kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 04 02 2017 16:44 voor het laatst bewerkt.

James Ensor

James Ensor: detail zelfportret

Belgisch schilder, tekenaar en etser, 13.04.1860 Oostende - 19.11.1949 aldaar

James Ensor is een belangrijk vertegenwoordiger van het symbolisme. James Ensor is medestichter van de avantgardistische groep “Les Vingt".

Ensor heeft een pessimistische levensvisie en vereenzelvigt zich met de lijdende Christusfiguur. Hij is een voorloper van het expressionisme, en beïnvloedt onder meer Paul Klee. Ensor creëert een fantasiewereld, en overdrijft kleuren, lijnen en vormen. Het fantastische universum van zijn schilderijen kondigt het Belgische surrealisme aan.

Maskers staan in zijn schilderijen centraal en vertegenwoordigen de donkere kant van de menselijke natuur. Zij tonen het ware karakter van de mensen die ze dragen, en kunnen de wrede en “lelijke” mensen onthullen.

Biografie
James Sidney Edouard Ensor is op 13 april 1860 te Oostende geboren als oudste - één jaar later komt zus Mietche, die later een favoriet model zou worden, ter wereld.

Zijn vader James Frederic Ensor was de zoon van Britse ouders zijn Vlaamse moeder Marie Louise Catharine Haegheman baatte een winkel uit met souvenirs, chinoiserie en maskers. Zijn ouders waren getrouwd, op 4 mei 1859, toen zijn vader, een ingenieur van Bruggen en Wegen, 23 was.

Als kleine jongen zou Ensor contact gehad hebben met een madame die vlakbij een huis van lichte zeden had. Aldaar zou James een verkleedkoffer ontdekt hebben met vreemde gewaden en maskers. Ensor heeft die beelden meegedragen en ze zijn pas later opgedoken in zijn werk. De realiteit is dat hij opgroeide in een milieu van prulariaverkopers. Hij woonde zijn leven lang boven een winkel met schelpen, gedroogde zeemonsters, fopartikelen en maskers. Die wonderlijke wereld was zijn voordeur.

Zijn vader vertrok, kort na de geboorte van de kleine James, naar de Verenigde Staten, om er fortuin te maken als ingenieur. Het werd een mislukking en berooid keerde hij terug. Ensor zegt van zijn vader, dat het een gecultiveerd man was, die meerdere talen sprak, een werkelijk superieur man. Hij kon echter de mislukking niet verwerken en, onder de knoet van een nuchter autoritaire Oostendse handelsvrouw, van wie hij trouwens financieel afhankelijk was, begon de brave man te drinken en werd hij de schande van het gezin, in dat burgerlijke milieu. Hij werd een uitgelachen Oostendse dronkelap en kwam eens thuis, half kaal geschoren met nog een halve snor. Hij stierf toen Ensor 27 was en op het toppunt van zijn creatieve periode. Frank Edebau, destijds museumconservator te Oostende, heeft gewezen op de belangrijke on-sociale invloed van de vader, bij de opvoeding van de jonge James (intellectualistisch a-sociaal).

In 1873 loopt de jonge Ensor school op het Oostendse O.L.V. College. Hij blijkt algauw een tuchteloos leerling, maar hij toont een grote voorliefde voor tekenen. Hij toont zijn eerste tekeningen en schilderwerkjes, als hij amper 14 is, aan de toen bekende meester Louis Dubois, die hem aanmoedigt. Hij krijgt les van twee Oostendse niet onverdienstelijke kunstschilders: Michel Van Cuyck, erkend met officiële opdrachten, enEdouard Dubar, aquarellist met landschappen en stadzichten. Ensor zal ze als minderwaardig ridiculiseren, als hij 74 is.

James Ensor is 17 jaar oud als hij zich 8 oktober 1877 laat inschrijven aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Brussel. Het zal de enige keer zijn, dat Ensor Oostende verlaat voor een langere tijd (3 jaar). Hij huurt een kleine kamer in de nabijheid van de Grote Markt. Hij volgt er de cursussen van Joseph Stallaert, Alexandre Robert en Joseph Van Severdonck. Jean François Portaels was er toen de directeur. Zijn leraren geven hem de cursussen schilderen en tekenen naar het klassieke model.

Hij raakt er bevriend met Willy Finch, de latere divisionist die in Finland naam zal maken, met Ferdinand Khnopff, Carel Storm van 's-Gravensande en de schilder-dichter Theo Hannon die hem introduceert in het avant-garde milieu van diens zwager Ernest Rousseau, waardoor hij contacten met Guillaume Vogels, Constantin Meunier, Dario de Regoyos en anderen krijgt.

Theo Hannon, oorspronkelijk schilder later kunstcriticus en 10 jaar ouder dan Ensor, bezorgt hem een nieuwe vriendenfamilie, de Brusselse Rousseaux. Hannon's zuster, Mariëtte, is getrouwd met Ernest Rousseau, die rector zal worden van de U.L.B. Ensor gaat bij deze familie wonen, als hij 19 wordt. Het milieu Rousseau, dat behoort tot de intellectuele avant-garde, oefent een sterk positieve invloed uit op de nog jonge, zoekende kunstenaar. Er is zelfs sprake van een meer dan gewone verering voor de lieftallige Mariëtte.

