kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 21-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Jacob Cornelisz. van Oostsanen

Nederlandse schilder en houtsnijder, (ca. 1472-1477 Oostzaan - vóór 1533).

Jacob Cornelisz. wordt beschouwd als een van de grote Nederlandse meesters uit de eerste helft van de zestiende eeuw. Hij kreeg voornamelijk opdrachten voor religieuze schilderingen, maar schilderde ook wereldlijke onderwerpen. Zijn oeuvre bestaat uit schilderijen, gewelfschilderingen in Noord-Hollandse kerken, houtsneden, ontwerpen voor misgewaden en gebrandschilderde glazen.

Jacob Cornelisz. van Oostsanen werkte in de overgangstijd van de late Middeleeuwen naar de Renaissance. Volgens Van Mander is veel van zijn religieuze werk tijdens de beeldenstorm verloren gegaan.

Hij was leermeester van onder andere Dirck Jacobsz en Jan Scorel.

Biografie
Van de levensloop van Jacob Cornelisz. van Oostsanen is niet veel bekend. Volgens de kunstenaarsbiograaf Karel van Mander werd hij geboren in Oostzaan, een dorpje in het Noord-Hollandse Waterland (ten noorden van Amsterdam). Zijn geboortejaar is niet precies bekend. Omdat Jacobs zoon, de schilder Dirck Jacobsz., volgens Van Mander in 1567 stierf in de leeftijd van ongeveer zeventig jaar, wordt Jacobs geboortejaar rond 1472-77 vermoed.

Hij werd (op basis van stilistische overeenkomsten) vermoedelijk in Haarlem opgeleid, in de kring van Geertgen tot Sint Jans. Ook is het mogelijk dat zijn leertijd binnen de familie plaatsvond omdat het schilderen een echt familiebedrijf was. Behalve zijn zoons Cornelis Jacobsz. (geb.? – † 1527/33) en Dirk Jacobsz. (geb. vóór 1497- † 1567), en zijn kleinzoons Cornelis Anthonisz. (geb.? - † 1553) en Jacob Dircksz. (geb.? – † 1568), waren ook Jacobs broer Cornelis Buys I en diens zoon Cornelis Buys II schilder.

Later vestigde Jacob zich in Amsterdam; daarom wordt hij ook wel Jacob Cornelisz. van Amsterdam genoemd. Uit archiefstukken is bekend dat Jacob Cornelisz. in 1500 zijn eerste huis in de Kalverstraat in Amsterdam kocht. Twintig jaar later kocht hij het aangrenzende pand. De eerste kunstwerken dateren van 1507, toen Jacob al ruim 35 jaar oud geweest moet zijn.

Omdat Jacobs echtgenote Anna in een inventaris uit 1533 als weduwe wordt vermeld, moet de schilder in dat jaar of mogelijk al eerder zijn gestorven. De laatste vermeldingen van zijn activiteiten dateren van 1526, 1527 en 1528: hij werd toen door de abdij van Egmond betaald voor zijn werk aan een groot retabel. In 1528 ontving hij bovendien van deze abdij een tabbaard als blijk van dank. Uit deze gegevens blijkt dat Jacob Cornelisz. van Oostsanen tussen 1528 en 1532/33 moet zijn overleden.

Werken
De kern van het oeuvre van Jacob Cornelisz. omvat ongeveer 30 schilderijen en circa 200 houtsneden. Van de schilderijen zijn er slechts zes gesigneerd terwijl het overgrote deel van de houtsneden voorzien is van Jacobs initialen (I A) en zijn monogram, dat bestaat uit een V en een ondersteboven geplaatste W, vermoedelijk verwijzend naar zijn familienaam War(re).

