kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 22-03-2008 voor het laatst bewerkt.

Jan Gossaert



vermoedelijk zelfportret

Zuid-Nederlandse kunstschilder, prentmaker en ontwerper, geboren ca. 1478/1479 Maubeuge - overleden 1 oktober 1532 Antwerpen? (Middelburg?/Utrecht?)

Naamsvarianten: Jean, Iennin, Janin, Jennyn; Gossart, van Henegouwe, de Weale.... Naar zijn vermoedelijke geboorteplaats Maubeuge in het Graafschap Henegouwen werd hij ook vaak "Mabuse" genoemd en men treft soms ook de Latijnse vorm "Malbodius" aan. Gossaert signeert zijn werken door zijn naam volgens de toenmalige gewoonte te verlatijnsen: Joannes Malbodius. Hij geeft aldus blijk van zijn gehechtheid aan zijn geboortestad Maubeuge, waar hij geboren was. Na een leertijd te Brugge verkrijgt hij te Antwerpen het meesterschap, waar het schildersgilde hem in haar register inschrijft onder de naam Jennyn van Henegouwen. Te Antwerpen geeft men hem dan de bijnaam Jan van Mabuse, waarin Mabuse de Vlaamse vorm van Maubeuge is. Sindsdien wordt hij in alle boeken en catalogi steevast Jan Gossaert bijgenaamd Mabuse genoemd.

In 1508 begeleidt hij de sympathieke vorst Filips van Bourgondië, later bisschop van Utrecht, in wiens dienst hij als schilder werkzaam is, naar Italië. Door zijn verblijf in Italië voltrok zich in hem een omwenteling en onmiddellijk na zijn terugkeer vertoont hij een nieuwe kijk op de zaken en schildert hij onderwerpen, die tevoren in de lage landen nooit waren behandeld.
Filips van Bourgondië, humanist en geleerde, belast met een diplomatieke opdracht in dienst van paus Julius II, opent voor Gossaert de poorten van het Vaticaan. In dat jaar werkt Bramante aan de Sint-Pieter, bereidt Michelangelo de versiering van de Sixtijnse Kapel voor en is Raffaël in de Eeuwige stad aangekomen. En Gossaert slaat aan het werk! Hij schetst antieke bouwwerken, kopieert decoratieve motieven en vat grote liefde op voor de fraaie naakten uit de oudheid. Hij keert daarna met zijn heer naar onze noordelijke streken terug en volgt hem naar het kasteel Suistburg, dat hij met mythologische voorstellingen decoreert (samen met Jacopo de Barbari). Na de dood van zijn beschermheer in 1524 treedt hij in dienst van diens neef Adolf van Bourgondië, heer van Veere. Op het einde van zijn leven werkte hij te Mechelen en te Brussel aan het hof van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk. Hij overlijdt in 1532.

In het eerste decennium van de 16de eeuw behoorde Gossaert tot de zogenaamde "Antwerpse maniëristen". Na zijn bezoek aan Italië (1508-1509) in het gevolg van de humanist Filips van Bourgondië, admiraal van Zeeland en later bisschop van Utrecht, speelde Gossaert een belangrijke rol in de introductie van de Italiaanse Renaissance in de Nederlanden. Gossaert zou de grondslag leggen voor de schilderkunstige stroming die later met de term "Vlaams Romanisme" zou worden aangeduid, en die een sterke invloed onderging van de kunst van de "Romeinse" hoog-renaissance, met name Rafaël, Michelangelo en hun navolgers.

Zijn oeuvre omvat zowel religieuze onderwerpen als portretten en mythologische taferelen, waaronder Neptunus en Amfitrite (Berlijn, Rijksmuseum), Venus en Amor (Parijs, verz. Weill), Hercules en Omfale (Richmond, verz. Sir Cook), werken die respectievelijk gedateerd zijn 1516, 1521 en 1517. Zo pakt hij als eerste in Vlaanderen vastberaden mythologische onderwerpen aan; hij plaatst zijn antieke, op de beeldhouwkunst geïnspireerde helden in een antiek decor. In deze zin moet men Carel van Mander verstaan waar deze schrijft dat Gossaert een der eersten is die in Italië geleerd heeft op de juiste wijze taferelen met naakte figuren en alle soorten van poëzie (dwz. mythologische onderwerpen), die voor zijn tijd in onze streken ongebruikelijk waren, samen te stellen. (Antwerpen
De handtekeningen op enkele van zijn schilderijen zoals "Iennin Gossart de Mabu[s]e" en later ook "Ioannes Malbodius" geven een sterke aanwijzing dat Gossaert in of rond Maubeuge geboren werd of dat tenminste zijn ouders uit die streek afkomstig waren. Op dat moment hoorde deze stad nog bij het Graafschap Henegouwen dat deel uitmaakte van de Habsburgse Nederlanden. Zijn geboortedatum is niet uit de archieven bekend maar is afgeleid van de inscriptie op een portret dat Gossaert in 1528 op vijftigjarige leeftijd zou hebben geschilderd [1]. Een andere indicatie is ook de aanvaarding als 'meester' in het schildersgilde die meestal omstreeks de leeftijd van 25 jaar plaatsvond. Gossaerts aanvaarding als 'meester' staat opgetekend in de liggeren van het Antwerpse Sint-Lucasgilde in 1503 [2].

