kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Jan Mankes

Zelfportret met uil, 1911 (Museum voor moderne kunst, Arnhem)

Nederlandse glasschilder, graficus, schilder, tekenaar van bloemstillevens, dieren, landschappen, figuurvoorstellingen, portretten, stillevens en zelfportretten.

Zoon van Beint Mankes en Jentje Hartsuiker. Vader van Beint Mankes.

Geboren: Meppel 1889-08-15
Gestorven: Eerbeek (Brummen) 1920-04-23

Jan Mankes bezocht in 1902 de HBS te Meppel, maar blonk er niet uit. Toen zijn vader, commies bij de belastingen te Meppel, in 1903 naar Delft werd overgeplaatst, hield zijn zoon de HBS voor gezien.

Mankes verwierf in zijn jeugd tijdens wandelingen met zijn vader al kennis van flora en fauna. Later kreeg hij bewondering voor de schilders van de Haagse School, Theo van Hoytema en Van Konijnenburg. Op grafisch gebied was hij een autodidact. Zijn favoriete thema's waren stillevens, landschappen, geiten en (zelf)portretten, alle onderwerpen uit zijn directe omgeving.

Scheveningen (Den Haag) 1903
Delft 1904 - 1908

In 1904/1905 werd Jan Mankes als leerling op het atelier van de glasbrander-glazenier J.L. Schouten te Delft aangenomen. In die jaren restaureerde men daar de glazen van de St.-Janskerk te Gouda. Daarnaast kreeg hij in zijn vrije tijd les van de schilder-glasbrander Hermanus Veldhuis (1878-1954), die als medewerker aan het glasschildersatelier Schouten verbonden was. Op de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, waar hij een avondcursus volgde, leerde hij naar gipsmodel tekenen. Op zondag liep hij vaak van Delft naar Den Haag om er de collecties van het Mauritshuis te bestuderen. Hij kwam er onder de indruk van het werk van 17e-eeuwse Nederlandse meesters als Johannes Vermeer en Carel Fabritius, en bewonderde er de 16e-eeuwse Duitse schilder Hans Holbein.

Na enige jaren vond hij geen bevrediging meer in het werken 'op de fabriek'. Op aanraden van de door hem bewonderde etser-lithograaf Antoon Derkzen van Angeren (1878-1961), die ook in Delft woonde en aan wie hij zijn eerste schilderijtjes toonde, zei hij in 1908 op 18-jarige leeftijd de glasschildersfabriek vaarwel en koos hij voor een loopbaan als vrij kunstenaar.

De Knipe (Heerenveen) 1909 - 1910
Na de pensionering van zijn vader in 1909 verhuisde hij met zijn ouders naar De Knijpe bij Heerenveen. De familie betrok een woning aan de Schoterlandse Compagnonsvaart, een half uur gaans van het Oranjewoud, dat een rijke inspiratiebron voor Mankes zou worden. Een kamer met witgekalkte muren, aan de achterzijde van het huis, diende hem tot atelier. Het bood uitzicht op een grote tuin met een kippenhok, een sloot voor de ganzen en een schuur voor de geiten. Want dieren - en vooral vogels, die hij in de natuur observeerde of in het atelier bestudeerde - behoorden tot zijn favoriete onderwerpen. Al spoedig ontstonden enkele meesterwerkjes: Dood watersnipje (1910), Steenuiltje op tak (1911). In dat zelfde jaar schilderde Mankes een van de hoogetpunten uit zijn oeuvre: het Zelfportret met uil, een boeiend dubbelportret van mens en dier.

Hoewel De Knijpe in Zuid-Oost Friesland een uithoek was, kwam hij hier in aanraking met de revolutionaire ontwikkelingen van zijn tijd. Hij was bevriend met een aanhanger van de Reinlevenbeweging en bezocht vergaderingen van de socialistische partij van Domela Nieuwenhuis. Hij trouwde met de eerste vrouwelijke dominee van Nederland, Anna Zernike en kwam in contact met een mecenas in Den Haag, die hem geregeld tijdschriften op het gebied van de moderne kunst toestuurde. Toch moet dit alles, in artistiek opzicht, grotendeels aan hem voorbijgegaan zijn. De kunst van Mankes is niet hemelbestormend en grensverleggend. Hij is als kunstenaar altijd, letterlijk en figuurlijk, dicht bij huis gebleven. Zijn onderwerpen zocht hij in zijn directe omgeving, want ze moesten voldoen aan de voorwaarde dat hij er een emotionele band mee had. Dat was het geval met zijn ouderlijk huis, zijn vader, zijn eigen huis, zijn vrouw, zijn huisdieren, het huis van de buren en de omgeving waarin hij wandelde. Zijn onderwerpen moest hij door en door kennen, 'om zijn eigen ziel erin te kunnen leggen', zoals hij zei.