Noli me tangere, 1507

Schilderijen
Wat Jacob Cornelisz. van Oostsanen vooral zo interessant maakt, is dat hij een soort 'scharnierfunctie' vervult tussen de middeleeuwse late gotiek en de vroege renaissance in Nederland. Jacobs vroegste schilderijen staan nog duidelijk in de laatgotische traditie, zowel in iconografie als in schildertechniek, maar in het tweede decennium van de zestiende eeuw ontwikkelt hij een meer persoonlijke beeldtaal.

Veel van zijn vroege werken kenmerken zich door een rijkdom aan details. Dit is bijvoorbeeld te zien in de Noli me tangere (Kassel, Gemäldegalerie).

Kruisberg, ca. 1480-1533, Olieverf (?) op paneel, 104 x 88 cm
Jacob Cornelisz. van Oostsanen schilderde dit drukbevolkte paneel in het begin van de 16de eeuw.
Aan een groot kruis, met het opschrift INRI, hangt de stervende Christus. Engelen vangen in kelken het bloed op, dat uit zijn wonden stroomt. Een rijk uitgedoste vrouw knielt links aan de voet van het kruis. Dit is Maria Magdalena. Haar zalfpot staat op de voorgrond. Achter Maria Magdalena staat Maria, ondersteund door Johannes. Rechts toont de heilige Veronica de zweetdoek met de afdruk van Christus' gelaat. Deze afdruk bleef op wonderbaarlijke wijze op de doek achter toen zij hem tijdens zijn gang naar Golgotha het gezicht afwiste. Deze scène is rechtsboven afgebeeld. Ook andere taferelen die voorafgingen aan de kruisiging zijn weergegeven, zoals linksboven het gebed in Gethsemane.

Gethsemane
In de nacht vóór zijn gevangenneming trok Christus zich terug in een tuin op de Olijfberg, even buiten Jeruzalem. Deze tuin wordt 'Gethsemane' genoemd. Hij nam zijn discipelen Petrus, Jakobus en Johannes mee. Deze nacht, waarin Christus zijn lijden voorzag, wordt o.a. beschreven in Mattheus 26:36-46: 'Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Gethsemane, en Hij zeide tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden.[...]Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij. En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zeide tot Petrus: Waart gijlieden zo weinig bij machte één uur met Mij te waken? Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.'

heiligen, 1517, Olieverf op paneel, 83 x 56 cm; luiken 83 x 25cm
In een paleisruïne zit Maria met de kleine Jezus op haar schoot. De drie koningen zijn uit alle werelddelen naar Bethlehem gekomen om het kind te aanbidden. Ze zijn gehuld in bont, pantervel en hermelijn, maar hebben hun kronen afgelegd uit eerbied voor Christus. De vorsten knielen en kussen hem de hand. Ze brengen geschenken mee: goud, wierook en mirre. Op de achtergrond staat Jozef, gekleed in een rode mantel. Exotische types uit het gevolg van de koningen discussiëren over de gebeurtenis.
Jacob Cornelisz. van Oostsanen schilderde dit drieluik in 1517. De opdrachtgevers waren een onbekende man en zijn vrouw. Ze zijn met hun kinderen op de zijluiken geportretteerd. De familiewapens zijn later overschilderd. Hierdoor is de identiteit van de geportretteerden niet te achterhalen.
De voorstelling loopt door op de zijluiken. Zo worden opdrachtgevers afgebeeld bij een gebeurtenis die zich lang voor hun tijd afspeelde. De patroonheiligen Hiëronymus en Catharina doen een goed woordje bij Maria voor deze onbekende familie. Ook op de achterkant van de zijluiken staan heiligen, in grisaille: Antonius Abt en Christoffel: Volgens de legenden was Christoffel een reus die pelgrims de rivier hielp oversteken. Op een dag kwam een jongetje naar hem toe met het verzoek hem over de rivier te dragen. Het kereltje werd met elke stap zwaarder, tot de drager bijna onder zijn last bezweek. De goede man wilde weten hoe zo'n licht ventje zo onhoudbaar zwaar kon zijn. Christus - want hij was het - antwoordde dat hij de last van de hele wereld op zijn schouders had genomen. De reus nam de naam Christophorus aan: Grieks voor 'hij die Christus draagt'. Dit werd verbasterd tot 'Christoffel'.
De kinderen zijn ongeveer net zo gekleed als hun ouders. De meisjes dragen witte kapjes en jurken met hele wijde mouwen. De jongens dragen lange
gewaden met dezelfde afhangende mouwen. In de 16de eeuw bestond geen aparte kinderkleding. Kinderen werden gezien als miniatuur-volwassenen.
Om de suggestie van diepte op het platte vlak te brengen, nam Jacob Cornelisz. een nieuwe techniek over van Albrecht Dürer. Deze techniek bestond uit het trekken van denkbeeldige lijnen naar een centraal punt waardoor ruimte gesuggereerd kan worden op een plat vlak. De lijnen komen samen in het hart van de rozet op de achtergrond.