Als Ensor 20 jaar is verlaat hij de academie en meteen Brussel. Het is niet zo schitterend geweest. Hij krijgt maar een 7de prijs voor het tekenen naar het klassieke model en maar een 10de prijs voor het schilderen naar de natuur. Hij keert naar Oostende terug, bij zijn familie op de hoek van de Vlaanderenstraat en de Van Iseghemlaan. Op de zolder richt hij er zijn eerste atelier in. In datzelfde jaar nog schildert hij zijn overbekende 'Lampist' in overwegend donkere kleuren.

Van zijn jeugdwerk (1876-78) zijn enkele zeestukken bekend. Vanaf 1878 komt belangrijker werk tot stand. Het behoort tot zijn donkere impressionistische periode. De gelen, roden en blanken, overschaduwd door koel zwart, grijs, blauw en groen, zijn meestal heel dik opgelegd met het paletmes. Hij schilderde toen vnl. portretten en interieurs. Uit die periode dateren onder meer de Dame met parasol, Namiddag te Oostende en De Oestereetster (Museum Antwerpen).

Zelfportret, 1879,
Stilleven met eend, 1880, Doornik, K.M.S.K.

De Russische muziek, 1881, olieverf op doek, 133x110, Brussel, K.M.S.K.
Dit werk behoort tot de periode van de bourgeoisinterieurs, die opvallen door de overgang van schaduw naar licht. Deze zgn. “sombere” periode valt op door het gebruik van een rijke zalfachtige verfmassa die dikwijls met het paletmes is opgebracht. De personages en het decor zijn omgeven door een vibratie die er de kleuren van ontbindt. Het tapijt is in korte toetsen geschilderd.
We zien een vrouw in rugzicht piano spelen terwijl Willy Finch, schilder en vriend van Ensor in een zetel zit en aandachtig luistert. Over de identiteit van de pianiste bestaan verschillende hypothesen. Volgens sommigen is het Mitch, Ensors zus, die een getalenteerde pianiste was en op wie Finch heimelijk verliefd was. Anderen herkennen er Anna Boch in, ook een schitterende muzikante, die het werk in 1886 kocht. Het salon van Ensors ouders is het decor van het gebeuren. De decoratie van het interieur herinneren aan hun curiositeiten- en chinoiseriewinkel.
Alles wat met muziek te maken heeft trekt hier de aandacht: de piano, de partituur, de pianiste en de luisteraar. De schoorsteen, de tafel, het schilderij en de stoel zijn slechts decoratieve elementen in de rand. Ensor speelde zelf piano en schreef muziek in zijn vrije tijd. Wat hij hier heeft willen doen is niet de muziek symboliseren, maar haar tastbaar maken in een verhalende beweging.

De Oestereetster, 1882 (detail)
olieverf op doek, 207x150cm
KMSK, Antwerpen

Zeldzame Maskers, 1882, Olieverf op doek
Musea Brussel

De jonge Ensor toonde zich voor het eerst op de expositie van het Salon van de Chrysalide, te Brussel in 1881. Hij stelde er 3 doeken ten toon:'De coloriste', 'Het burgersalon' en 'Stilleven'. Het werk 'Russische muziek' bezorgde hij bij de Exposition Générale des Beaux-Arts.
Over zijn toenmalige belevenissen zegt Ensor: 'In 1881, al sinds mijn eerste Salon van de Chrysalide en vol vredelievende intenties, overrompel ik alle gangbare schildersfatsoen. Ik krijg een regen van kritiek over me heen: sindsdien laat ik mijn paraplu niet meer los: ze vervloeken en beschuldigen me, ik ben gek, slecht, boosaardig, onbekwaam, onwetend, een eenvoudige 'Kool' wordt een verdorvenheid, mijn 'Interieurs' zijn platvloers, mijn 'Burgerlijke Salons' zijn foyers van revolutionairen. Een helse strijd is losgebarsten ...'.

Het jaar daarop, in 1882, wordt Ensor lid van de Brusselse groep L'Essor en exposeert hij op hun 6de Salon 7 werken. Hij hangt er samen met Franz Charlet, Willy Finch, Dario De Regoyos en Theo Van Rysselberghe, die zich allen tot de avant-garde rekenen. Tot zijn ontgoocheling wordt 'De Oestereetster' geweigerd voor het Salon van Schone Kunsten te Antwerpen. Dit werk zal later echter ervaren worden als een van zijn meesterwerken. Hoewel de Antwerpse kritiek scherp overkomt, worden twee andere werken van hem 'Chez Miss' en 'Seule' aanvaard op het Salon van Parijs. Ook de schitterende 'Rog' wordt in dat jaar gecreëerd.

Omstreeks 1882 doen de maskers, de geraamten en de meer fantastische figuren hun intrede. De inhoud is meer karikaturaal dan magisch. De superieure ironie van de kunstenaar, bekommerd om de artistieke vormgeving, wordt duidelijker. In dame in nood (1882) en geërgerde maskers (1883) is de afstand van de schilder tegenover de levenskomedie voelbaar.

De kunstenaar is omkleurd met anecdotes. Hij groeide op boven de winkel van zijn moeder die in maskers, rariteiten en souvenirs handelde. Ensor heeft die beelden meegedragen en ze zijn pas later opgedoken in zijn werk. Het is opvallend dat met het verschijnen van de gemaskerde personages, die hij misschien oorspronkelijk bij gebrek aan model construeerde, ook Ensor zijn schildertechniek veranderde. Hij had een soort half impressionistische stijl ontwikkeld, maar met het verschijnen van die onheilspellende theatrale personages, wordt zijn techniek grimmiger en directer. Het is meer werken dan schilderen en toch is dan pas te zien hoe virtuoos zijn verftechniek wel is. De schilderijen choqueerden de bourgeois satisfait. De elitaire kring die toen de vernissages afschuimde vond Ensor zijn werk gewoon lelijk. Ze zegden het en ze schreven het en Ensor schreef terug. Zijn toespraken zijn legendarisch. Precies die heftige pleidooien maken van hem één van de pioniers van de moderne kunst; hij wilde er niet bij horen, hij wilde erkenning.

