kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 21-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Jan Montyn

Jan Montijn

Graficus, schilder en tekenaar van landschappen en non-figuratief werk, geboren 13 november 1924 in Oudewater.

“Op vuil en mest groeit de mooiste bloem van de wereld: de lotus.”

Als beeldend kunstenaar is Jan Montyn bekend in binnen- en buitenland. Duizenden prenten zijn aangekocht door particuliere verzamelaars en musea in Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten, Thailand, Japan en Nederland. In Nederland is zijn werk opgenomen in de collecties van onder andere het Stedelijk Museum in Amsterdam, het Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam en de Rijksdienst voor de Beeldende Kunst in Den Haag, Parijs (Bibliotheque nationale) en New York (Museum of modern art).

In artistiek opzicht is Jan Montyn autodidact. Montijn is vooral bekend als etser, in de trant van Anton Heyboer, die hem zijn eerste etspers schenkt. Maar daarnaast heeft hij ook altijd geaquarelleerd, geschilderd, getekend en gedicht.

biografie
Jan Montyn, (ook wel Jan Montyn), werd in 1924 in een streng gereformeerd gezin te Oudewater geboren. Zijn vader was huis- en decoratieschilder van beroep. Op zondag twee a drie keer naar de kerk gaan is de regel. In de kerk preekt vader Montyn, die ouderling is, regelmatig uit een boek met standaardpreken. Montyn heeft verder een normale jeugd, waarin hij zich weliswaar enigszins afzet tegen de geloofsovertuiging van zijn ouders, maar verder geen ernstige conflicten heeft.

Jan, als oudste zoon, leek voorbestemd zijn vader in diens bedrijf op te volgen. Als jongen ging Montyn dikwijls met zijn vader mee en leerde hij uit mineralen de pigmenten voor kleuren te bereiden. Daarbij ontwikkelde hij een voorkeur voor de kleuren omber, oker, sienna en Pruisisch blauw. Als hij van school komt, gaat hij bij zijn vader in het bedrijf.

Hij heeft last van tuberculose en moet geregeld kuren. Hij tekent veel en als blijkt dat Montyn tekentalent bezit, brengt een bevriende vertegenwoordiger in verfmaterialen hem in aanraking met de bekende Haagse kunstcriticus H.P. Bremmer. Deze is onder de indruk van zijn werk en spoort hem aan hard te werken en veel te oefenen. In 1939 volgt hij een avondcursus aan de tekenschool.

Jan Montyn rebelleert in toenemende mate tegen de beklemmende calvinistische sfeer van zijn omgeving. Hij en zijn vader worden uitgescholden voor 'Moffenvrienden', omdat zijn vader als ouderling in een preek heeft gezegd dat elk door God gegeven gezag, dus ook de Duitse overheid, gehoorzaamd moet worden. Jan is vaak bij de Jeugdstorm (de jeugdorganisatie van de NSB) te vinden, mede omdat hij in zijn puberteit gevoelens voor jongens begint te krijgen. Hij onttrekt zich vervolgens niet aan een jaar arbeidsdienst, ondanks de protesten van zijn ouders, die geldt als vervanging van de dienstplicht.

Bijzonder spannend en avontuurlijk vindt hij de twee Weersportkampen in Oostenrijk, waarvoor hij zich samen met zijn vriend Hein vrijwillig heeft opgegeven. Hij gaat zo goed om met Hein, dat de andere Hollandse jongens in het kamp hen voor mietjes uitmaken. Van een homo-erotische verhouding is echter nauwelijks sprake tussen hen. De harde training door invalide frontsoldaten bevalt hem zo goed dat hij meteen tekent voor een nog zwaarder vervolgkamp van twee maanden. Bij de plaatselijke vrouwen zijn de jongens erg in trek (er is een groot mannentekort vanwege de oorlog). Jan doet zijn eerste seksuele ervaringen op; hij wordt zelfs door drie vrouwen verkracht.

