kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 08-05-2008 voor het laatst bewerkt.

Jacques Louis David



zelfportret 1794

Frans schilder, geboren op 30 augustus 1748 te Parijs - overleden 29 december 1825 in Brussel.

Jacques-Louis David, vaak kortweg David genoemd, lanceerde zich met zijn sobere kleuren, spaarzame lichteffecten en strakke lijnen als voortrekker van het neoclassicisme dat zich afzette tegen de frivoliteit van het rococo. David was ook politiek actief: eerst als propagandist voor de Franse Revolutie, daarna voor het regime van Napoleon.

David was dé schilder van het Franse classicisme. Zijn stijl die tot ontwikkeling kwam tijdens zijn verblijf te Rome van 1775 tot 1781 is gebaseerd op de antieke kunst en verheerlijkt tegelijkertijd zijn eigen tijd. Zijn oeuvre wordt gekenmerkt door de klassieke, standbeeldachtige figuren, de symmetrie en de evenwichtige kleuren. Hij was ook een scherp realistisch portretschilder. Zijn stijl werd voortgezet door zijn belangrijkste leerling Ingres.

Biografie
David werd geboren in een welgestel gezin en nadat bleek dat hij er op school niet veel van zou bakken, ging hij in de leer bij de schilder Boucher. David moet toen al een revolutionair karakter gehad hebben, want het leercontract werd algauw verbroken en Boucher stuurde hem door naar de schilder Joseph-Marie Vien. Van Vien nam David de voorkeur voor onderwerpen uit de Romeinse Oudheid over. Later zou hij beïnvloed worden door Watteau.

In 1766 werd hij toegelaten tot de Parijse kunstacademie, waar hij in 1774 de Prix de Rome won, waarop hij van 1775 tot 1780 en in 1784 te Rome verbleef. Tijdens zijn studie in Italië kon David zich uitleven in zijn interesses voor de antieke wereld.

Davids eerste werken, academistische, heroïsche taferelen, hadden enorm succes. Na zijn verblijf in Rome was de stijl van David veranderd. Met goed geproportioneerde modellen, strak uitgebalanceerde composities, een sterke lineariteit, een gladde manier van schilderen, sobere kleuren, spaarzame lichteffecten en strakke lijnen lanceerde Jacques-Louis David zich als voortrekker van het neoclassicisme dat zich afzette tegen de frivoliteit van het rococo. Door de spot-achtige uitlichting van de afgebeelde scènes lijkt het alsof het geheel zich soms op een toneelscène afspeelt met decors en rekwisieten. Zijn werk staat aan het begin van de academische traditie, welke in het slechtste geval leidt tot artistieke starheid die daarenboven vaak gepaard gaat met kortzichtig conservatisme. Kenmerken die in geen geval gelden voor David zelf.

De eed van de Horatiërs, 1784, olieverf op doek, 330x425, Musée du Louvre, Parijs
'Le serment des Horaces', geschilderd in opdracht van Lodewijk XVI, vormt zowel naar thema als naar de streng symmetrische en evenwichtige vorm- en kleurcompositie het eerste Franse classicistische schilderij en staat aan het begin van een traditie, o.m. voortgezet door Davids belangrijkste leerling, Ingres.
Dit werk verwijst naar de republikeinse Romeinen die hun verantwoordelijkheid opnemen en het lot van hun staat in eigen handen nemen. Met de borrelende Franse Revolutie was dat een boodschap die het volk graag hoorde.
Het stuk wijkt af van de opvattingen van de barok door zijn op een reliëf gelijkende compositie, de groepering van de figuren en de koele scherpe belichting, die een metaalachtige indruk wekt. De nadruk valt op het pathetische met een moraliserende inhoud, wat bereikt wordt door een nieuwe toepassing van de lijnen en de op beeldhouwwerk gelijkende compositie. Het zwierig schilderachtige van de barok - dat ongetwijfeld invloed heeft uitgeoefend op het Frans-classicistische karakter van Davids werk (Poussin) - maakt plaats voor een classicistische helderheid die zich spiegelt aan de kunst van de Antieken. De strenge vorm en de moraal (mannelijk-republikeinse geest uit de Oudheid) die de beschouwer moeten aanspreken, komen overeen met de verlichte ideeën van de revolutie van 1789, waarvan David de idealen was toegedaan. (KIB 19de 13; 25 eeuwen 262)