Omtrent zijn opleiding en zijn vroegste werken is echter niets met zekerheid bekend. Op basis van bepaalde stilistische kenmerken in Gossaerts vroege werken hebben auteurs zoals Weisz (1912) en Winkler (1921) gesuggereerd dat Gossaert in Brugge in de omgeving van Gerard David een opleiding zou hebben genoten [3]. Vandaag wordt echter aangenomen dat Gossaert in Antwerpen zijn opleiding ontving waaruit ook zijn aanvaarding als 'meester' in 1503 logisch volgt. Antwerpen was op dat moment de meest bloeiende handelsstad van Noord-Europa en de daar gevestigde schilders waren uit alle windstreken toegestroomd. De vermeende Brugse invloeden in het werk van Gossaert zijn zo ook makkelijk te verklaren [4]. Na zijn aanvaarding als meester stichtte Gossaert in Antwerpen een atelier. In 1505 nam hij een zekere 'Hennen Mertens' als leerling aan. In 1507 werd ook een zekere 'Machiel in't Swaenken' in zijn atelier opgenomen. Gossaert bleef zeker tot 1507 in Antwerpen werkzaam.

1 ^ Dit portret is spoorloos maar werd door Aernout van Buchel (Arnoldus Buchelius) beschreven in zijn Res Pictoriae uit 1623.
2 ^ Gossaert werd ingeschreven onder de naam ‘Jennyn van Henegouwe’, zie: Philippe-Felix Rombauts en Theodoor van Lerius, De Liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche Sint Lucasgilde, onder zinspreuk: Wt ionsten versaemt, 2 vols., Antwerpen - Den Haag, 1864-1876
3 ^ Ernst Weisz, Jan Gossart gen. Mabuse, sein Leben und seine Werke : ein monographischer Versuch und Beitrag zur Geschichte der Vlämischen Malerei in der ersten Hälfte des XVI. Jahrhunderts, Vereinigte Friedrichs-Universität Halle-Wittenberg. Philosophische Fakultät, Diss. Doct. Phil., 1912, Halle a/d Saale, 1912 ; Friedrich Winkler, Die Altniederländische Malerei. Die Malerei in Belgien und Holland von 1400-1600, Berlijn, 1924
4 ^ De Brugse meester Gerard David was zelfs een tijdlang als meester geregistreerd in Antwerpen wellicht omdat daar zijn schilderijen beter aan de man konden worden gebracht. Brugse schilders en hun werken waren zeker in het Antwerpse aan te treffen en kunnen zo de jonge Gossaert hebben beïnvloed.

Geen enkel vandaag bekend werk kan met zekerheid in de periode 1503-1507 worden gesitueerd. Slechts twee gesigneerde pentekeningen worden doorgaans als werken uit deze periode beschouwd. Dit zijn het Mystieke huwelijk van Sint-Katharina (Statens Museum for Kunst, Kopenhagen) en het Visioen van Keizer Augustus (Berlijn, Kupferstichkabinett). Afhankelijk van de door verschillende auteurs voorgestelde datering van deze stilistisch duidelijk te onderscheiden werkjes wordt Gossaert ofwel gezien als een centrale figuur binnen het Antwerps maniërisme, ofwel als een late epigoon van deze stroming beschouwd. De kleine Triptiek met de H. Familie, Sint-Katharina en Sint-Barbara (Lissabon, Museu Nacional de Arte Antiga) wordt niet algemeen als een eigenhandig werk van Gossaert geaccepteert. Het weerspiegelt echter wel de vroege stijl van Gossaert die aanleunt bij het Antwerps maniërisme en ook de invloed van Gerard David vertoont.