In Oostenrijk leert Jan de echte oorlog kennen: hij krijgt opdracht een trein te laten ontsporen.

Na het tweede weersportkamp moet Jan in een fabriek in Duitsland werken. Dat bevalt hem slecht, evenals het aanhoudende luchtalarm, dat hem aanvankelijk verplichtte de schuilkelder in te gaan. Later doet hij dat niet meer, maar wacht hij de bombardementen bovengronds af. De zucht naar avontuur en de angst voor de Arbeidseinsatz brengen hem in 1944 tot het besluit voor de Duitse marine te tekenen. Hij ging het gevaar liever tegemoet dan het passief af te wachten. De sfeer tijdens de opleiding is gemoedelijker dan tijdens de weersportkampen. Na de cursus gaan ze niet naar zee, maar krijgen een spoedcursus mijnen opruimen te land. Plotseling worden ze toch op een schip geplaatst: een mijnenveger, die vanuit Dantzig een smalle vaargeul moet openhouden naar de Duitse havensteden aan de Oostzee.

Jan krijgt al spoedig met tegenslag en geluk te maken, want twee keer wordt zijn boot getorpedeerd en twee keer overleven Hein en hij deze aanslagen. Hierna worden ze omgeschoold tot frontsoldaat, omdat de marine niet genoeg schepen voorradig heeft. Hein en Jan worden naar Koerland gestuurd. Daar maken ze de loopgravenoorlog tegen de Russen mee. Het schieten en elkaar over en weer bespieden houdt alleen met kerst even op, Duitsers en Russen schudden elkaar dan de hand. Het is een barre en verschrikkelijke periode, die Hein niet overleeft. Jan stort hierdoor in en wordt ook nog getroffen door een granaat. Jan Montyn raakt zwaar gewond aan zijn hoofd en zijn handen en voeten bevriezen. Hij wordt opgelapt en op transport naar Flensburg gesteld. Daar komt hij uiteindelijk ook aan na onderweg opnieuw schipbreuk geleden te hebben. Dankzij de bijzondere zorg van de Marine-arts die zich tot hem aangetrokken voelt overleeft hij de tocht. In Flensburg is hij snel weer op de been. Daarna mag hij twee weken op verlof naar Oudewater.

In Oudewater bemerkt hij weer de ‘kleinburgerlijke' sfeer, die hem zo benauwt. Op weg naar Klagenfurt, waar hij zich na zijn verlof moet melden, maakt hij nabij Dresden een bombardement op de stad mee. Hij wordt er ingezet bij het puin ruimen en het (meestal) tevergeefs zoeken naar overlevenden.

Het einde van de oorlog beleeft Montyn aan de Oder, waar een front tegen de Russen is gevormd. Als de Russen massaal de Oder oversteken, vlucht Montyn in de richting van de Amerikanen, die hem krijgsgevangen maken. Met slechts vier overlevenden van de tweehonderd kameraden geeft hij zich aan de Amerikanen over. Als krijgsgevangene hoort hij voor het eerst over het bestaan van concentratiekampen en massale jodenvervolgingen. Hij is diep onder de indruk.

In een bewaard gebleven schetsboek uit die tijd heeft Montyn de verschrikkingen van de oorlog in sterk geabstraheerde beelden vertaald.

Samen met een Belg, die vrijwilliger is geweest bij de Waffen-SS ontsnapt hij uit het kamp en meldt zich in Straatsburg bij het Vreemdelingenlegioen, samen met circa vijftig Duitsers, zodat de voertaal Duits is. Het bevalt Jan slecht en als hij, klaar voor vertrek naar Indo-China om tegen de Japanners te vechten, kennis maakt met een barmeisje, besluit hij bij haar te blijven en te deserteren. Uiteindelijk komt hij in kamp Vught terecht, waar de bewakers van de B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) de gevangenen bijzonder slecht behandelen. Daarna wordt hij berecht en krijgt hij de lichtste straf: drie jaar met aftrek van voorarrest in een heropvoedingsgesticht. Van een in die tijd bekende restaurateur leert hij de beginselen van het restaureren en de techniek van het kopiëren van schilderijen.

