kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 15-10-2008 voor het laatst bewerkt.

James McNeill Whistler

Zelfportret, circa 1896

Amerikaans schilder, etser, lithograaf en schrijver, geboren 14 juli 1834 Lowell (Massachusetts) – 17 juli 1903 in Londen.

Hij is wellicht het bekendst geworden door het bijna geheel in zwart-wit uitgevoerde schilderij van zijn moeder, getiteld Arrangement in Gray and Black, No. 1 maar gewoonlijk kortweg Whistler's Mother genoemd. (Het werk komt prominent voor in Rowan Atkinson's film 'Bean' uit 1997).

De sterk atmosferische serie 'Nocturnes' tonen Japanse invloed. Door zijn spaarzame kleurgebruik (vaak met schakeringen van één kleur) doet het werk bijna abstract aan, waardoor hij wel wordt beschouwd als een voorloper van de abstracte kunst. De kleur-analytische methode van de impressionisten lag hem niet. Zijn aandacht voor de esthetische werking van de kleur is eerder gebaseerd op de 17de-eeuwse Hollandse traditie, die hij zeer waardeerde.

Whistler was bevriend met verschillende Franse kunstenaars, waaronder Édouard Manet en Antonio de La Gandara. Ook was hij een prominent figuur in de esthetische beweging, samen met zijn vriend Oscar Wilde.

Na een mislukte militaire carrière ging Whistler in 1855 naar Parijs, waar hij leerling werd van G. Gleyre. Hij kwam in contact met de kring van Monet en Fantin-Latour en werkte samen met Courbet. In 1859 vestigde hij zich definitief in Chelsea (Londen). Zijn kennis van de Engelse Preraffaëlieten en van Japanse en hellenistische kunst werd sindsdien steeds meer manifest in zijn werk, waarin hij niet alleen het plastische en lineaire element liet varen, maar ook de visuele objectiviteit. Desondanks vertonen zijn latere portretten de invloed van Velasquez en Van Dijck. Van 1879-90 verbleef hij in Venetië; hij concentreerde zich daar op aquarel-, pastel- en etstechniek. Whistler was met zijn vele avond-, nevel- en regenweerstukken, die hij harmonieën, nocturnes, symfonieën e.d. noemde, een typisch vertegenwoordiger van de l’art-pour-l’artgedachte. Bovendien beijverde hij zich de moderne Franse schilderkunst in Engeland te introduceren. (Summa)

Biografie
James Abbott McNeill Whistler was de zoon van een ingenieur. In 1842 aanvaardde zijn vader het aanbod om te komen werken aan de aanleg van een Russische spoorlijn. Hierdoor kreeg James Whistler tekenles aan de kunstacademie in Sint Petersburg.

In 1851 begon hij aan een opleiding aan de militaire academie West Point. Drie jaar later werd hij daar ontslagen wegens slechte resultaten in scheikunde. Later dat jaar aanvaarde Whistler een baan als tekenaar bij de kustwacht, maar vertrok enkele maanden later naar Parijs voor het volgen van een kunstopleiding.

In 1855 vertrok Whistler naar Europa zonder ooit nog naar de Verenigde Staten terug te keren. Hij vertrok eerst naar Parijs waar hij een tijd in het atelier van Charles Gleyre werkte en kennis maakte met Gustave Courbet en andere realisten.

In september 1857 bezocht hij de tentoonstelling in Manchester, waar hij naast werken van Engelse tijdgenoten kennis maakte met het werk van Velásquez.

Whistler was een groot bewonderaar van Hollandse meesters als Steen, Rembrandt en Ruisdael. In 1858 maakte hij een studiereis naar Nederland om Rembrandts 'Nachtwacht' te zien. Ook daarna kwam hij nog vele malen in Nederland. Hij bezocht onder andere Den Haag, Dordrecht en Domburg en maakte vele etsen van zijn favoriete stad: Amsterdam.

Whistler raakte bevriend met Henri Fantin-Latour en met Alphonse Legros vormde het drietal de Société des Trois.

In 1859 vestigde James Whistler zich in Londen, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen. Hij begon met een serie etsen, waarop de rivier de Thames werd uitgebeeld.

De winter van 1861 bracht hij door in Parijs. In deze periode ontstond "Symphony in white".