De gedaanteverwisseling van Hermaphroditus en de nimf Salmacis, ca. 1505, olieverf op paneel, 32,8 x 21,5 cm
De Romeinse schrijver Ovidius verhaalt in zijn boek Metamorfosen (IV, 285-388) het volgende. Op een van zijn zwerftochten vindt de 15-jarige zoon van Hermes en Venus, Hermaphroditus, een helder meertje om zich op te frissen. Terwijl hij aan het baden is, bespiedt de bronnimf Salmacis hem en zij wordt prompt verliefd. Ze probeert de jongen te omhelzen terwijl hij vergeefs probeert zich los te worstelen. Omdat haar liefde niet wordt beantwoord, verzoekt Salmacis de goden hun beider lichamen in één gestalte te verenigen. De goden geven gehoor aan deze smeekbede en beiden worden voor eeuwig verenigd. Uit wraak veroordelen de ouders van Hermaphroditus de bron, waar hun zoon zich verfriste; een ieder die hierin baadt zal in een 'hermaphrodite', een tweeslachtig wezen, worden veranderd.
Gossaert heeft het moment van de vermenging van beide lichamen afgebeeld. Door het harmonieuze spel van vormen en lijnen lijkt het alsof de twee lichamen elkaar zowel aantrekken als afstoten. Links op de achtergrond staat het tweeslachtig wezen, waartoe beiden uiteindelijk zullen versmelten. Het paneeltje is geschilderd voor Filips van Bourgondië (1465-1524), de jongste bastaardzoon van hertog Filips de Goede. Waarschijnlijk maakte het kabinetstukje deel uit van een groep erotisch getinte schilderijen die in een woning te Wijk bij Duurstede hingen, waar Filips, toendertijd bisschop van Utrecht, jonge vrouwen ontving. (Italië
Na 1507 verdwijnt Gossaert's naam uit de Antwerpse archieven. Men neemt aan dat hij toen werd geëngageerd door Filips van Bourgondië om deel uit te maken van zijn gevolg tijdens zijn zending naar het hof van Paus Julius II in Rome. Filips ondernam deze diplomatiek missie in opdracht van de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk. Gossaert vertrok met de Admiraal en zijn gevolg in Mechelen op 26 oktober 1508 en op 14 januari 1509 kwam men in Rome aan.

Uit het verslag van Geldenhauer uit 1529 is ook bekend dat Filips, die erg geïnteresseerd was in de overblijfselen uit de Klassieke Oudheid, Gossaert speciaal had aangezocht hem te vergezellen met het doel tekeningen te maken van de oudheden om als herinnering en documentatie terug mee naar huis te nemen. Gossaert maakte in Rome ongetwijfeld een groot aantal tekeningen naar de ontelbare antieke ruïnes en sculpturen die de stad rijk was. Vandaag zijn slechts vier overgebleven bladen bekend; een blad met de ruïne van het Colosseum (Berlijn, Kupferstichkabinett), een studie naar de zogenaamde Apollo Kitharoedos (Venetië, Accademia), een studie naar de zogenaamde Capitoleinse Hercules (Privécollectie, Londen), en een blad met studies naar o.m. de beroemde Spinario of “dorenuittrekker” (Leiden, Prentenkabinet).

Gossaert tekende deze klassieke modellen als een noordelijk kunstenaar die duidelijk niet vertrouwd was met het klassieke stijlidioom. De vormen zijn ietwat uitgelengd en de musculatuur van de figuren is zo gedetailleerd weergegeven dat het resulaat een heel ornamenteel karakter heeft dat het monumentale heroïsche karakter van de modellen niet optimaal tot zijn recht laat komen. Gossaerts interpretatie van het klassiek drapé is nog beïnvloed door de de vrij hoekige behandeling waarmee plooien en stoffen in de noordelijke traditie werden weergegven. Alles wijst er dus op dat Gossaert vrij plotseling met het klassieke idioom werd geconfronteerd en niet echt de gelegenheid had de geest van deze modellen voldoende te assimileren. Nochtans zal de aanblik van de volplastische klassieke sculpturen op Gossaerts stijl een definitieve indruk achterlaten die zich vooral manifesteert in de toegenomen volumewerking van zijn figuren.