In zijn latere werken worden details spaarzamer maar weloverwogen toegepast. Duidelijke voorbeelden hiervan zijn Salome met het hoofd van Johannes de Doper uit 1524 (Amsterdam, Rijksmuseum) en het zelfportret (?) uit 1533 (Amsterdam, Rijksmuseum). De meeste schilderijen uit de latere periode van Jacobs carrière zijn gesigneerd en gedateerd maar wijken qua iconografie en schildertechniek enigszins af van de oudere werken. Jacobs schildertechniek uit deze periode vertoont enkele opmerkelijke karakteristieken: hij zette zijn schilderijen bijna arcerend met verf op (met kleine streepjes, alsof hij tekende). Daarbij gebruikte hij consequent een klein en stijf penseel en dikke, stugge verf. Hij omrandde vrijwel elke contour met donkerbruine verf.

Van diverse schilderijen van Jacob Cornelisz. zijn meerdere kopieën bekend, die onder zijn toezicht moeten zijn ontstaan. Kennelijk waren zijn schilderijen populair en succesvol bij het publiek, zodat er een markt was voor minder kostbare, maar wel in zijn atelier vervaardigde versies. Jacob Cornelisz. moet een grote werkplaats met verschillende medewerkers tot zijn beschikking hebben gehad, waaronder zijn eerdergenoemde zoons en kleinzoons. Karel van Mander vermeldt dat Jan van Scorel (1495-1562) in 1512 in het atelier van Jacob Cornelisz. werkzaam was en dat hij zelfstandig opdrachten mocht uitvoeren. Van Mander noemt in dat verband een co-productie waarbij Jacob Cornelisz. de figuren had geschilderd en Jan van Scorel het landschap vervaardigd zou hebben. Van Scorel was ongeveer zeven jaar in het atelier werkzaam.

Naast schilderijen en houtsneden zijn er ook ontwerpen voor glasramen en koormantels van Jacobs hand bekend. Bovendien vervaardigde hij plafondschilderingen in de kerken van Alkmaar (ca. 1518/19), Hoorn (1522, verloren gegaan) en Warmenhuizen (ca. 1525).

Houtsneden
De houtsneden van Jacob Cornelisz. hebben, net als zijn schilderijen, voornamelijk religieuze voorstellingen. Jacob Cornelisz. maakte voor de Amsterdamse drukker Doen Pietersz. diverse series houtsneden op groot formaat, waarbij elke houtsnede uit meerdere bladen bestaat. Dergelijke grote prenten met religieuze voorstellingen, bijvoorbeeld uit het leven van Maria of het lijden van Christus, werden mogelijk als 'Andachtsbilder' gebruikt: men kon ze tijdens het gebed bekijken en de verbeelde scènes overdenken. Deze houtsneden bevatten maar weinig tekst en konden wellicht dus ook gebruikt worden door mensen die niet (of niet zo goed) konden lezen. Behalve deze omvangrijke voorstellingen maakte Jacob Cornelisz. ook kleinere houtsneden die als boekillustraties werden gebruikt.