Op vijf mei 1948 keert hij als vrij man terug naar het schildersbedrijf in Oudewater. In de wintermaanden volgt hij een vakopleiding aan de Utrechtse schilderschool. Hij houdt het twee jaar vol. Twee jaar waarin een vriend van zijn vader, die zelf nog in de traditie van de Haagse School schildert, hem ook les geeft in het vrije schilderen.

Hij kan zijn draai in het burgermansbestaan echter niet vinden. Als in 1950 vrijwilligers worden gevraagd voor het Nederlandse aandeel in de troepenmacht van de UNO in Korea, meldt Montyn zich. Onder de vrijwilligers zitten vogels van diverse pluimage: oud SS-ers, oud-verzetsmensen, oud-KNIL-militairen enz. In Korea raakt hij opnieuw aan zijn hoofd gewond en hij belandt in een hospitaal in Tokio. Bij zijn revalidatie in Japan krijgt hij steun van de jonge Japanse Yoshika. Wanneer ze zwanger wordt, trouwen ze. Bij zijn vertrekt scheidt hij weer van haar en gaat terug naar Nederland, waar hij, anders dan in 1945, als held wordt ontvangen.

In 1952 keert hij naar Nederland terug. Zijn vader heeft inmiddels het schildersbedrijf verkocht en Montyn begint aan een opleiding als beroepsmilitair in Weert, waar Montyn het tot sergeant schopt. Hier pakt hij ook het tekenen weer op: hij ontwerpt studiemateriaal voor de opleiding maar verbeeldt ook zijn oorlogservaringen.

In Nederland wordt hij ingezet bij de watersnoodramp in 1953.

Ingedeeld bij het ´Garderegiment Grenadiers´ in Vught, krijgt hij de opdracht de historische collectie van dit onderdeel te inventariseren, te restaureren, aan te vullen en in een klein museum onder te brengen. Het gevolg was dat ook het ´Korps der Mariniers´ een museum wilde inrichten en dat andere musea hem restauratie-opdrachten gaven. In deze tijd begint hij ook met het maken van oud-lijkende schilderijen, die hij als echt verkoopt.

Intussen ging het met Montyn zelf niet zo goed. Zijn spanningshonger stilt hij met het organiseren van orgiën voor rijke notabelen, dwingt militairen seksueel verkeer met hem te hebben en glijdt steeds verder af. Depressies en agressieve buien wisselden elkaar af, en zijn slechte geweten knaagt aan hem omdat hij aan de kant van de Duitsers heeft gevochten. Hij krijgt last van angstdromen, woedeaanvallen en psychoses. Dan doet een rekruut er aangifte van dat Jan bij hem in bed is gaan liggen. Hij wordt opgepakt, veroordeeld, en krijgt een status-5, wat inhoud dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard wordt en volledig voor militaire dienst wordt afgekeurd.

Zijn drankmisbruik neemt steeds grotere proporties aan en na een mislukte zelfmoordpoging in 1956 werd hij opgenomen in het Utrechtse psychiatrische ziekenhuis. Een jaar lang schreef Montyn zijn oorlogservaringen van zich af. In het atelier dat hij daar tot zijn beschikking kreeg tekende en schilderde hij ook.

Als hij in 1957 weer uit de kliniek ontslagen wordt, vertrekt hij, zonder vast omlijnde plannen naar Amsterdam. In Amsterdam bezoekt Montyn veel tentoonstellingen die de eigenzinnige directeur Sandberg in het Stedelijk Museum organiseerde, en langzamerhand rijpt bij hem het idee om zelf kunstenaar te worden. Montyns eerste atelier was op de Zeedijk, maar na korte tijd verhuist hij naar Oude Zijdskolk 28. Op dit legendarisch geworden adres, een zes verdiepingen tellend pakhuis, woont hij acht jaar met kunstenaars als Reinier Lucassen, Zoltan Peeter, Wolters en Harry Huisman. Deze eerste jaren in Amsterdam maakt hij vooral schilderijen en aquarellen in een traditionele, figuratieve stijl.