De dood van Socrates, 1787, olieverf op doek, 150x198, New York, Metropolitan Museum of Art (Wolfe Fund)
In 1787 schilderde hij "De dood van Socrates", waarbij Socrates die op het punt staat de gifbeker te drinken, omringd is door twaalf leerlingen. De vergelijking met Christus die het laatste avondmaal nam met twaalf apostelen is duidelijk. Dit schilderij bevindt zich in het Metropolitan Museum of Art te New York.
David lijkt hier meer “poussinist” dan Poussin zelf. Onze ogen glijden over de compositie als over een reliëf; de lijnen zijn parallerl met die van het doek, de figuren zijn driedimensionaal als beelden – en even roerloos. David heeft echter één verrassend element bijgevoegd: het licht. Het is fel en geconcentreerd en veroorzaakt scherpe schaduwen. Dit is duidelijk ontleend aan Caravaggio, net zoals de met krachtige penseelstreken aangebracht details (handen, voeten, meubilair, textuur van de muur en de vloer). Ze geven het doek een levendigheid die verrast bij een werk dat zo dogmatisch de nieuwe ideale stijl aankodigt. Juist door zijn strengheid wekt dit doek de indruk dat zijn schepper iemand is die zich sterk interesseerde voor de strijdvragen van zijn tijd, zowel de artistieke als de politieke. Socrates zal de gifbeker drinken, maar hij is hier niet alleen een voorbeeld van de antieke deugde, maar ook de grondlegger van de nieuwe godsdienst, die van de Rede. Hij is bijna een Christusfiguur, er er komen twaalf discipelen voor. (Janson 580-581)

In 1788 schilderde hij het "Portret van Mr. et Mme. Lavoisier", dat een ereplaats kreeg in de Salon van het Château de la Canière in Thuret, Frankrijk, waar het echtpaar toen woonde en waar Lavoisier, beroemd chemicus - de attributen op het schilderij verwijzen daarnaar -, ook zijn laboratorium had. Doordat hij verwikkeld raakte in een politiek schandaal werd het schilderij in 1789 uit de salon verwijderd en samen met de laboratorium-attributen opgeslagen in de Librairie van het château en daarna verkocht, om twee eeuwen later (in 1924) in handen van de Amerikaanse miljardair John D. Rockefeller te belanden. Uiteindelijk kwam het magistrale werk in de collectie van het New Yorkse Metropolitan Museum of Art, waar het nu nog steeds is.

In 1789 brak de Franse Revolutie uit met de 'eed op de kaatsbaan'. David was nauw betrokken bij de Franse revolutie, en hij genoot in artistieke zaken voor enkele jaren een prestige dat slechts te vergelijken is met dat van Lebrun een eeuw eerder. Van het revolutionaire regime kreeg David de opdracht deze gebeurtenis te vereeuwigen. Het doek is niet voltooid.

Op persoonlijk vlak scheidde hij van zijn vrouw omdat zij een royaliste was en op politiek vlak schopte hij het tot député onder het regime van Robespierre.

Bij het begin van de Franse Revolutie werd hij lid van de Jacobijnen en raakte bevriend met Marat. In 1792 werd hij verantwoordelijk voor alle revolutionaire campagnes.
Tijdens de Revolutie schilderde David monumentale, geïdealiseerde taferelen (vormgeving / compositie) naar belangrijke gebeurtenissen uit die tijd (een zekere graad van realisme).


