kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Jacoba van Heemskerck

Nederlandse glasschilder, graficus, monumentaal kunstenaar (mozaïek), schilder, tekenaar van bomen, figuurvoorstellingen, havengezichten, landschappen, stillevens,

Naamsvarianten: Jacoba van Heemskerk, (jonkvrouw) Jacoba Berendina van Heemskerck van Beest,

Geboren: Den Haag 1-4-1876, Gestorven Domburg (Veere) 3-8-1923,

Dochter van jhr. Jacob Eduard van Heemskerck van Beest, kunstschilder, en Geertruida Berendina de Feyfer.

Jacoba is als jongste van zes kinderen in haar artistieke ontplooiing ongetwijfeld gestimuleerd door haar vader, een niet onverdienstelijk schilder van marinestukken. Van 1890 af had zij twee jaar les van J.H.Ph. Wortman en daarna enige jaren van de landschapsschilder W. Hamel.

Van 1897 tot 1901 doorliep zij de schilderklassen van de Haagse Academie van Beeldende Kunsten en begon daarna steeds zelfstandiger te werken. Nog wel had ze tot 1904 een dag per week onderricht van de Gooise schilder F. Hart Nibbrig. In die jaren woonde de schilderes te Hilversum. In 1904 werkte zij vervolgens gedurende een halfjaar op het atelier van Eugène Carrière in Parijs om zich daarna in Den Haag te vestigen.

Jacoba schilderde omstreeks 1905 landschappen, onder meer in luministische stijl, en stillevens; zij tekende, etste, maakte houtsneden en lithografeerde veel.

Denkelijk had zij in 1905 een eerste ontmoeting met de welgestelde kunstverzamelaarster Marie Tak van Poortvliet (1871-1936). Vanaf 1906 bracht Jacoba van Heemskerck van mei tot september de zomers door op 'Loverendale', het landgoed van Marie te Domburg. Speciaal voor haar werd een atelier in de tuin gemaakt. Marie Tak van Poortvliet zorgde voor de benodigde financiën door aankopen van werken van Jacoba via de Berlijnse galerie 'Der Strum'. In Domburg, waar Jan Toorop haar dikwijls raad gaf, had ze ook persoonlijke en artistieke contacten met o.a. Piet Mondriaan.

Jacoba volgde in 1907 ongeveer een half jaar een opleiding bij E. Carrière in Parijs.

De loopbaan van de schilderes en graficus begint pas echt rond 1908, als zij landschappen schildert in een heldere, stralende stijl. Dit gebeurde onder invloed van de schilders Jan Toorop en Piet Mondriaan, die toen evenals zij vanaf 1908 hun zomers in het Zeeuwse Domburg doorbrachten.

Vanaf 1910 deed zij aan vele exposities mee: St. Lucas en de Moderne Kunstkring in Amsterdam, de kring 'Doe stil voort" te Brussel, de Salon des Indépendants in Parijs en de Domburgse kring.

Na een korte kubistische periode (omstreeks 1910), waarin zij soms tot de futuristen werd gerekend, sloot Jacoba zich geheel aan bij de 'vergeestelijkte' (abstracte) richting in het Duitse expressionisme. Zij oriënteerde zich, evenals Marie Tak, sterk op de Duitse cultuur en sprak haar bewondering uit voor de strijd van het Duitse volk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Haar werk werd bijna geheel abstract, hoewel natuurmotieven als vissen, schelpen en landschappen zich handhaafde in contrasterende kleuren. In Duitsland werd zij binnengehaald als een van de belangrijkste kunstenaars naast haar tijdgenoten Klee, Marc en Kandinsky.

Rond 1911, de tijd waarin Über das Geistige in der Kunst (München, 1912) van de door Jacoba bewonderde Wassily Kandinsky verscheen, vond in Jacoba's intellectueel-spirituele en artistieke houding een diepgaande kentering plaats. Zij en Marie Tak voelden zich, tevoren al geïnteresseerd geraakt in de theosofie, sterk aangetrokken tot de antroposofie van Rudolf Steiner. Een andere machtige impuls kwam van de musicus, dichter en kunstcriticus Herwarth Walden, leider van de beweging 'Der Sturm" te Berlijn, die het middelpunt van de uitstraling van expressionistische kunstenaars zou worden.