In Amsterdam komt ook zijn biseksualiteit tot uiting. Hij komt enigszins tot rust komt in zijn liefde voor de joodse wees Thom (een weggelopen 18-jarige psychiatrische patiènt), die over een bijzonder ets-talent bleek te beschikken. Na drie jaar was de jongen vertrokken en had zelfmoord gepleegd. Hij vat dan liefde op voor de meer dan twintig jaar jongere Sonja, was met haar naar de Provence getrokken, waar hij vier jaar met haar had gewoond. Uiteindelijk trouwt hij met de bijna 30 jaar jongere Indonesische galeriehoudster Hi-en. Na enige tijd was een dochter geboren, Carolynne.

1957 De eerste reizen naar Azië maakt hij op verzoek van de organisatie ´Terre des hommes´, als begeleider van kindertransporten uit Azië naar Europa. Voor Montyn betekenen ze opnieuw een confrontatie met het verschijnsel oorlog. Daar wordt hij door de Vietnamese politie opgepakt omdat hij zonder stempel van Noord- naar Zuid-Vietnam is gereisd. Ternauwernood wist hij aan executie te ontsnappen. Toen hij enkele weken later op reis was met een groep zwaargewonde kinderen, van wie er tien tijdens de vlucht stierven, had hij besloten voorgoed met de kindertransporten en met schilderen te stoppen, zijn bezittingen te verkopen en zich in een klooster terug te trekken.

Anton Heijboer
In 1958 bezoekt Montyn en tentoonstelling van Anton Heyboer in het Stedelijk Museum. Montyn was zeer onder de indruk van dit werk en dat leidde tot een geregeld contact tussen beide kunstenaars. Heyboer schonk Montyn zijn eerste etspers en zag dat de etstechniek beter dan het schilderen paste bij de denkwijze van Montyn. Montyn was het daarmee eens: ´....ik wil kunnen vertellen wat ik te vertellen heb, spontaan en direct. Met de etsnaald op hard metaal en elke lijn die gezet wordt, is onuitwisbaar. Ook de foute lijnen. Dat ligt me beter, dan de zachte streek van het penseel. Het weerbarstige van het metaal en het tevoorschijn komen van wat je andersom gedacht hebt, dat spiegeleffect fascineerd me enorm.´

Het tekenen op een zinken of koperen plaat ziet Jan Montyn als een soort schrijven, waar geen taal aan te pas komt en dat overal op de wereld begrepen wordt. Montyn tekende net als Heyboer met een spijker of een schroevedraaier op kleine platen zink en maakte niet meer dan vier tot zeven afdrukken op slecht papier. Hij bewerkte de plaat met onverdund zoutzuur, dat hij vijf tot tien seconden liet uitbijten: een heel spontane manier van werken met een direct resultaat, waarbij de invloed van Anton Heyboer duidelijk te herkennen is. Van de vele experimenten uit deze begintijd is helaas weinig overgebleven. In de eerste etsen, vol magische lijnen en tekens worden een dreigend wereldbeeld en een oorlogsneurose zichtbaar gemaakt.

Langzamerhand worden de formaten groter en gaat Montyn kleuren in zijn etsen aanbrengen. Daarnaast experimenteert hij met een aantal kleine etsen, die hij tegelijkertijd op een grote plaat afdrukt.