De dood van Marat, 1793, olieverf op doek, 125x162, Brussel, K.M.S.K.
In 1793 kreeg hij opdracht tot drie schilderijen die martelaren van de revolutie tot onderwerp moesten hebben. 'De dood van Marat' (Marat expirant - 1793) is het enige doek dat bewaard bleef. Het is zijn bekendste werk en werd door hem als zijn meesterwerk beschouwd.
‘De dood van Marat’ is een verslag van de politieke moord op Jean-Paul Marat, een arts die tijdens de Revolutie resoluut de kant van het volk koos. De feiten zijn de volgende: 13 juli zat hij in bad te werken, Marat leed aan een huidziekte die alleen in bad enigszins draaglijk was. De moordenares, Charlotte Corday, kwam met een smoesje zijn vertrekken binnen en stak hem vervolgens neer met een keukenmes dat ze die ochtend gekocht had.
David koos ervoor niet het hoogtepunt van de feiten af te beelden maar wel het moment waarop Marat z’n laatste adem uitblaast. Daardoor is het voor een onwetende kijker niet meteen duidelijk wat er gebeurd is. Ook van de titel van het schilderij wordt men niet veel wijzer. David laat de toeschouwer twijfelen over eventuele moord of zelfmoord. Nochtans geeft David verschillende aanwijzingen: het mes op de grond; de veer in zijn hand; het kistje met schrijfgerei; de plank over het bad als schrijftafel en de papieren onder zijn linkerarm geven aan dat hij zat te schrijven. Eén van de belangrijkste sleutels naar de identificatie van de dader toe, is de brief in de hand van het slachtoffer. David heeft met zorg geprobeerd de crimescène realistisch weer te geven, dat wil zeggen met een hoog 'werkelijkheidsgehalte'. Dit 'realistische' effect wordt ondermeer opgeroepen door de precieze, gedetailleerde uitbeelding van voorwerpen. De schilder wil ons doen geloven dat niets aan zijn aandacht ontsnapt is. Uit verschillende bronnen blijkt echter dat David z’n eigen verhaal creëert. De schilder heeft het beeld gearrangeerd, in elkaar gezet, om een nieuwe werkelijkheid te maken.
Hij eerde de helden van de revolutie door hen uit te beelden als politieke martelaren. Met zijn weergave van de vermoorde Marat schiep hij een nieuwe vorm om helden voor te stellen, die door zijn vereenvoudigde compositie nieuwe maatstaven aanlegde. De revolutionair voelende schilder heeft verschillende tradities van de geestelijke en wereldlijke schilderkunst samengebracht in een nieuwe schepping met een principiële overtuigingskracht die hij in zijn latere werken niet meer heeft kunnen leggen.
Dit geweldig en wreed doek is het beste werk van David in deze periode. Onder de onmiddellijke indruk van het gebeurde, drukt de schilder zijn diepe en echte weerzin uit tegen de moord op zijn vriend. De gewaagde symmetrie van de compositie die gewoon in twee gesneden wordt, de afwezigheid van elk detail dat niet bijdraagt tot het hoofdeffect, de dominerende koude tonen, dit alles geeft aan het werk een levensecht en dramatisch gevoel. (Sneldia; KIB 19de 14)
Door zijn hevige ontroering is David erin geslaagd een meesterwerk te maken van een onderwerp dat een minder talentvolle kunstenaar in verlegenheid zou hebben gebracht, want Marat, een van de leiders van de revolutie, was in zijn bad vermoord. Een jonge vrouw, Charlotte Corday, was bij hem binnengedrongen met een verzoekschrift en stak hem dood terwijl hij het las. David heeft de scène uitgebeeld met een sobere eerlijkheid die ontzag afdwingt. Dit doek, door de staat in opdracht gegeven om een van zijn martelaren te huldigen, verenigt elementen van het sacrale en het historische. Hier kon de klassieke kunst geen inspiratie bieden, en daarom heeft David geput uit de religieuze kunst, in de traditie van Caravaggio. Het is geen toeval dat zijn Marat bij ons herinneringen opwekt aan het werk van Zurbaran. (Janson 581-582)

In 1793 tekende hij ook de rake schets van Marie Antoinette op weg naar het schavot.

Na de val van Robespierre werd een aanklacht tegen David ingediend en ontkwam hij nauwelijks aan de dood. David werd gevangen genomen, waaraan zijn Vue du jardin du Luxembourg (1794, Musée du Louvre, Parijs) herinnert.
Het was op vraag van zijn leerlingen en zijn vrouw (met wie hij hertrouwde) dat hij opnieuw vrijkwam. Uit dankbaarheid schilderde hij voor zijn vrouw zijn Tussenkomst van de Sabijnse Vrouwen, wat toen geïnterpreteerd werd als een pleidooi voor vrede na de revolutie.

Op die manier werd David in eer hersteld en werd hij opgemerkt door Napoleon die hij eind 1797 ontmoette. Van 1799 tot 1815 was hij schilder in dienst van Napoleon, van wie hij in 1804 de officiële schilder werd.

Tijdens en na zijn gevangenschap concentreerde hij zich op het portret, scherp van psychologische karakterisering, met als hoogtepunten Mme Sériziat (1795) en Mme Récamier (1800). Hij was tevens de ontwerper van de tijdens het Directoire voorgeschreven officiële kleding van de volksvertegenwoordigers.

Portret van Madame Récamier, 1800, olieverf op doek (onvoltooid), 173x243, Parijs, Louvre
De portretten van David vertonen niet de neiging tot nabootsing van de Antieken en verheerlijking van de eigentijdse geschiedenis. Zijn groot talent komt er het duidelijkst en vrij van politieke ballast in uit. Op het portret van Mme Récamier past de dun opgelegde blauwe verf zich losjes aan bij het heldere silhouet van de figuur; de kleur is ondergeschikt gemaakt aan de strenge compositie.
Mme Julie Récamier (1777-1849), echtgenote van een Parijse bankier, was in haar tijd een beroemde gefêteerde figuur; in haar salons vonden de tegenstanders van Napoleon elkaar. In 1811 werd zij uit Frankrijk verbannen. Dit portret belichaamt de Empire-stijl. Het meubelstuk waarop zij is uitgebeeld - le lit à l'Antique - is beroemd geworden. Het is vervaardigd naar een ontwerp van David en zijn leerling Moreau. Verder staan er in de kamer alleen een olielamp en een voetenbankje. (KIB 19de 17; Louvre 429)