De Moderne Kunstkring 1911,
De Moderne Kunstkring heeft gezorgd voor de introductie van het kubisme in Nederland. Eind 1910 werd de kunstkring opgezet door de progressieve Nederlandse kunstenaars in die tijd: Jan Toorop ( voorzitter), Conrad Kickert (secretaris), Jan Sluijters en Piet Mondriaan. Zij wilden van de Moderne Kunstkring een Amsterdamse internationale salon maken naar het voorbeeld van de Salon d'Automne in Parijs en gericht op de moderne kunst.
Van 6 oktober tot 5 november 1911 hield de Moderne Kunstkring in vier bovenzalen van het Stedelijk Museum in Amsterdam een eerste expositie van 166 werken, waarvan 93 van buitenlandse schilders. Nederland was o.a. vertegenwoordigd door Toorop, Kickert, van Rees, Mondriaan, Gestel, Sluijters, van Dongen, Schelfhout en Jacoba van Heemskerck.

In 1913 nam zij als lid van de subcommissie voor Beeldende Kunst deel aan de Tentoonstelling 'de Vrouw", 1813-1913. Afdeeling Beeldende Kunsten te Amsterdam.

Begin december 1913 bezocht Henri Le Fauconnier, die wegens de derde Moderne Kunstkringtentoonstelling naar ons land was gekomen, het Haagse atelier van Jacoba. In de zomer van 1914 bezocht Herwarth Walden en zijn vrouw van Heemskerck in Domburg. Het was het begin van een lange vriendschap.

Meer dan enig ander Nederlands kunstenaar - van wie de meesten zich tijdens de Eerste Wereldoorlog toch richtten op Parijs - bond zij zich aan Waldens 'Sturm"-beweging - 'Erste Deutsche Herbstsalon" (1913) - die vooral het expressionisme propageerde. Zij brak bewust en radicaal met andere richtingen. Aan haar 'König Walden" schreef zij dat zij voortaan uitsluitend via bemiddeling van 'Der Sturm' zou exposeren en haar werk verkopen. Zij uitte ernstige kritiek op de Hollandse schilders die naar haar mening te veel theoretiseerden; zij vond dat dit ten koste van de spontaneïteit der kunst ging. Dat bracht haar in eigen land in een geïsoleerde positie.

Uit haar zeer intensieve correspondentie met Walden - nagenoeg de enige schriftelijke bron voor onze kennis van haar denken en doen - blijken haar gedachtenontwikkeling en artistieke preoccupaties (1914-1922). De inspiratie voor haar schilderijen, houtsneden en tekeningen, die vanaf 1915 slechts worden aangeduid als Bild, Komposition, Zeichnung met een volgnummer, komt veelal van het landschap; motieven zijn bomen, zeilschepen, vissen. Zij zoekt, in extatische scheppingsdrang, voortdurend naar nieuwe expressiemiddelen.

Eind 1914 vroeg zij Walden contact te leggen met de architect Bruno Taut in verband met haar ideeën over het schilderen op glas. In 1917 werkte zij aan decors voor een poppenspel, gebaseerd op Germaanse sagen (Wodan verhaal). Hiertoe was zij kennelijk mede geïnspireerd door haar bewonderaar, de jonge arts F.W. Zeylmans van Emmichoven (1893-1961), een beschermeling tevens van Marie Tak. Zeylmans, die later geneesheer-directeur van de Rudolf Steiner-kliniek en voorzitter van de Antroposofische Vereniging in Nederland werd, schreef in deze tijd teksten over hetzelfde onderwerp. In verband met dit project zocht zij contact met de expressionistische dichter en dramaturg Lothar Schreyer. Ook werkte zij aan portretten, met name van Zeylmans, die niet meer te vinden zijn.