Aanvankelijk werkt hij heel traditioneel en figuratief, maar aan het begin van de zestiger jaren kiest hij voor een gestileerde, vaak abstracte beeldtaal vol persoonlijke tekens en symbolen. Grafiek hanteert hij niet uitsluitend als een vermenigvuldigingstechniek, maar als een medium om te komen tot een eigen stijl met een eigen idioom. De eerste experimenten met de etstechniek worden zonder kleur uitgevoerd, maar langzamerhand wordt de kleur een wezenlijk onderdeel van zijn werk. Kleur, vorm, lijn en inhoud worden op monumentale wijze samengevoegd tot een geabstraheerde beeldtaal.

Op zinken platen werkt Montyn met gemengde etstechnieken zoals droge naald, aquatint en taille-douce. Montyn drukt zijn prenten altijd zelf in kleine oplagen. Het belangrijkste thema in zijn werk is het landschap, niet als picturaal gegeven, maar als de projectie van de menselijke emotie. Montyn mediteert als het ware over het landschap. Zijn verbondenheid met het landschap en de aarde blijkt ondermeer uit zijn voorkeur voor de kleur omber die voor hem de aarde en alles wat daarmee samenhangt symboliseert.

Tekeningen en schetsen zijn belangrijk voor Montyn. Zijn schetsboeken zijn te vergelijken met dagboeknotities; de etsen vormen hiervan soms een verwerking en nabeschouwing. Het belangrijkste thema in zijn werk is het landschap, niet als picturaal gegeven, maar als de projectie van de menselijke emotie.

Zijn technische experimenteerdrift brengt hem ook tot zijn eerste proefnemingen met de aquatint-techniek, waarbij hij een bitumineuze afdekgrond direct op de plaat schildert. In de afgedekte vlakken tekent hij met een scherp voorwerp. Kenmerkend voor het werk in deze periode is de ´spikkelmethode´, een effect van een vulkaanuitbarsting dat hij bereikt door harskorreltjes op de plaat te strooien. Ook ontwikkelt hij een methode waarbij hij met salpeterzuur direct op de plaat werkt. In 1961 en 1962 werkt hij deze technieken verder uit op steeds grotere zinkplaten.

In 1961 krijgt Montyn zijn eerste opdracht van Norbert Buchsbaum, directeur van galerie Arta in Den Haag. In deze tijd worden ook de eerste tentoonstellingen gehouden: in ´La maison du Chat qui pelote, de moderne boekhandel Bas in Amsterdam en Galerie Orez in Den Haag. In 1964 worden er ook tentoonstellingen in het buitenland gehouden; in Duitsland, Denemarken, de Verenigde Staten en Frankrijk. De bekende Parijse kunstverzamelaar Kahnweiler introduceert Montyn bij galerie Berggruen in Parijs, die in zijn collectie werk van hem opneemt.

In 1965 vertrekt Jan Montyn naar Zuid-Frankrijk, waar hij samen met Elja Julien een huis bouwt in Salernes, in de Provence. Na een impasse van een aantal maanden door de dood van Thom Gerrard, gaat hij weer aan het werk. Het zal echter tot 1969 duren voor hij zijn artistieke isolement weer opheft. In dit jaar worden er weer tentoonstellingen gehouden in o.a. Parijs en Amsterdam. Ook maakt Montyn opnieuw verre reizen. De ervaring van het vliegen, het los zijn van de aarde, fascineert hem enorm. Dat blijkt niet alleen uit titels van prenten, maar ook uit het gebruik van symbolen als vliegtuigen en vogels.

Het landschap in Zuid-Oost Azië en met name dat van Vietnam speelt in zijn prenten een heel andere rol. De rust en de schoonheid van het land plaatst hij tegenover het steeds weer oplaaiende oorlogsgeweld. Door zijn reizen naar het Verre Oosten wordt Montyns interesse gewekt voor het Boeddhisme en het Hindoeïsme. In kloosters in Japan, Nepal, Laos en Thailand, bestudeerde hij de geschriften van deze religies. Deze studies vormen de inspiratiebron voor zijn werken uit de periode 1966-1968 waaronder de boeken ´Reincarnation des Vishnu´ (1966) en ´Pour les Survivants´ (1968).