Het merkwaardige jaar 1883 is betekenisvol voor de avant-gardisten, naar de moderne Belgische schilderkunst toe. Ensor exposeert op het Salon van L'Essor zijn 'Après-midi à Ostende' terwijl zijn andere ingezonden werken er afgewezen worden. Op de tentoonstelling van de Cercle Artistique et Littéraire, ook te Brussel, worden twee van zijn werken geweigerd, waaronder weer 'De oestereetster'. Er ontstaat heibel onder de jonge bende, waartoe ook Willy Schlobach, Guillaume Van Strijdonck, de Hollandse Jan Toorop en de wat oudere Guillaume Vogels horen.

in 1883 reist Ensor naar Nederland met Guillaume Vogels en Hubert Bellis.

Dronkaards, 1883, verzameling van het Gemeentekrediet
Geschandaliseerde maskers, 1883, olieverf op doek, 135x112, Brussel, K.M.S.K.

Zelfportret met bloemenhoed, 1883, olieverf op doek, 77x62, Oostende, P.M.M.K.
Hij vereenzelvigt zich met Rubens, die dikwijls een identieke houding aannam op zijn zelfportretten. Toch is het hier satirisch bedoeld: de pluim van Rubens wordt vervangen door bloemen. Hij voelt zich als een "Rubens", maar door niemand begrepen. (Elviera 11)

De Brusselse jurist Octave Maus ontpopt zich als geestdriftig organisator, mecenas, spreekbuis en bezieler van een revolterende nieuwe kunstenaarsgroep. Les XX worden geboren en ze zullen uitgroeien tot de merkwaardigste groep vernieuwers in de Belgische kunstwereld. Met zijn eigen tijdschrift 'L'Art Moderne' bracht Maus de visie van 20 individualisten naar buiten: 17 schilders en 3 beeldhouwers.

In maart 1884 deelt Ensor de schermen met zijn vriend Guillaume Vogels en met Charles Storm van sGravesande, op de expo van de Cercle Artistique te Brussel. Lucien Solvay bezorgt hem een lovende pers, in 'La Gazette', omtrent het uitzonderlijke lichtspel in zijn werk. Alexandre Francia, een Frans-Belgisch marineschilder, gaat echter luidruchtig te keer tegen 'De Kool', een doek uit 1880, dat hij als 'wangedrocht' wil laten afhaken. In datzelfde jaar ondergaat Ensor echter een nog scherpere vernedering. Zijn totale inzending voor het Salon van Brussel wordt geweigerd. Daarin zaten oa. 'Namiddag te Oostende' (1881) en 'Stilleven met oesters' (1882), twee werken die vandaag tot zijn meesterstukken gerekend worden. Dit laatste zal trouwens aangekocht worden door het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, 20 jaar later op het Triennale Salon van 1904.

in 1884 reist Ensor met Jan Toorop naar Parijs.

Meisje met popje, 1884, olieverf op doek, 149x91, Keulen, Wallraf-Richartz-Museum, Öffentliche Sammlung,

James Ensor krijgt darmklachten en dat wordt de eerste chronische bezorgdheid omheen zijn gezondheid. In 1885 reisde hij naar Engeland, waar hij de lichteffecten in het werk van de beroemde kunstschilder William Turner bestudeerde. Als gevolg hiervan begon Ensor op impressionistische wijze te schilderen. Deze techniek gebruikte hij ook voor zijn belangrijkste schilderij 'De Intrede van Christus te Brussel', dat in deze tijd ontstond. Zijn eerste tekeningen van de reeks 'Aureolen van Christus' of 'De gevoeligheden van het Licht' zien het licht.

Tot 1886 schilderde Ensor voornamelijk portretten en interieurs in een donker coloriet, waarin de objecten dikwijls slechts zwak belicht zijn; in dat jaar vond de vrij abrupte overgang plaats naar een schilderwijze met een krachtig en helder coloriet, met soms prachtige zachte tinten en een meer impressionistische techniek.

Hij maakt zijn eerste etsen, oa. 'De kathedraal', waarmee Ensor even beroemd zal worden. Met 'Christus bedaart de storm' schiet hij roos in het modernisme. André Masson: '...Bruusk kwam ik tot de vaststelling dat de moderne kunst even interessant kon zijn als de klassieke kunst. Het werk van James Ensor: 'Christus bedaart de storm' was werkelijk een kosmische revelatie, een soort geïriseerde wervelstorm, een beetje zoals enkele werken van Turner...'. Een reden voor zijn etsen kan zijn, dat Ensor, doordat hij zijn schilderijen niet verkocht krijgt, met de goedkopere ets inkomsten denkt te verwerven, maar wellicht ook omdat de techniek hem ligt. Naast op directe observatie gebaseerde etsen van landschappen, haven- en stadsgezichten ontstaan ook etsen, die een ongewone, karikaturale, humoristische, visionaire of surrealistische wereld oproepen. Om de verkoopbaarheid te vergroten kleurt hij zijn etsen soms in. Ensor heeft zich bij zijn etsen laten inspireren door kunstenaars zoals Michelangelo en Louis Gallait en door etsen van Rembrandt, Jacques Callot, Gustave Doré, Honoré Daumier, William Turner en James Whistler, maar ook door tijdschriften en foto's, waarvan hij details of elementen op een eigen wijze heeft verwerkt. De thematiek van zijn etsen heeft hij later in tekeningen en schilderijen herhaald, maar dan is hij over zijn creatieve scheppingsperiode heen.