Voor hij in Rome arriveerde is Gossaert tijdens zijn doorreis langs steden als Trente, Verona, Mantua en Florence ongetwijfeld in contact gekomen met de 15de en vroeg 16de-eeuwse Italiaanse schilderkunst die daar ten overvloede aanwezig was. In de Eeuwige Stad zelf waren op dat moment Michelangelo en Rafael aan het werk, de eerste aan het plafond van de Sixtijnse Kapel de laatste aan de befaamde “Stanze”. Het is waarschijnlijk dat Gossaert als lid van het gevolg van een belangrijk gezant toegang heeft gehad tot deze plaatsen, of tenminste tekeningen en voorontwerpen heeft gezien van de werken die toen werden uitgevoerd. Het gezantschap keerde terug in juni 1509. Gossaert bleef echter nog wat langer in Rome, wat blijkt uit het feit dat hij er nog in juli van dat jaar actief was.

Middelburg, 1509-1517
Na zijn terugkeer uit Italië vestigde Gossaert zich vermoedelijk onmiddellijk in Zeeland. Eind 1509 werd een zekere ‘Janin de Waele’ geregistreerd als lid van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw in Middelburg. Deze “Jan” van Waalse afkomst is vrijwel zeker dezelfde als Jan Gossaert. Het is echter niet zeker of hij daar zijn vaste verblijfplaats had aangezien hij een heel aantal opdrachten uit zeer verspreide streken ontving. Volgens de getuigenis van Gerard Geldenauer uit 1529 trad Gossaert pas eind 1515 in vast dienstverband bij Filips van Bourgondië.Dit wijst er vermoedelijk op dat Gossaert er als vrijmeester was gevestigd en dus van overal opdrachtgevers aantrok. De opdrachten die Gossaert kreeg waren dan ook meer van religieuze dan van seculiere aard. Samen met de meer traditionele smaak van zijn opdrachtgevers belette dit hem wellicht om de in Italië opgedane indrukken te verwerken in zijn werk. Classicerende composities werden buiten de omgeving van het hof door opdrachtgevers nog maar weinig gesmaakt in de Nederlanden. Hoewel Gossaert werd beperkt door het conventionele karakter van de onderwerpen die hij diende uit te beelden kenmerkt deze periode zich door verdere rijping en experiment.

Door het feit dat hij zich opnieuw diende toe te leggen op religieuze taferelen kon Gossaert de band met de vertrouwde Nederlandse traditie gemakkelijker weer opnemen. Toch was zijn visie op de kunst van de Vlaamse Primitieven verrijkt met de invloeden die hij in Italië had opgedaan en met de inspiratie die hij wist te putten uit het grafische werk van tijdgenoten als Albrecht Dürer en Jacopo de Barbari. Gossaert’s werk fixeerde zich in deze periode uitermate sterk op de kunst van zijn beroemde Zuid-Nederlandse voorgangers zoals Jan van Eyck en Hugo van der Goes. Hij verfijnde zijn olieverftechniek naar het voorbeeld van deze oude meesters en inspireerde zich letterlijk op beroemde composities van hun hand. Een mooi voorbeeld uit deze scheppingsfase is het paneel dat Christus tussen Johannes de Doper en Maria voorstelt (Madrid, Museo del Prado). Het werk is een vrije kopie naar de “Deiësisgroep” uit het centrale deel van het Lam Gods van Jan van Eyck.


De aanbidding der Koningen, 1510-12, olieverf op paneel, 141x107, Londen, National Gallery

Nog gotisch in de plechtige compositie en de langgerekte gezichten, maar aan het perspectief is reeds te zien, dat hij door geheel nieuwe gedachten in beslag wordt genomen. Hij besteedt grote zorg aan allerhande details: gebarsten oude muren en bosjes gras tussen de stenen. Het is de poëzie van de ruïne die hier in onze schilderkunst haar intrede doet. (Artis Historia, Vlaamse schilderkunst)

De Aanbidding der Koningen die hij schilderde voor de Benediktijnerabdij van Geraardsbergen verwijst duidelijk naar het werk van Hugo van der Goes, met name naar diens “Monforteretabel” (Berlijn, Gemäldegalerie) en naar voorbeelden van Gerard David. Gossaert signeerde dit werk op twee verschillende plaatsen; IENNI[N]/GOSSART/DE MABV[SE] en IENNIN/GOS[SART].
De perspectivische en ruimtelijke coherentie die Gossaert aan zijn werk wist te geven wijst op zijn kennis van de kunst van het Italiaanse Quattrocento en de grafiek van Dürer.