Zijn manier van schilderen is min of meer realistisch. In beginsel schilderde hij wat hij zag en gaf dit zo natuurgetrouw mogelijk weer. Daarbij bekommerde hij zich nauwelijks om de vormproblemen waardoor de vertegenwoordigers van het modernisme uit de grote kunstcentra zo geobserdeerd waren. Toch voegde hij iets toe aan de loutere weergave van de werkelijkheid. Het oppervlak van de dingen lijkt bij hem vaak transparant, van parelmoer, stralend door een innerlijk licht. Misschien doelde hij daarop, toen hij zei dat hij in een schilderij zijn eigen ziel probeerde te leggen.

Mankes' schilderijen zijn klein van formaat, doorgaans niet hoger of breder dan twintig centimeter. Dat heeft te maken met de bewerkelijke techniek die hij toepaste, juist om dat effect van transparantie te bereiken. Hij deed wel een paar maanden over zo'' schilderijtje. Hij bracht onderlagen aan, veegde deze weer gedeeltelijk weg, ruwde de verf op, vulde met een fijne kwast de groefjes in het linnen, schuurde overtollige verf met puimsteen weg, enzovoort.

Vanaf het begin van zijn bezigheid als vrij kunstenaar was er belangstelling voor zijn werk. Bovendien ondervond hij sedert 1909 de steun van de Haagse kunsthandelaar J.C. Schüller, en via hem kwam hij in contact met A.A.M. Pauwels, een sigarenfabrikant uit Den Haag, die veel belangstelling voor zijn werk aan de dag legde. Pauwels zond hem per post of per bode alles wat hij voor zijn werk nodig had. Dit contact had een levendige briefwisseling tussen 1910 en 1918 tot gevolg. In de van de schilder bewaard gebleven brieven leest men hoe hij zijn vriend, mecenas en bewonderaar op de hoogte houdt van de gemaakte vorderingen en hem bedankt voor de voortdurend volgehouden zendingen.

Den Haag 1911 - 1912
De Knipe (Heerenveen) 1912

Van 1912 af gaat Jan Mankes zich metterdaad met grafiek bezighouden: aan het einde van dat jaar weet hij een tweedehands etspers te bemachtigen. Onder invloed van het werk van de Japanse schilder en prentkunstenaar Hokusai, dat hij in 1913 onder ogen krijgt, zet hij zich aan het maken van houtsneden.

In 1913 leert hij zijn vrouw kennen, Annie Zernike, de eerste vrouwelijke doopsgezinde predikant in Nederland, met standplaats De Knijpe.

Mankes schreef hierover aan een vriend: ,,Het wondere is gekomen. Zoo ineens en zoo plotseling dat ik het zelf nog niet bevatten kan. Ik ben verloofd! Mijn meisje is de dominee van Boven-Knijpe en heet Annie Zernike. Je zult haar leren kenne en dan zul je weten wat voor grootsch en heerlijks dat voor mij betekent.'

Gehuwd op 30-9-1915 met Anne Zernike, predikante. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.
Annie was een lieve, vrome en intelligente vrouw die in 1918 een doctorsgraad aan de theologische faculteit van Amsterdam haalde.

Den Haag 1915 - 1916
Na hun huwelijk wonen zij eerst enige tijd in Den Haag: Mankes wil de zee en het strand schilderen.

Eerbeek (Brummen) 1916 - 1920
In september 1918 verhuizen zij naar Eerbeek in Gelderland om in de bosrijke omgeving verlichting te vinden voor de tuberculose waaraan Jan is gaan lijden. In 1918 wordt hun zoon Beint geboren. Aan het eind van het jaar wordt Jan Mankes bedlegerig; hij overlijdt na een ziekbed van anderhalf jaar op 23 april 1920 te Eerbeek.

Zijn gehele oeuvre, ontstaan tussen 1907 en 1918, omvat ongeveer 150 schilderijen, merendeels op kleine formaten, een 100-tal tekeningen en ruim 40 bladen grafiek, voornamelijk etsen en houtsneden.

Relevante verwijzingen: http://www.inghist.nl/ http://www.dewieger.nl/


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 306.