Als graficus leverde Ensor zijn belangrijkste werken tussen 1886 en 1899. Meer dan 100 van de 130 bekende etsen zijn toen ontstaan. Het impressionistisch lichtprobleem treedt hier duidelijk op de voorgrond. Zijn werk van na 1900 bevatte over het algemeen weinig nieuws meer.

Fantastische muzikanten, 1888, ets, 18x23, privé-verzameling
Vanaf 1886 legt Ensor zich toe op het etsen, omdat hij meent dat prenten beter de tijd trotseren dan tekeningen en schilderijen. Als etser maakt hij in de omgeving van Oostende gevoelige natuurstudies. Terzelfdertijd laat hij zich van zijn kwaadaardige kant zien in enkele zuiver satirische prenten, die direct aansluiten bij de tekeningen en schilderijen uit deze periode. In dergelijke werken overheerst de grillige en deformerende lijnarabesk waarin gevoelens en opwellingen direct worden neergeschreven. (exp 32)

1888, De intocht van Christus in Brussel
Olieverf op doek, 252,5 x 430,5

De intrede van Christus te Brussel in 1888, olieverf op doek, 258x431, U.S.A.
In dit groot schilderij toont Ensor ons hoe zijn tijdgenoten zouden reageren moest Christus weer verschijnen. Hij maakt een karikatuur van deze ontelbare menigte, die Christus onthaalt o.l.v. Sinterklaas en met de kreet: Vive Jésus, Roi de Bruxelles, vermengd met de klanken van de fanfares doctrinaires en onder spandoeken met vive la sociale. Hij hekelt de schijnheiligheid en de dubbelhartigheid van zijn tijdgenoten met hun gelaat te vervangen door een masker, de echte spiegel van hun ziel en de weerglans van hebzucht, dwaasheid, grofheid, gierigheid en van heel de reeks menselijke zwakheden. Maar hij doet het met een ongeëvenaarde virtuositeit van picturale en coloristische kennis. De hansworsterijen en de laagheden van de wellustige potsierlijke poesjenellen en marionetten hopen zich op. Overal is het dezelfde bittere ironie, voorgesteld in een uitzonderlijke weelde van schitterende en fijne kleur. (Sneldia)
Een onafzienbare mensenmassa baant zich een weg door de straat. Achter de grote, grijnzende tronies verliest de menigte zich in figuurtjes met gezichten als speldenkopjes. Christus op zijn ezel, die de gelaatstrekken van de kunstenaar heeft, is in het midden van het schilderij nauwelijks te onderscheiden. De aanstormende menigte draagt vaandels met zich mee. Op een spandoek valt te lezen: 'vive la sociale' (leve het socialisme); een ander vaandel verkondigt: 'vive Jésus, roi de Bruxelles'. De joelende menigte maakt het verhaal van de intocht van Christus in Jeruzalem actueel. Brussel werd de plaats van handeling omdat Ensor in die stad volledig werd miskend. Hij geeft door middel van dit schilderij vorm aan zijn angst voor de massa, voor de hele wereld, waaraan hij zich uitgeleverd voelt. Het individu dreigt opgeofferd te worden aan en op te gaan in de massa. (Leinz 13)
Omdat dit schilderij zo ironisch en scherp overkwam bleef het in Ensors woning in Oostende tot in 1929. Het werd tijdens zijn leven slechts twee keer tentoongesteld. (Elviera 12)
Misschien inspireerde Ensor zich op een tekst van Baudelaire die schreef dat de “kunstenaar op zichzelf betrouwt. Hij zijn eigen koning, zijn eigen priester, zijn eigen God.” De scène lijkt zowel kritiek op het kapitalisme, de Belgische staat en de Katholieke kerk.

In 1888 wanneer hij 28 is, begint Ensor aan zijn 'Intrede van Christus in Brussel', het meest spectaculaire werk van de jonge meester, dat nadien ook zijn roem zal uitdragen over de wereld. Het macabere is in zijn werk steeds aanwezig: irrealiteiten, een ongebreidelde fantasie met bizarre gestalten. In deze sfeer stelt Ensor de mens voor in zijn tragisch conflict met de chaotische wereld. In zijn grootste werk, De intocht van Christus in Brussel (1888, Kon. Mus. voor Schone Kunsten, Antwerpen), met zijn ontelbare tronies, heeft hij heel de samenleving van zijn tijd aan de kaak gesteld. Het werk zal een jaar later echter niet af zijn, om op het Salon des XX geexposeerd te worden.

In veel van zijn werk vinden we het sarcasme tegenover de bourgeoisie terug. Een groot deel van zijn werk werd door het Oostendse carnaval geïnspireerd; zo ontstonden de Pierrots, de Colombines, de bontgeklede acteurs, die zich soms in schemerachtige bosjes en liefdestuinen bewegen. De zee is een hoofdbestanddeel van Ensors kunst. Zij is overal aanwezig in zijn marines, zijn duin- en strandgezichten, maar ook in zijn visionaire stukken.