In de kleine triptiek die bekend staat als de “Malvagnatriptiek” (Palermo, Galleria Regionale de Sicilia) combineert Gossaert invloeden uit de Vlaamse traditie met Italiaanse elementen. Het briljante palet, het overdadige laatgotische maaswerk en de figuren en landschappen geïnspireerd door Gerard David plaatsen het in de Vlaamse traditie terwijl de musicerende putti duidelijk door de kunst van de Italiaanse renaissance werden geïnspireerd. Het werkje kan na 1511 worden gedateerd aangezien op één van de zijvleugels figuren zijn gecopieerd uit de zogenaamde “Kleine passie”, een reeks houtsneden die door Dürer in dat jaar werden uitgegeven. Uit 1513 dateert waarschijnlijk het diptiekje van Antonio Siciliano (Rome, Galleria Doria-Pamphili). Het linkerluik is een magistrale kopie naar Jan van Eyck’s paneeltje “De Madonna in de kerk” (Berlijn, Gemäldegalerie) terwijl op het rechterluik Antonio Siciliano met zijn patroon Sint-Antonius is voorgesteld. Het werkje zou zijn besteld door Antonio Siciliano die kamerheer was van Massimiliano Sforza Hertog van Milaan, en zijn heer vergezelde op diens gezantschap aan het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen in 1513.

Gossaert’s aarzelende verwijdering van de Nederlandse traditie laat zich bespeuren in een werk waarvan alleen het middenpaneel met Christus in de hof van Olijven (Berlijn, Gemäldegalerie) en de buitenzijden van de zijluiken in grisaille die de boetende Sint-Hieronymus voorstellen (Washington, National Gallery of Art) zijn bewaard gebleven. Op het middenpaneel zien we Christus neergeknield voor een eigenaardig gevormde rotsmassa. Hier toont Gossaert zich schatplichtig aan de voorbeelden van Dürer en Mantegna (werk met hetzelfde onderwerp in Londen, National Gallery. Wellicht schilderde Gossaert tussen 1509 en 1516 het verloren altaarstuk dat Carel van Mander in zijn “schilderboek” uit 1604 als volgt beschreef;

"Onder seer veel wercken, het besonderste en vermaertste stuck van hem ghedaen, is geweest d'hoogh Altaer-tafel te Middelborgh, een seer groot stuck met dobbeldeuren, die men in't open doen om de grootheyt met schragen most onderstellen. Den vermaerden Albert Durer, t'Antwerpen wesende, quam dit stuck met groot verwonderen sien, niet sonder grooten lof daer van uyt te spreken. Den Abt die't dede maken, was den Heer Maximiliaen van Bourgoignen, overleden Ao. 1524. Dese Tafel was een Afdoeninghe van den Cruyce, daer grooten tijt, en uytnemende Const in ghebruyckt is gheweest, en is met de selve Kerck door t'Hemel-vyer oft blixem te nieten ghegaen en verbrandt, dat der Consten halven groot jammer en verlies is."

Uit Dürers dagboeken is geweten dat hij het werk inderdaad in Middelburg bewonderde maar dat hij de schildertechniek boven de algemene opbouw van het werk apprecieerde: "nit so gut im Hauptstreichen als in Gemäl".

Gossaerts belangrijkste werk dat uit deze periode bewaard bleef is het altaarstuk met Sint-Lucas tekent de H.Maagd, (Wenen, Kunsthistorisches Museum) dat hij voor het Mechelse schildersgilde vervaardigde (ca. 1513-1514). Voornamelijk in de plooienval van de gewaden, en de gezichten van de figuren laat Gossaert zich nog leiden door de Nederlandse traditie. Het perfecte perspectief en het classicerende decor waarin diverse ontleningen aan de klassieke sculptuur zijn verwerkt is duidelijk Italiaans geïnspireerd, al doet de overdaad van het geheel nog wat laatgotisch aan.

Kasteel "Suytburg" en het klassieke naakt
Eind 1515 gaf admiraal Filips van Bourgondië-Blaton aan Jan Gossaert en Jacopo de’ Barbari de opdracht om zijn kasteel “Suytburg” (vandaag, West-Souburg op Walcheren) te decoreren. Het was de bedoeling van deze geleerde humanistische admiraal om van zijn residentie een centrum van Renaissancecultuur in het noorden te maken. Daar Filips onder andere de geschriften van Vitruvius goed moet hebben gekend is wel eens gesuggereerd dat hij ook een persoonlijke invloed had op het decoratieve en architecturale programma. Gossaert’s bijdrage aan deze onderneming maakte van hem een waar Renaissanceschilder.