Trivia
. Jacob Cornelisz. is de eerste Nederlandse schilder die een havengezicht maakt, als de achtergrondscène van De geboorte van Christus (Napels, Museo di Capodimonte).
. Hij is een van de eerste Nederlandse kunstenaars die, net als Albrecht Dürer, gebruik maakt van een getekend raster bij het vervaardigen van de ondertekeningen op zijn schilderijen, die dienen als leidraad tijdens het schilderen.
. Hij is waarschijnlijk de maker van de allereerste Nederlandse 'trompe l'oeil'-schildering, blijkens het geschilderde ‘opgeprikte’ papiertje waar zijn monogram en de datering op staan, in het schilderij Saul en de heks van Endor (Amsterdam, Rijksmuseum).

Johannes de Doper, 1524, Olieverf op paneel, 72 x 53,7 cm
Triomfantelijk staat Salomé onder een klassieke boog. De aantrekkelijke jonge vrouw pronkt met een gruwelijke trofee: het afgehouwen hoofd van Johannes de Doper op een offerschaal. Zij kijkt schalks opzij. Jacob Cornelisz. van Oostsanen schilderde het hoofd van Johannes de Doper in sterke verkorting, van onderaf: je kijkt recht op de afgehakte hals. Het werk is in 1524 geschilderd. Het jaartal en het monogram (IMA) - Jacob Cornelisz. van Oostsanen signeerde zijn werk meestal met de letters IMA. De I staat voor Iacob. De M (eigenlijk twee letters M dooreen) is het 'huismerk' van zijn familie. Dit teken voegden ook andere schilderende verwanten van Jacob Cornelisz. aan hun naam toe, bijvoorbeeld zijn zoon Dirck Jacobsz en zijn neef Cornelis Buys II. De A, tenslotte, is voor Amsterdam - van de schilder zijn weergegeven op de kleine banderol - een langwerpige band met een opschrift. Vooral in de Middeleeuwen werden banderols afgebeeld op schilderijen en andere kunstwerken. Op de banderol stond dan de naam van de afgebeelde persoon of een gesproken tekst - die middenboven in de lucht zweeft.
In de tijd dat Jezus een jongeman was, regeerde koning Herodes Antipas over Galilea. Johannes wekte de woede van de koning op door in het openbaar diens verloving met zijn schoonzuster Herodias te veroordelen. Johannes werd gevangen genomen, maar zijn populariteit beschermde hem enige tijd tegen de dood. Op het verjaarsfeest van Herodes voerde Salome, Herodias' dochter, een wilde, opzwepende dans uit, die de koning zo goed beviel dat hij tegen zijn stiefdochter zei: 'Je mag me vragen wat je wilt.' Zij vroeg hem - opgestookt door haar moeder - het hoofd van Johannes de Doper. Herodes moest zijn belofte aan de fatale jongedame houden en liet Johannes terechtstellen.

