekere mate dat van Pisanello.

renaissance
In de loop van de 14e eeuw nam de belangstelling voor de klassieke Oudheid steeds meer toe. Geleerden (humanisten) gingen Griekse en Romeinse geschriften bestuderen, hetgeen zijn neerslag vond in de waardering van de vrije kunsten en in de toepassing van regels uit de Oudheid voor de kunst.

Er verschenen theoretische verhandelingen, o.a. van de hand van de architect en theoreticus Leon Battista Alberti, die zich baseerde op de theorieën van de Romeinse architect Vitruvius. Ook de proportieleer voor het menselijk lichaam en perspectief werden bestudeerd.

Quattrocento
In het tweede decennium van de 15e eeuw nam Italië, in het bijzonder Florence, het voortouw in de Europese kunst. De politieke stabiliteit werd gevestigd in verscheidene gebieden, en de machtige heersende families schiepen de voorwaarden die de artistieke bloei mogelijk maakten.

Donatello, Brunelleschi en Leone Battista Alberti waren onder de eersten die bewust naar de klassieke oudheid als model voor hun werk gingen kijken. Zij begonnen het optische systeem van perspectief te ontdekken. Zij bepaalden ook een hoge artistieke norm die door volgende generaties werd nagestreefd.

Domenico Veneziano en Piero della Francesca werden aangetrokken door Florence, terwijl de Florentijnse kunstenaars zoals Donatello en Fra Filippo Lippi naar Noord-Italië gingen.

Gedurende de tweede helft van het quattrocento begonnen de kunstscholen in Noord-Italië op te bloeien. Squarcione was de leraar van vele schilders, onder hen Carlo Crivelli en Andrea Mantegna, die prachtige fresco's voor kerken en paleizen in Padua en Mantua schilderden. Zijn schoonvader, Jacopo Bellini had twee zonen, Gentile en Giovanni Bellini, die zijn Venetiaanse leerschool voortzetten.

De familie Vivarini produceerde schilderijen die opmerkelijk waren vanwege de heldere kleur. Antonello da Messina was een van de eerste Italianen die olieverf gebruikte om te schilderen, met opmerkelijk effect. Het effect van de stijl van Mantegna werd gevoeld in Ferrara in de schilderijen van Cosimo Tura, Francesco del Cossa, en Ercole de Roberti.

Hoge Renaissance
De werken van de Hoge Renaissance hebben als voorbeeld gediend voor vrijwel alle kunst zoals die aan de academies werd onderwezen, tot ver in de moderne tijd. Vanaf de 16e eeuw werd een reis naar Italië door vrijwel alle kunstenaars in Europa gezien als een afronding van hun leerperiode.

homo universalis
Als ideaal werd de homo universalis gezien, de man die op alle terreinen de nieuwe denkbeelden en conclusies uit eigen onderzoek kon toepassen. Michelangelo was hiervan welhaast de belichaming: hij was naast schilder en beeldhouwer ook architect. Leonardo hield zich eveneens bezig met schilderen, onderzocht natuurverschijnselen, maar heeft ook verdedigingswerken en oorlogsmachinerieën ontworpen.

Michelangelo, Leonardo da Vinci en Rafaël verbleven in Florence en in Rome en creëerden daar beroemde kunstwerken. De geïdealiseerde madonna's en portretten van Rafaël en zijn fresco's voor het Vaticaan oefenden een enorme invloed op Europese kunstenaars uit.

Leonardo da Vinci heeft slechts een kleine groep schilderijen nagelaten en één grote fresco, het Laatste Avondmaal. Zijn ongelooflijke veelzijdigheid wordt het duidelijkst geopenbaard in zijn notitieboekjes, vol met buitengewone plannen met allerlei onderwerpen.

Het plafond van de Sixtijnse Kapel en Het Laatste Oordeel zijn de enige monumentale projecten in de schilderkunst, beeldhouwwerk of architectuur van Michelangelo die volgens zijn plannen zijn gematerialiseerd. Het grootste deel van zijn sculpturele meesterwerken zijn fragmenten van enorme ontwerpen die nooit in hun totaliteit werden uitgevoerd.

Maniërisme
In de vroege 16e eeuw waren Andrea del Sarto, Sebastiano del Piombo en Fra Bartolommeo toonaangevend in de kunst, maar andere kunstenaars ontwikkelden ondertussen een complexe, soms bizarre stijl, die bekendstaat als het maniërisme. Onder de aanhangers van deze stijl waren schilders als Pontormo, Giulio Romano, Parmigianino, Rosso da Fiorentino, Primaticcio en later Bronzino en Vasari, evenals de beeldhouwers Giovanni Bologna, Baccio Bandinelli, Ammanati, Buontalenti en Benvenuto Cellini. Verder Giambologna en Bartolomeo Ammanatiri. Deze Italiaanse kunst uit deze periode kan het best als een soort zoektocht getypeerd kan worden. De grote meesters waren bejaard ( Michelangelo), of al dood ( Da Vinci, Rafaël) en er ontstond behoefte aan een eigen visie. Deze periode, zo tussen 1540 en 1600, is als een overgangsperiode te beschouwen naar de Barok van de 17e eeuw.