De mythologische taferelen die zijn opdrachtgever wenste als decoratie van zijn kasteel gaven aan Gossaert de gelegenheid om te experimenteren met de uitbeelding van het klassieke naakt. Hierbij baseerde hij zich niet zozeer op de studies die hij in Rome had gemaakt, maar op de prenten van tijdgenoten zoals Albrecht Dürer en Marcantonio Raimondi. Deze laatste had naast enkele prenten naar klassieke sculpturen vooral gravures naar “inventies” van Rafaël op de markt gebracht. Gossaert baseerde zich ook op de kleinsculpturen van Conrat Meit, een kunstenaar van Duitse afkomst die aan het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen werkzaam was geweest maar die ook “Suytburg” had bezocht. Natuurlijk had ook zijn Italiaanse collega Jacopo de Barbari een belangrijke stem. Met name zijn theorieën over de menselijke proporties hebben op Gossaert een duidelijke invloed uitgeoefend.

Het enige element dat van de decoratie van “Suytburg” bewaard is gebleven is het paneel met Neptunus en Amphitrite (Berlijn, Gemäldegalerie). Deze twee levensgrote klassieke naakten waren geheel nieuw voor de kunst van de Nederlanden. Toch hebben ze - wellicht doordat ze nooit voor een ruimer publiek zichtbaar zijn geweest – nauwelijks directe navolging gehad. Opvallend is ook de volledig Latijnse handtekening die op humanistische wijze geheel in Romeinse kapitalen is gesteld: IOANNES+MALBODIVS+PINGEBAT+1516. Het werk draagt ook de naam en het devies van zijn opdrachtgever Filips van Bourgondië die duidelijk trots moet zijn geweest op dit manifest van de nieuwe stijl in het noorden.

Tijdens deze periode was het Gossaert klaarblijkelijk toegestaan ook andere opdrachten aan te nemen. Deze kwamen voornamelijk van de Habsburgse verwanten van Filips van Bourgondië, en van vertrouwelingen van het Habsburgse hof. Het zijn voornamelijk portretten of diptieken waarin een bidportret is verwerkt. Voor Keizer Karel V schilderde hij het portret van diens zuster Eleonora van Oostenrijk. Een absoluut meesterwerk van de portretschilderkunst is het portret van Jean Carondelet dat samen met een madonna met kind een diptiek vormt (Parijs, Musée du Louvre). Het werkt wordt gekenmerkt door een zorgvuldig geobserveerde en zeer verfijnde weergave van de gelaatstrekken die eigen is aan de Nederlandse traditie. Door het schitterende modelé dat scherp afsteekt tegen de donkere achtergrond en door de schaduweffecten op het gezicht bekomt Gossaert een uitgesproken ruimtewerking die typisch is voor de renaissance en die in dit opzicht een grote vernieuwing betekent.

Utrecht, 1517-?
Toen zijn beschermheer in 1517 bisschop van Utrecht werd, volgde Gossaert hem naar diens residentie, het kasteel van Wijk bij Duurstede. Mogelijk was in deze periode Jan van Scorel korte tijd bij hem in de leer. In 1525, na het overlijden van Philips van Hourgondië, keerde Gossaert terug naar Middelburg, mogelijk om daar in dienst van Adolf van Bourgondië te treden. Hier was de Vlaming Lambert Lombart bij hem in de leer gegaan. Ondertussen voerde hij ook opdrachten uit voor keizer Karel V, Margaretha van Oostenrijk en Christiaan II van Denemarken.


Danaë, 1527, paneel, 114x95, München, Alte Pinakothek
Gossaert was onder de indruk van het uiterlijk vertoon van de renaissance. Hij was in dienst van de intelligente Filips van Bourgondië, wiens humanistische opvattingen hem hielpen de kloof de overbruggen tussen zijn ambt van aartsbisschop en zijn voorliefde voor erotische schilderijen. Gossaert kwam terug uit Italië met een eigen visie op de Italiaanse renaissance, die van het antieke beeldhouwwerk en van Mantegna. Hij was bezeten van het naakt, en dat in een land en een tijd waarin het schilderen van een naakt gelijk stond met oproer kraaien. Maar zijn naakten hebben altijd iets alsof zij zich niet op hun gemak voelen. In dat noordelijke licht hebben zij iets van een schandaal en de Nederlandse elementen botsen met de Italiaanse, zoals hier, waar een Nederlands boerenmeisje vermomd is als de mythische Danaë die uitkijkt op een bonte verzameling van Romaanse, gotische, renaissancistische en onbestaanbare fantastische gebouwen, de droomwereld van een schilder. (KIB ren 174)


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Gossaert.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 151.