het laatste avondmaal, ca. 1525, Olieverf en bladgoud op glas, 42,2 x 39,2 cm; luiken 45,2 x 19 cm
In een rijk versierd vertrek zitten Christus en zijn leerlingen aan tafel. Dit is het Laatste Avondmaal dat hij met zijn discipelen zal meemaken. Christus staat op het punt het brood te breken, waarbij hij de woorden spreekt: 'Neemt, dit is mijn lichaam.' Zijn bloed wordt gesymboliseerd door de wijn die op tafel staat. Hij kondigt hiermee aan voor de mensheid te zullen sterven. Die voorstelling is op de achterkant van het glas geschilderd, een 'achterglas- schildering'. Het glazen drieluik is misschien gemaakt in het atelier van Jacob Cornelisz. van Oostsanen. Op de vleugels staan de opdrachtgevers afgebeeld.
Op de linkervleugel staat Adriana van Roon, rechts zien we Dirck Pietersz. Spangert. Zij waren de opdrachtgevers van het drieluik en zijn te identificeren door hun familiewapens. Beiden waren nauw verbonden met het klooster Leeuwenhorst bij Noordwijk. Adriana van Roon was van 1497 tot aan haar dood abdis van dit klooster en Dirck Pietersz. Spangert was kapelaan en rechtskundig adviseur. Mogelijk heeft hij het drieluik ter nagedachtenis aan de abdis laten maken.
Op de luiken zien we nog 15de-eeuwse gotische krulblad-versiering, maar op het middengedeelte is al een bekend 16de-eeuws motief te zien dat uit de klassieke oudheid stamt: de kandelaber.
Beide opdrachtgevers waren geïnteresseerd in de nieuwe vormentaal van de renaissance en hadden al eerder werken in renaissancestijl laten uitvoeren.
Het drieluikje is één van de vroegste en gaafst bewaarde voorbeelden van achterglasschilderkunst. Deze techniek werd in de 18de eeuw veel gebruikt, maar eerdere voorbeelden zijn zeldzaam. De kunstenaar beschilderde een glazen plaat met olieverf. De beschilderde kant was de achterkant van het schilderijtje. Het schilderij wordt als het ware beschermd door het glas. Deze schildering is minder kwetsbaar dan een schildering op een gewoon paneel, die aan de lucht werd blootgesteld. Het was een moeilijke techniek, want de schilder moest in omgekeerde volgorde werken: eerst de details, dan de achtergrond.

Zelfportret, 1525-33, Olieverf (?) op paneel, 38 x 30 cm
Jacob Cornelisz. van Oostsanen maakte zijn gezicht in dit zelfportret niet mooier dan het was: de grote neus, de iets wijkende kin, de bijna wimperloze ogen en de donkere baardstoppels zijn direct en onbarmhartig weergegeven. De schilder zit enigszins gedraaid, een kenmerkende houding voor een zelfportret: hij kijkt zijwaarts in de spiegel. Hij is gekleed als een welgestelde burger: een met bont afgezette tabbaard - een tabbaard is een lange mantel - over een wit linnen hemd en een donkerrood jak. Op een briefje aan de muur staat zijn monogram: de letters IMA en daar onder het jaartal 1533. Waarschijnlijk heeft hij dit scherp geobserveerde en trotse zelfportret echter al eerder geschilderd.
Jacob Cornelisz. van Oostsanen overleed in 1533. Er zijn verschillende aanwijzingen dat hij de laatste jaren voor zijn dood niet meer schilderde. De nauwgezette, gladde stijl van het zelfportret sluit ook niet aan bij het laatst bekende werk van zijn hand: 'Saul bij de Heks van Endor' uit 1526 (in het Rijksmuseum). Daarom wordt het wat eerder gedateerd, omstreeks 1525. Wellicht bleef het zelfportret in zijn atelier. Het briefje met het jaartal zou dan in 1533, na het overlijden van Jacob Cornelisz., op het paneel geschilderd zijn, mogelijk door een familielid of een leerling. Het is één van de vroegste zelfportretten in de Noord-Nederlandse schilderkunst.