In 1862 waren de schilderijen "The coast of Brittany" en "The Thames in Ice" te zien op de expositie van de Royal Academy.

Zijn schilderij 'The White Girl' uit 1862 maakte ophef tijdens een tentoonstelling in Londen en werd in 1863 geweigerd op de 'Salon des Refusés' in Parijs, maar kreeg veel bekijks op de Salon van de Onafhankelijken. Het werk is een typisch voorbeeld van zijn theorie dat de kunst zich vooral moest bezighouden met schoonheid in kleur en vormgeving (l'art pour l'art) en niet met de exacte weergave van mensen en zaken, zoals aanbevolen door de criticus John Ruskin.

Het gouden scherm, 1864, paneel, 50x69, Washington, Freer Gallery of Art

Rond 1864 raakte James Whistler onder de indruk van de Japanse kunst. Een voorbeeld van een schilderij, waarin deze invloed merkbaar is, is "Symphony in white, no. 2, the little white girl". Het doek werd in 1865 geëxposeerd bij de Royal Academy. Later dat jaar werkte James Whistler in de Franse havenstad Trouville, waar hij Gustave Courbet ontmoette en in Valparaiso in Chili. In 1866 keerde hij terug naar Engeland.

In de laatste periode van zijn werkzame leven ontstonden veel portretten. Daarnaast schilderde James Whistler etherische landschappen onder de muzikale naam "Nocturnes".

"Nocturne in black and gold: The falling rocket" veroorzaakte grote opschudding in 1877 toen het doek te zien was in de Grosvenor Gallery. De criticus John Ruskin noemde Whistler een verwaande kwast en vond dat hij te veel geld vroeg voor een pot verf, die in het gezicht van het publiek werd gegooid. Een rechtzaak in november 1878 wegens smaad was het gevolg. Tijdens de rechtzitting waren veel belangrijke personen uit de Victoriaanse tijd aanwezig. Edward Burne-Jones en William Powell Frith traden op voor Ruskin. Albert Moore en William Micheael Rossetti verdedigden James Whistler. Whistler won het proces en Ruskin werd veroordeeld tot betaling van een minimale symbolische schadevergoeding, maar de zaak kostte hem een kapitaal.

Hierna vertrok hij voor enkele jaren naar Venetië, waar hij vooral etsen maakte.

In de jaren tachtig hield James Whistler een aantal solo-exposities in Londen, waarbij hij zich ook bemoeide met de aankleding van de zaal. Vanaf de jaren tachtig was zijn werk te zien in vele Europese steden.
In augustus 1888 verliet Whistler zijn maîtresse Maude Franklin en trad in het huwelijk met Beatrice Godwin.

Inkt op papier/Ets en drogenaald, 22,9 x 16,1 cm
De achterkant van een huis weerspiegelt in het water van een Amsterdamse gracht. Op een stoepje bij het water staan twee mensen: een man die tegen een paal leunt (een dromerig type, de Pierrot uit de titel?) en een vrouw die zich naar het water toe buigt. De architectuur en het water zijn weergegeven met grove arceringen die zwarte vlekken vormen bij de donkere stukken. Vaag is de spiegeling van de twee figuren in het water te zien. James McNeill Whistler maakte deze ets in 1889, toen hij twee maanden in Nederland was. De kunstenaar maakte verschillende reizen door ons land. Het waterrijke landschap inspireerde hem en vooral Amsterdam vond hij prachtig. In een serie etsen legde hij zijn favoriete plekken in de stad vast: schilderachtige grachtjes in achterbuurten, met vervallen huizen en wapperende was.
Whistler gaf de stad weer vanaf het water. Hij voer rond in een boot en legde vast wat hij vanuit dit lage standpunt zag: het water, de kade en de onderkant van de huizen. Geïnspireerd door de etsen van Rembrandt, blies Whistler de etskunst weer nieuw leven in. Hij experimenteerde met diverse ets- en afdruktechnieken. Whistlers Amsterdamse etsen beïnvloedden weer andere kunstenaars, zoals Witsen (die ook een atelier op een bootje had) en Breitner, die de stad vastlegde in foto's en op schilderijen.

In 1898 werd hij door de internationale kunstenaarsvereniging gekozen tot voorzitter.
Aan het eind van zijn leven ontving Whistler veel eerbewijzen en onderscheidingen, waaronder het Franse Légion d'Honneur.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 31.