1888 - James Ensor zelf is nooit getrouwd geweest. Wel had hij een uitverkoren vriendin Augusta Bogaerts, de Sirène, die hij trouwens schilderde in het bekende dubbelportret van 1905, toen ze 35 was. Ze was 10 jaar jonger dan hij. Hij ontmoette haar voor het eerst toen hij 28 was. Zij blijft een vriendin en zijn vertrouwelinge tot aan zijn dood. Men heeft zich 'psychologisch' nogal opgehouden omheen het 'complexe' gedrag van Ensor tegenover de dames.
James Ensor: '...Misleidend geslacht, zonder geloof noch wetten, draaikolk van hypocrisie, beschermengel van ondeugd, klauwdier met zuignappen, met verscheurende hoektanden, zwaan met wildzang, weerhaan die met kwade winden meedraait, steeds gemaskerd en met een eindeloze glimlach...'.

Aan de rand van het woud, 1888-90, olieverf op hout, 20x25, Privé-verzameling
In de periode 1887-90 schildert Ensor enkele visionaire 'landschappen', zoals De val van de opstandige engelen (Antwerpen), De verzoeking van Antonius (New York) en Het Domein van Arnheim (privé-bezit). De kleine studie van een bosrand is mogelijk een première idée voor Het Domein van Arnheim. Beide werken tonen een weelderig woud, aan de rand van een vijver, waarin de gloed van een zonsondergang doordringt. De studie illustreert de extreem vrije factuur waarmee Ensor een natuurlijk effect vastlegt. De impressionistische toets, die hier duidelijk voorbij de natuurvoorstelling gaat, krijgt een eigen expressiviteit. In dit opzicht is deze studie vergelijkbaar met de vroege landschappen van Kandinsky of Nolde. (exp 32)

Oude vrouw met maskers, 1889, olieverf op doek, 54x48, Gent, M.S.K.
Zowel door zijn thematiek als door zijn revolutionaire stijl bekleedt Ensor een uitzonderingspositie in de ontwikkeling van de Belgische kunst. Van zijn studietijd tot rond 1887 beoefent hij diverse genres, zoals het landschap, het portret, het stilleven en het interieur. In elk van die genres evolueert hij van een donkertonig impressionisme tot een zeer persoonlijke stijl die de expressieve mogelijkheden in elk domein tot het uiterste uitput. Omstreeks 1887 kiest hij dan radicaal voor een visionaire en fantastische kunst waarin hij alle normen doorbreekt: de marines en landschappen worden visioenen, de figuurstukken worden kleurrijke tonelen bevolkt met fantasiewezens, gemaskerde figuren en skeletten. Even ongeremd als de verbeeldingskracht is in deze werken de plastische uitwerking, waarmee Ensor direct op het fauvisme en expressionisme vooruitloopt. Weinig bekommerd om de compositiestructuur, stapelt Ensor in Oude vrouw met maskers grillige vormen en fel contrasterende kleuren op elkaar. Het werk zou oorspronkelijk een geweigerd portret zijn waar Ensor achteraf zijn verbeelding op botvierde. Hij noemde het ook Theater van maskers en bouquet d'artifice. Naast de ongenadige maskertonelen zoals De intrede van Christus te Brussel (Malibu, Paul Getty Museum) of De intrige (Antwerpen), vertoont dit portret een zeldzaam evenwicht van tederheid en sarcasme. Het is niet duidelijk of de oude dame door de opdringerige maskers belaagd wordt of zelf reeds deel uitmaakt van het maskertoneel. (exp 32)

Skeletten willen zich warmen, 1889, olieverf op doek, 75x60, Fort Worth (Texas), Kimbell Art Museum
Een klein doek met schitterende kleur, vooral het poëtische blauw. De gruwel van de doodsgedachte, door de skeletten gesuggereerd, wordt getemperd door de poëzie van de kleur. Vier skeletten en vier doodshoofden, al dan niet gekleed, bevolken een kale ruimte, waarin het enige meubel de roodgloeiende kachel is. De klep van de kachel staat open. Naast de kachel bevindt zich een gedoofde petroleumlamp, neergezet of meegebracht door het skelet. Naast de lamp ligt een pook. Op de vierkante blok waarop de kachel steunt is een tekst geschilderd. Tegen de wand rechts ligt een platte doos, waartegen een skelet, gekleed en met schoenen aan, rust. Een ander skelet, met een rood onderkleed, bevindt zich rechts van de kachel. Hij draagt een blauw gestreept jasje en een buishoed. Naast dit blauwe skelet staat een viool terwijl ernaast een schilderspalet op de grond ligt. De twee skeletten rond de kachel zijn groter dan het liggende skelet. Een vierde skelet, in het roze gekleed en met een menselijk been komt de kamer binnen langs een gang. Links tegen de rand steekt een geraamte met een zwarte kraag zijn kop binnen. In de rechteronderhoek bevinden zich nog twee doodshoofden; in de linkeronderhoek ligt een laatste, waarnaast Ensor zijn handtekening en de datum plaatste.
Willen de geraamten een gesprek voeren? Willen ze zich warmen? Wijst de uitgestoken hand daarop? Komt het derde skelet binnen om zich te warmen of enkel om een gesprek te voeren? Kunnen skeletten zich eigenlijk wel warmen? Wat bedoelt Ensor daarmee? Is het luguber, sarcastisch of…? Is het geheel niet absurd? Zijn de skeletten mensen die warmte zoeken? De tekst op de kachel luidt: Pas de feu. Wil Ensor aantonen dat skeletten, evenals mensen, zich niet werkelijk kunnen warmen of warmte geven aan elkaar? Wijzen de viool en het palet op een gebrek aan waardering voor schilderkunst en muziek door een bepaalde klasse?
Het is een absurde, zielige metafoor. Fantastische parodie op de ijdelheid van het kunstbedrijf waartoe Ensor zelf behoort. Een kunstenaar op zoek naar begrip en morele warmte. (Baert 55)

in 1889 reist Ensor naar Parijs.