Olieverf op paneel, 87,5 x 125 cm.
Koning Saul bezocht aan de vooravond van zijn strijd tegen de vijandelijke Filistijnen een heks. Hij vroeg haar de geest op te roepen van de profeet Samuel, zijn vroegere adviseur. Deze voorspelde Saul dat hij de oorlog zou verliezen en dat zijn zonen zouden sneuvelen omdat hij zich van God had afgekeerd. Deze voorspelling kwam uit. Toen Saul merkte dat de strijd verloren was, pleegde hij zelfmoord. Latijnse teksten op banderollen lichten het verhaal toe. Jacob Cornelisz. van Oostsanen maakte van dit bijbelverhaaleen complete heksenvoorstelling.
I Samuel 28:7-20
Toen zeide Saul tot zijn dienaren: Zoekt mij een vrouw die geesten van doden kan bezweren; dan wil ik naar haar toe gaan en haar raadplegen. Zijn dienaren antwoordden hem: Zie, er is een vrouw die geesten van doden kan bezweren, in Endor. Toen vermomde Saul zich, hij trok andere klederen aan en ging met twee mannen op weg. [...] Daarop vroeg de vrouw: Wie moet ik u laten opkomen? En hij antwoordde: Laat mij Samuel opkomen. [...] De vrouw antwoordde Saul: Ik zie een bovennatuurlijk wezen uit de aarde opkomen. Daarop vroeg hij haar: Hoe is zijn gestalte? Zij antwoordde: Een oud man komt op, gehuld in een mantel. Toen begreep Saul, dat het Samuel was, en hij knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer. Daarna sprak Samuel tot Saul: [...] Omdat gij naar de Here niet geluisterd hebt [...], daarom heeft de Here u op deze dag dit aangedaan. De Here zal ook Israël met u in de macht der Filistijnen geven, en morgen zult gij met uw zonen bij mij zijn. Sauls dood (I Samuel 31:2-6) De Filistijnen dan zaten Saul en zijn zonen op de hielen en zij doodden Jonathan, Abinadab en Malkisua, de zonen van Saul. [...] Daarop nam Saul het zwaard en stortte zich erin.

Jacob Cornelisz. beeldde het bijbelverhaal af in vijf episodes, bijna als een stripverhaal. Helemaal links bezoekt Saul de waarzegster. Op de voorgrond bezweert zij de geest van Samuel, die achter de ruïne uit zijn graf klimt. Achter hem strijdt het leger van Saul tegen de Filistijnen. Vlak daarvoor werpt Saul zich op zijn zwaard.
In de tijd dat Van Oostsanen dit werk schilderde vervolgde men in Noordwest-Europa vrouwen van wie gedacht werd dat ze heks waren. De eerste keer dat een heksenproces een dodelijke afloop had was in 1528, kort na het ontstaan van dit schilderij. Van Oostsanen had zijn belangstelling voor heksen gemeen met Duitse kunstenaars als Dürer, Baldung Grien, Altdorfer en Cranach van wie veel prenten over dit onderwerp in omloop waren.
Van Oostsanen nam in zijn schilderij de in zijn tijd bekende elementen van hekserij op. Zo houdt een sater een toverboek op met onleesbare tekens die toverspreuken suggereren en branden in de buurt van de waarzegster wierook en kaarsen van menselijk vet. Een monstertje linksonder houdt een spiegel vast om de schim van Samuel te kunnen onderscheiden; Samuel klimt achter de ruïne uit zijn graf. De uilen die de waarzegster vergezellen zijn in deze tijd het symbool van domheid; zo werd hekserij beoordeeld.
. Het afgebeelde boek was misschien de 'Sleutel van Salomo'. In dit boek, dat in de 16de eeuw populair was, wordt het oproepen van geesten beschreven. Deze bezigheid werd als verderfelijk beschouwd.
. Heksen waren, in de folklore, vrouwen die bovennatuurlijke krachten ontleenden aan hun omgang met de duivel. Daardoor konden ze bijvoorbeeld op een bok door de lucht vliegen, de toekomst voorspellen en ziekte veroorzaken. Een heks was ook de belichaming van alles wat mannen angst aanjoeg in een vrouw. Heksen worden vaak beschreven als vrouwen die zich naakt en onbeschaamd vertonen en zich overgeven aan wilde dansen en seksuele uitspattingen. Heksen worden vaak afgebeeld terwijl zij man-onvriendelijke handelingen verrichten. Zo is de heks van Endor worstjes - een bekend fallussymbool - aan het roosteren. Deze barbecue illustreert de angst van mannen voor onafhankelijke en seksueel machtige vrouwen.

Websites: GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Jacob_Cornelisz._van_Oostsanen


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 371.