Napoleon trekt over de grote Saint-Bernard, 1800, olie, 264x231, Wenen, Kunsthistorisches Museum
Napoleon heeft David tot hofschilder benoemd. In overeenstemming met zijn voorstellingen uit de antieke geschiedenis heeft hij de vereerde keizer bewierookt met taferelen uit de Napoleontische tijd. De kunstenaar gaat in deze werken de gevaarlijke weg op van een koele, wat bloedarme, leerstellige schilderkunst. Ook dit werk is voornamelijk een onderwijzend gedenkteken zonder de grote overtuigingskracht van de Marat. David maakte met zijn atelier vier versies van dit schilderij. Ze verschillend onderling slecht weinig in de kleur van de mantel. (KIB 19de 17; wga)

De kroning van Napoleon (Napoleon kroont zijn vrouw tot keizerin), 1806-07, olieverf op doek, 621x979, Parijs, Louvre
Hij legde het leven van Napoleon vast in majestueuze, gigantisch grote doeken, zoals det meer dan 50 m2 grote "Kroning van Napoleon en Josephine" (1805-1807) waarvan het origineel in het Louvre-museum in Parijs en een kopie in het paleis van Versailles te bezichtigen is.
Het werk toont hoe Napoleon zijn echtgenote de kroon op het hoofd zal zetten. Uit de ceremonie van de keizerskroning van 1804 koos David het moment dat de zonet zelf gekroonde Napoleon zijn vrouw Josephine kroont. De provocerende daad waarbij Napoleon zich onder de ogen van de paus zelf de kroon hop het hoofd zet, heeft hij genegeerd. Om zoveel mogelijk hoogwaardigheidsbekleders herkenbaar op te kunnen stellen vormt David duidelijke groepen, waarbij de figuren profiteren van de monumentale architectuur. Oorspronkelijk had de kunstenaar een cyclus van vier schilderijen gepland, maar alleen de uitdeling van de adelaarsvaandel” maakte hij af. Tijdens de revolutie was hij de belangrijkste schilder, onder Napoleon de belangrijkste hofschilder. (Louvre 425)

Andere bekende schilderijen zijn het zelfportret uit 1809 en het portret van generaal Gérard uit 1816.

Als historieschilder van het Napoleontische tijdvak toonde David een sterke neiging tot verheerlijking van zijn onderwerp in glorieuze portretten en schilderijen, zoals o.a. het geval is in zijn uitbeelding van de kroning van de keizer Napoleon. Gaandeweg verviel hij in een weinig artistiek systematiseren volgens antiek concept.

Tekenend voor deze Franse schilder, die zijn eigen werkwijze nooit klassiek genoeg vond, is de raad aan zijn leerlingen: 'Teken zoals ik het zeg en niet zoals ik het doe'. De grote historiestukken, die hij als hofschilder van Napoleon maakte, vond hij zelf net zo gebrekkig als wij ze tegenwoordig te knap en te koud vinden.

Na de verbanning van Napoleon in 1816, toen de Franse monarchie hersteld werd, werd David op zijn beurt verbannen naar Brussel waar hij achter het toen gloednieuwe gebouw van de Koninklijke Muntschouwburg woonde. Hij schilderde er zijn laatste grote meesterwerk "Mars, ontwapend door Venus", dat door zijn atelier werd voltooid. De kwaliteit van zijn werk verminderde zienderogen, hoewel hij een verdienstelijk portrettist zou blijven die voor vele komende schilders van groot belang zou zijn.

De contacten tussen David en zijn vroegere Belgische leerling Odevaere werden weer intensiever toen de meester zich in ballingschap in Brussel vestigde. In een brief uit 21 januari 1818 van David aan Odevaere (1778-1830) gaat hij omstandig in op Odevaeres voornemen De prins van Oranje te Waterloo (1817, Brussel, Justitiepaleis) in Londen tegen betaling tentoon te stellen, een praktijk die hij van harte toejuicht. Maar de brief is vooral van betekenis om het nooit gepubliceerde slot, waarin David getuigenis aflegt over de merkwaardige tekeningen – karakterkoppen en groepen in halffiguur – die zo kenmerkend zijn voor zijn latere, Brusselse jaren. Hij vertelt onder meer dat hij al 32 van dergelijke tekeningen voltooid heeft en dat die verdeeld zijn over acht lijsten met telkens vier tekeningen. Een daarvan werkt hij nu voor een Waal uit tot een schilderij. De afmetingen die David noemt maken duidelijk dat het daarbij moet gaan om De woede van Achilles (1819, Fort Worth, Kimbell Art Museum), geschilderd voor André Parmentier in Huizingen bij Brussel. Kennelijk reiken de ideeën voor dit schilderij dus al terug tot januari 1818. - (Brussel, waar hij in 1825 stierf en zijn lichaam op het kerkhof van Evere begraven werd. Zijn hart vond zijn laatste rustplaats op het beroemde kerkhof Père Lachaise in Parijs.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 100.

Tweets by kunstbus