1890, De intrige, olie op doek, 90x150, Antwerpen, K.M.S.K.
Het lijkt een grotesk carnavalschilderij, maar wanneer wij de maskers aandachtig bezien wordt ons duidelijk dat dit de werkelijke gezichten van de feestvierenden zijn en dat ze hier de liederlijkheid tonen die ze in het alledaagse leven verbergen. De door demonen beheerste wereld van Bosch en Schongauer is in een moderne versie teruggekeerd.

Het conservatorium, 1890,

De intrige, 1890, olieverf op doek, 90x150, Antwerpen, K.M.S.K.
Het lijkt een grotesk carnavalschilderij, maar wanneer wij de maskers aandachtig bezien wordt ons duidelijk dat dit de werkelijke gezichten van de feestvierenden zijn en dat ze hier de liederlijkheid tonen die ze in het alledaagse leven verbergen. De door demonen beheerste wereld van Bosch en Schongauer is in een moderne versie teruggekeerd. Iets van dit macabere vinden wij ook op de vroege doeken van Edvard Munch. (Janson 627)

De slag der gulden sporen, 1891, Potlood, Conté-potlood, bruine en zwarte Oost-Indische inkt, pen, rood en blauw krijt, geel kleurpotlood, rode dekverf en goudverf op geprepareerd houten paneel, 38 x 46, Brussel, K.M.S.K.

De goede rechters, 1891,

Man van smarten, 1891, Antwerpen, K.M.S.K.

Maskers, twistend om een gehangene, 1891, doek, 59x74, Antwerpen, K.M.S.K.
In zijn beginperiode is het masker een eerder decoratief gegeven, maar later staan ze symbool voor de gedehumaniseerde mens. De mens wordt herleid tot een masker, een ledenpop Dit schilderij is één en al theater. Hier verwijst hij naar zijn belangstelling voor de Commedia dell’arte. De twee hoofdfiguren dragen een doodshoofd, een veelvoorkomend thema in zijn oeuvre. De gehangene zelf is een spotelement geworden. Door ironie banaliseert hij de dood. (Elviera 12)

1891 Skeletten twisten om een gerookte haring (Squelettes se disputant un hareng-saur), 1891, olieverf op hout, 16x22, Brussel, K.M.S.K.

Een aantal etsen exposeert hij, in 1891, in de Galerie Dietrich. 'De Kathedraal' komt op de voorpagina van het tijdschrift 'La Jeune Belgique'. Tot 1904 zal hij 133 etsen maken, op koper, op zink, tot steendruk en aquatint.

1892 - Zijn zus Mietje trouwde, toen hij 32 was, met een Chinees handelaar, die geboren was in Engeland en gedomicilieerd eerst in Berlijn, daarna in Dresden. Het werd niet een geslaagd huwelijk. Ze verliet hem na enkele maanden, maar hield een kind van hem, een meisje dat het lieve zorgennichtje Alex werd en dat Ensor 'La Chinoise' noemde. Het zou later trouwen op haar vijftiende.

De rog, 1892, olieverf op doek, 80x100, Brussel, K.M.S.K.

De zonderlinge maskers (les masques singuliers), 1892, olieverf op doek, 100x80, Brussel, K.M.S.K.
Ensors kunst heeft in de periode dat hij dit werk maakte een hoogtepunt bereikt. Hij vertolkt zijn teugelloze verbeelding in een geheel eigen heldere, duizelingwekkende stijl. De tekening is volledig ondergeschikt aan de picturale textuur.
In dit werk zien we een soort toneeldecor, bevolkt met personages die op voddenpoppen gelijken. Maar wie voorbij de schijn kijkt, ontdekt een innerlijke visie op de wereld. Beeldt de droevige, eenzame Pierrot die een kaars in zijn hand houdt niet de kunstenaar zelf uit die de wereld wou verlichten? Het carnavalsmasker is hier Ensors inspiratiebron. Het is voor hem echter meer dan carnavalsvermaak alleen. Het verbergt, het is ontwijkend, het zet je op het verkeerde been en, het allerbelangrijkste, het laat toe om allerlei vrijheden te nemen. In Ensors werk vertolkt het een persoonlijk drama. Dat van een man die veracht en gehoond wordt door zijn gelijken, 'gekweld' door hen die hij zijn duivels noemt. Daarmee bedoelt hij de vrouwen die hem omringen, de critici die hem aanvallen, zijn tijdgenoten die hem niet op zijn juiste waarde schatten. De keuze voor het masker kan ook verklaard worden door de fin-de-sièclesmaak voor het dubbelzinnige, het bizarre, het schrikwekkende en het perverse (naar Gisèle Ollinger, in 'Museum voor Oude Kunst. Een keuze'). (http://www.opac-fabritius.be/nl/F_database.htm)

Het blijft rommelen omheen Ensor en binnen de XX. Ensor wordt niet alleen afgekeurd, miskend, bekritiseerd door 'conservatief hypocriete bourgeois', maar ook, en vaak even luidruchtig, door 'progressisten' van de XX. Octave Maus ontbindt de groep in de lente van 1893 en kondigt op 29 october van datzelfde jaar de vorming aan van de nieuwe 'La Libre Esthétique', nu echter met een andere statutaire visie en waarbij Ensor zichzelf geïsoleerd ziet. Ontmoedigd gaat hij zelfs zijn atelier te koop stellen, voor 8.500 frank, maar er daagt geen koper op.