Venetiaanse schilderkunst
Venetië was betrekkelijk onaangeroerd door het maniërisme. In het begin van de 16e eeuw zetten twee grote Venetiaanse meesters, Giorgione en Titiaan, de traditie voort die door Giovanni Bellini was gevestigd. Zij maakten atmosferische landschappen. Hun stilistische techniek beïnvloedde de werkzaamheden van Palma Vecchio, Giovanni Antonio de Pordenone, de familie Bassano, de Ferrarese Dosso Dossi en Paolo Veronese.

Vanaf 1517 ontstond er in het Noorden, onder leiding van de augustijner monnik Maarten Luther, forse kritiek op de kerk van Rome ( Reformatie). Men vond dat de kerkelijke leiders hun geestelijke taken verwaarloosden. Tijdens jaren durende vergaderingen (Concilie van Trente) trachtten de katholieken in Rome hier een antwoord op te vinden. Hun reactie ( Contrareformatie) bracht aanvankelijk een versobering van de kunst met zich mee. Deze versobering duurde echter niet lang. In de 17e eeuw ontstond er een nieuwe tijd die beter aansloot bij de wensen van de heersers, die hun macht graag met uiterlijk vertoon wilden illustreren. De stijl van dit uiterlijk vertoon wordt de Barok genoemd. Deze feestelijke, uitbundige en zwierige stijl wordt vertegenwoordigd door de schilder Caravaggio, de architect Francesco Borromini en de beeldhouwer/architect Gianlorenzo Bernini.

De Barok
De 17e eeuw werd gekenmerkt door de barokstijl, waarbij vooral de toepassing in de architectuur belangrijk is. Ook in de beeldhouwkunst kwamen de kenmerken, o.m. golvende bewegingen en soms overdreven pathetiek, tot uiting.

Het concilie van Trente is een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van de Italiaanse kunst. In een poging om aansluiting te vinden bij de populaire devotie kiezen de kunstenaars vanaf nu voor levendige, invoelbare voorstellingen. De statische, tijdloze constructies van de renaissance maken plaats voor de dynamiek van de barok; het kunstwerk wordt van object van beschouwing tot ruimte van beleving.

In Parma verfraaide Correggio kerkkluizen met levendige figuren die op wolken dreven. Dit had een verregaande invloed op barokke plafondschilderijen van die tijd. De schilderijen van Caravaggio en de robuuste, illusionistische schilderijen van de Bolognese familie Carracci leidden tot de barokke periode in de Italiaans kunst. Domenichino, Francesco Albani en recenter Andrea Sacchi waren onder degenen die de klassieke invloeden uit de kunst van Carracci nieuw leven in bliezen.

Anderzijds waren Guido Reni, Guercino, Gentileschi, Lanfranco en later Pietro da Cortona en Padre Pozzo, hoewel zij waren opgeleid op een klassiek-allegorische wijze, geneigd om dynamischere schilderijen te maken vol met figuren op een manier die veel aan Caravaggio doet denken. Een virtuoos van barokke grandeur in beeldhouwwerk en architectuur was Bernini.

veduta
Een aparte plaats in de schilderkunst namen de 'veduta' in: stadsgezichten met genrefiguren, die vooral in Venetië werden vervaardigd in de 18e eeuw. Het waren geliefde souvenirs.

De belangrijke kunstwerken uit de 18e eeuw kwamen uit Venetië. Onder hen waren briljante exponenten van de rococo-stijl, Tiepolo; de architecturale schilders Guardi, Canaletto, Piazzetta en Bellotto en de graveur van Romeinse antiquiteiten, Piranesi. In de mode excelleerden Castiglione en Magnasco, allebei werkten zij in Napels.

Na de 18e eeuw was de kunst in Italië internationaal gezien van weinig belang meer.

Medio-negentiende eeuw gaf een groep bekend als Macchiaioli nieuw leven aan het schilderen van landschappen en genreonderwerpen.

Vroeg in de 20e eeuw ontwikkelden de exponenten van het futurisme een dynamische visie op de moderne wereld terwijl Chirico vreemde metaphysische werken maakte en Modigliani zich aansloot bij de Parijse school.

Begaafde recentere moderne kunstenaars zijn beeldhouwers Giacomo Manzù, Marino Marini, de schilder Giorgio Morandi en de minimalistische kunstenaar Lucio Fontana. Lucio Fontana kan ook gezien worden als voorloper van de later belangrijke stroming Arte Povera.

In de jaren tachtig schilderden de zgn. Jonge Italianen in een nieuwe expressionistische stijl.

In de tweede helft van de 20e eeuw kregen Italiaanse ontwerpers, in het bijzonder die uit Milaan, veel invloed in internationale stijlen met hun fantasierijke en ingenieuze functionele werken.

Vooral de 20e-eeuwse architectuur, met Nervi als belangrijk representant, staat op een hoog peil, terwijl de industriële vormgeving internationaal veel aanzien geniet.

Memphis
De designgroep Memphis, met als grote stimulator Ettore Sottsass, rekende af met het functionalisme dat men zag als de stijl van de heersende klasse. De Memphis-ontwerpen onderscheiden zich door een luchthartige speelsheid met een humoristische ondertoon.

Bron o.a. WIKIPEDIA: ITALIAANSE KUNST


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 259.