Jacoba zette zich weliswaar niet via publicistische arbeid in voor het expressionisme, maar wel werkte zij actief mee aan de 'Sturm Kunstschule', speciaal voor de Hollandse afdeling. Dank zij de vele tentoonstellingen die Walden in en buiten Duitsland van Jacoba's werk organiseerde en de actieve publiciteitscampagne die hij voerde (in zijn tijdschrift Der Sturm en in boeken als Einblick in Kunst: Expressionismus, Futurismus, Kubismus (Berlin, 1917 en 1924) en Expressionismus, die Kunstwende (Berlin, 1918)), kreeg haar werk bekendheid. Het vond ook, zeker in Duitsland, waardering bij kunstenaars, critici en collectioneurs. J.L.M. Lauweriks bood zijn samenwerking aan; dichters als Rudolf Blümner en Adolf Knoblauch - die zijn gedicht 'Deutsche Hafenstadt' aan Jacoba opdroeg (Kreis des Anfangs, Frühe Gedichte 1916) - bewonderden haar werk; terwijl beroemde critici als Theodor Däubler en Adolf Behne haar positief waardeerden als een eigen artistieke persoonlijkheid. In Nederland stond zij geïsoleerd, zowel door haar 'Sturm'-exclusiviteit, als door haar afwerende houding ten opzichte van haar confraters. Van vernieuwers als Theo van Doesburg moest zij - ook persoonlijk - niets hebben. Het was vooral de in Scheveningen wonende kunstcriticus F.M. Huebner die in tal van publikaties haar werk propageerde. Uit Huebners werk blijkt ook dat Jacoba in eigen land voornamelijk was vertegenwoordigd in de beroemde collectie van Marie Tak - naast die van J. Boendermaker (Moderne Kunst in den Privatsammlungen Europas I: Holland (Leipzig, 1921). Zelden waren critici zo negatief als E. Wichman in Holland. Geïllustreerd maandschrift 1914, 10 (januari) 14, of als Paul van Ostaijen in een brief aan J. Cantré (G. Borgers, Paul van Ostaijen. Een documentatie ('s-Gravenhage, 1971) I, 244). Meestal stond men - zoals bijv. Alb. Plasschaert - enigszins gereserveerd. Men vond haar werk wat gekunsteld. Uit haar eigen kring zetten Sophie van Leer - secretaresse van Herwarth Walden, vriendin van Georg Muche en dichteres - en Marie Tak van Poortvliet zich in geschriften voor Jacoba's werk in.

Naast glasmozaïeken die zij vervaardigde begon zij in 1918 cartons voor glasramen te maken. Enige ontwerpen werden uitgevoerd, vooral door de beroemde ateliers van G. Heinersdorff in Berlijn. Diverse ramen zijn nog te vinden in de gebouwen van de Marine (Kattenburg) en GGD in Amsterdam; glasramen en een decoratief tableau op een wand aangebracht in de villa Wulffraat te Wassenaar zijn - evenals in de Rudolf Steiner-kliniek gebouwd door Zeylmans' vriend J.W.E. Buijs - verloren.

De aloude techniek van het glas-in-lood of brandschilderen kreeg rond de eeuwwisseling een hernieuwde belangstelling onder de moderne kunstenaars. Jacoba van Heemskerck maakte haar eerste composities met glas-in-lood rond 1919. Ze wilde met behulp van het directe licht de kleuren nog intenser tot leven te brengen dan mogelijk is met de schilderkunst. Haar werk bestaat uit geabstraheerde natuurmotieven, die ze als uitgangspunt gebruikt voor haar composities met expresssieve lijnen en kleuren. De in zware arabesken gevatte zeegroene en rode vormen van deze glas-in-lood compositie roepen de beweeglijkheid op van het leven onder water.

Na de Eerste Wereldoorlog hernam Jacoba haar geestelijke onafhankelijkheid. Hoewel het tussen haar en Walden niet, zoals bij vele andere door 'Der Sturm' gepousseerde kunstenaars na 1918, tot een breuk kwam, is het symptomatisch dat zij de exclusiviteit opgaf en zonder medewerking van Walden ging exposeren in Nederland, en zelfs in Duitsland (Die Kornscheuer. 1920 Sonderheft). De tijd om zich aan de jaren '20 aan te passen is haar niet gegund. Maar in de laatste jaren, waarin zij ernstig ziek was, vond zij erkenning in de Verenigde Staten, doordat daar haar tekeningen van houtsneden gepubliceerd werden (The Dial 72 (1922) tussen p. 272 en p. 273).

Jacoba van Heemskerck woonde enige tijd in Berlijn, Hilversum, Den Haag en vanaf 1922 weer in Domburg. Hier werkte zij een korte tijd samen met Willem Zeylmans, die samen met haar Domburgse kinderen hun kleurgevoeligheid in verband met karakter en emotie testte. Zijn dissertatie 'De werking der kleuren op het gevoel (Utrecht, [1923]' werd postuum opgedragen aan Jacoba van Heemskerck. Zeylmans was in 1923 medeoprichter van de Antroposophische Vereeniging in Nederland. Op 3 augustus 1923 overleed Jacoba van Heemskerck in Domburg.

Relevante verwijzingen: http://www.inghist.nl/


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 21.