In 1894 wordt hij uitgenodigd tot de eerste expositie van 'La Libre Esthétique' en zelf richt hij in zijn stad de 'Cercle des Beaux Arts d'Ostende' op. In december van dat jaar en aangezet door Eugène Demolder, organiseert hij zijn eerste eigen tentoonstelling te Brussel. Dit initiatief wekt de belangstelling van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en 'De Lampenist', het schitterende werk uit 1880, wordt in maart van het jaar daarop aangekocht voor 2.500 frank. Ensor reist met zijn eerste biograaf kunstcriticus Eugène Demolder naar Zeeland.

Stilleven met vis en schelpen, 1895,
Het geraamte van de schilder in zijn atelier, 1896 (?),

In 1898 organiseert het blad 'La Plume' een expositie met werk van Ensor, op het 'Salon des Cent' te Parijs. Het wordt echter niet het verwachte succes bij de Parijzenaars. Het jaar daarop publiceert datzelfde blad een speciale uitgave met meer dan 110 reproducties. De schilder steigert nog eens over het onbegrip omheen zijn werk.
James Ensor: ' ... De oude realisten bespuwen alles. Ik heb me verbannen naar het eenzame Land van de Spot, waar het masker van geweld, van licht en schittering heerst ... . Het masker spreekt in frisse tonen, vol schrille expressie, een weelderig decor, grootse onverwachte gebaren, ongecontroleerde bewegingen, verrukkelijke uitbundigheid ...'.

Zijn kleurgevoel bracht hem tot het stilleven, waartoe ook zijn maskers gerekend kunnen worden. Hiermee wist Ensor een vreemd, angstwekkend effect te bereiken, dat reminiscenties oproept aan Jeroen Bosch, zoals in Zelfportret met maskers (1899, part. bezit, Antwerpen) en Geraamten in het atelier (1900, part. bezit, Brussel).

Omstreeks de eeuwwisseling, op het moment dat sommigen hem 'geniaal' beginnen vinden, zien anderen hem 'paranoïde' worden en schildert hij bijna niet meer. Ensor leert Emma Lambotte kennen en dat is op zijn minst een artistieke stimulans. Zij is Luikse en de vrouw van de Antwerpse dokter Albin Lambotte. Onder journalistenpseudoniem 'Emmaël' schrijft ze over kunst en is ze geestdriftig over het werk van Ensor. De belangrijke 'Oestereetster' en het 'Zelfportret met maskers' uit 1899 komen in 1903 in haar bezit.

In 1904 verzorgt Eugène Demolder de introductie bij het etsenalbum 'De Hoofdzonden'. Emma Lambotte beveelt de meester aan bij de Antwerpse mecenas François Franck, die tenslotte eigenaar zal worden van het opzienbarende meesterwerk 'De Intrede van Christus te Brussel'.

Het jaar daarop, in 1905, neemt Ensor deel aan het Salon 'Kunst van Heden' te Antwerpen met niet minder dan 20 werken.

Het is de familie Lambotte die Ensor in 1906 een harmonium cadeau doet, waarop hij de muziek componeert bij het pantomime-ballet La gamme d'amour (de Liefdegamma), dat een aantal keren uitgevoerd zal worden en eerst in 1929 met litho's geïllustreerd zal uitgegeven worden.

De eerste grote retrospectieven van James Ensor komen in 1910. Een eerste bij de 'Rotterdamse Kunstkring' en nog hetzelfde jaar te Antwerpen bij de 'Artistieke, Literaire en Wetenschappelijke Kring'.

Ensor ontmoet de Duitse expressionist Emil Nolde in 1911, terwijl hij volop bezeten is van zijn 'Gamme d'Amour'. Hij creëert zelf de teksten, tekent de litho's voor de kostuums en maakt een eigen maquette voor het decor.

In Hannover publiceert men in 1913 een eerste beredeneerde catalogus. Rik Wouters sculpteert de schitterende levensgrote bronzen buste van Ensor, momenteel bewaard in het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten van Oostende. Toen was de meester 53 jaar oud.

Zijn moeder sterft in 1914. Ze is 80 geworden. Haar zus, zijn tante Mimi, overlijdt twee jaar later. Daarmee neemt hij afscheid van de twee vrouwen die destijds bij zijn opvoeding een bijzonder bepalende rol speelden.

De dode moeder van de artiest op haar sterfbed, 1915,

De toen bekende Galerie Georges Giroux organiseert in 1920 een exposite, waarbij het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten zes nieuwe werken ineens aankoopt. Hieronder zijn twee tekeningen uit de reeks 'De aureolen van Christus'. Op dezelfde expositie en tot zijn grote vreugde wordt zijn ballet 'La Gamme d'Amour' voor het eerst opgevoerd. Intussen heeft hij ook het huis van zijn oom geërfd, in de Vlaanderenstraat, nr. 17.

1920 - Suzanne Van Damme, een tijd leerlinge bij Ensor, vertelt later, dat ze menig keer omheen de tafel moest rennen, om de al te ontstuimige Ensor, die toen 60 was, te ontlopen.

Ensor begint eindelijk de erkenning te krijgen die hem naar zijn mening toekomt. Enige belangrijke werken worden over hem gepubliceerd, oa. 'Mes écrits', in 1921. De Galerie Giroux geeft een lithografisch album uit 'Taferelen uit het leven van Christus' en Paul Colin verzorgt een biografie over hem.

In 1924 wordt het ballet 'La Gamme d'Amour' opgevoerd in de Vlaamse Opera te Antwerpen. De Duitse expressionist Erich Heckel? schildert een portret van Ensor. Loys-Delteil publiceert een jaar later de etsencatalogus. Dat werk wordt een gezaghebbende gids omtrent de etsen van de kunstenaar. Datzelfde jaar wordt hij ontvangen op de Koninklijke Academie van België. Gretig grijpt hij de kans om, in een pompeuze toespraak, zijn eigen genie te etaleren:'...Als ik mijn tekeningen op karton van 1877 opnieuw bekijk, zie ik raakpunten met het kubisme, futurisme, impressionisme, dadaïsme en constructivisme ...'.

De vinding van Mozes, 1924,

Alhoewel hij intussen al geëxposeerd heeft in Hannover, Berlijn, Dresden, Mannheim en Leipzig, wordt 1929 het gloriejaar voor Ensor. Nu wordt zijn grootste en belangrijkste retrospectieve georganiseerd in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Voor het eerst wordt zijn ophefmakende 'Intrede van Christus te Brussel' geëxposeerd en wordt hij in de adelstand opgenomen als Baron James Ensor. Op 13 april 1930 gaat hij zelfs zijn eigen standbeeld onthullen in de voortuinen, tegenover het Oostendse Kursaal. Men kan zich voorstellen hoe zijn ijdelheid gestreeld wordt. Intussen is hij 70 geworden. Ensor bleef tot het einde van zijn leven een vrij eenzame man die gefascineerd was door de meest extreme menselijke gevoelens en kwellingen. Hij leefde tot zijn dood in het familiehuis in Oostende. Men noemde hem; Het Wandelende Standbeeld. Tenslotte, toen de erkenning eindelijk kwam, wandelde hij ook elke dag langs de zee, en groette zijn standbeeld.

In 1932 brengt men 180 van zijn werken samen voor een grote expositie te Parijs, in het Musée National du Jeu de Paume. In het Koninklijk Theater van Oostende wordt voor het eerst het ballet 'La Gamme d'Amour' opgevoerd.

In augustus 1933 is Ensor te gast bij Albert Einstein in de villa 'Savoyarde' te De Haan, waar de beroemde wetenschapper tijdelijk verbleef tijdens zijn vlucht voor nazi-Duitsland naar Amerika. Hierbij is ook de Franse minister de Monzie aanwezig. Hij komt Ensor de versierselen van het Erelegioen overhandigen.

In 1936 zijn er tentoonstellingen in Londen, in de Leicester Gallery en opnieuw in Parijs, in de Galerie de l'Elysée en in de Galerie de la Gazette des Beaux Arts.

Tijdens de meidagen van 1940 wordt het Oostendse Museum voor Schone Kunsten gebombardeerd en worden 3 doeken en 118 etsen door brand vernietigd.

In 1945 zijn de poppen weer aan het dansen; Ensor is dan al 85. Te Brussel, in de bekende Galerie Giroux, heeft men meer dan 150 werken van Ensor samengebracht voor een uitgebreide retrospectieve. De jonge René Magritte? schrijft hierover in 'Le Drapeau Rouge': '...Een euforie zonder scherpzinnigheid en een kinderlijke humor zijn aanwezig doorheen de ontwikkeling van het werk van Ensor. Ze geeft een goed beeld van het geluk van de bourgeoisie van de jaren 1900. Een zekere nietsbeduidende nostalgie kan zich wellicht losmaken van de resten van dat uitstervende wereldje, maar laat het ons niet verwarren met een levensoverstijgend gevoel...'. Daarop komt de gloeiende reactie, oa. van Jeannine Demany-Rousseau, in 'La Lanterne': '...We permitteren ons zich te verbazen over het feit dat een orgaan dat een deel van de massa vertegenwoordigt, en dusdanig een instruerende rol heeft (...), het nodig achtte om de kritiek op een dergelijk groot meester toe te vertrouwen aan een vertegenwoordiger van een kleingeestige kliek ...'.

In de Londense National Gallery? komt nog een retrospectieve in 1946 en laat Albert Croquez al zijn tweede etsen-catalogus verschijnen.

James Ensor sterft op 19 november 1949, op 89-jarige leeftijd, in de kliniek van het Heilig Hart en ligt begraven achter de toren van het dorpskerkje O.L.V.-ter-Duinen, op de wijk Mariakerke te Oostende.

De emotionele manier, waarop Ensor sociale problemen verwerkte zijn regelmatig terug te vinden in zijn werk. De oorsprong hiervan heeft eerder te maken met zijn anarchistische instelling, dan een groot gevoel van solidariteit.

Veel mensen vragen zich af, waarom deze kunstenaar zo vaak skeletten tekende en schilderde. Door sommigen worden ze beschouwd als macabere grappen, terwijl anderen ze zien als een vorm van religieuze symboliek of een obsessie met de dood.

Hij was en blijft nog altijd een omstreden figuur, èn door zijn werk, èn door zijn karakter èn door zijn houding. Uitermate egocentrisch ingesteld, hautain en meesterlijk 'crachant' verbalist heeft hij er velen de muren opgejaagd. Sommigen menen nu nog dat Ensor groter was als etser dan als schilder. Een meester van het 'Licht' was hij ongetwijfeld!


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 484.