In Japan leert Montyn de kloostertuinen kennen, die bestaan uit rotsblokken en in grind en zand getrokken lijnen waarin de voortdurende beweging van de wereldzee weerspiegeld is. Hij is zeer onder de indruk van deze vormen en de gedachten die eraan ten grondslag liggen en ontwikkeld daaruit zijn eigen Zen-benadering.

Tijdens zijn reis naar Thailand in 1969 ontstaan de eerste monoprenten. Deze kleine etsen zijn met hele primitieve middelen ter plaatse gemaakt. Montyn bewerkte kleine stukjes zink, die hij zonder pers in verschillende kleuren op een helder blauw fond afdrukte. Hij roept in deze prenten een paradijselijke sfeer op. In Frankrijk terug gekeerd gebruikt Montyn de stukjes opnieuw, in combinatie met de droge naaldtechniek, voor zijn boek ´La Terre Endormie´ (1969).

Een heel andere techniek vinden we in een serie die ontstaat in de Provence. Het gaat hierbij om natuurimpressies in hele lichte kleuren gemaakt met de dunne lijnen van de burijn. Ook past hij weer combinaties toe van droge naald, diep ingebeten lijnen en meerdere gekleurde platen en teksten in spiegelschrift.

Een reis naar de Sahara in 1970 verandert opnieuw zijn kleurengamma. Montyn combineert een lichte ondergrond met losse vormen, zodat er een scherp contrast ontstaat. In het boek ´Ibel Sahro´ (1970) tekent hij woestijnimpressies, waarin de nadruk ligt op de bergcontouren en de onmetelijke ruimte van het landschap. In deze periode begint hij hoog en diep reliëf aan te brengen. Hoog reliëf bereikt hij door met zuur op een aantal plaatsen de plaat door te bijten, zodat er gaten in het zink ontstaan. Tijdens het drukken wordt alleen de bovenkant door inkt geraakt. Door de losse stukken ets-plaat op een grote plaat te leggen en ze tegelijkertijd af te drukken, ontstaat het diepe reliëf.

Tijdens een kerstoffensief in 1973 wordt de bevolking van Hanoi getroffen door een gruwelijk bombardement. Montyn maakt naar aanleiding van deze gebeurtenis een prent die hij opdraagt aan de bevolking van deze stad. Hij wil met deze prent een ´porte-bonheur´ zijn, een geluksbrenger. Montyn concipieert een eigen gelukbrengend teken in de vorm van een vaas: een teken dat als een kruik het geluk draagt en het goede bewaart. Deze ´porte-bonheur´, meestal omberkleurig, vinden we in zijn hele oeuvre terug. Voor de ontvanger van de prent wil zij een wens zijn voor vrede en geluk.

Tijdens zijn reizen naar Cambodja, Laos en Vietnam heeft Montyn bij voorkeur drie formaten schetsboeken, een flesje inkt en een rietpen bij zich. Met zijn schetsen tekent hij als het ware dagboekfragmenten van het oorlogsgebeuren. Een van die schetsboeken, ´Indochine´ (1974), wordt in 1978 uitgegeven door galerie Nouvelles Images in Den Haag. Dit schetsboek bevat 32 tekeningen en aquarellen, die heel sober van lijnvoering en toon zijn.

Tijdens een reis naar Indonesië in 1976 bracht hij een bezoek aan de 12e eeuwse tempel in Ambarawa. Tot zijn grote verbazing trof hij daar dezelfde simpele tekens aan, die hij in 1969 op zijn huis in Salernes had aangebracht. Deze ontdekking overtuigt hem opnieuw van het bestaan van universele tekens. In Indonesië ontstaat het boek ´Ramayana, Tari Kecak´ (´Dans der Apen´) met teksten van zijn vrouw Tjia Hi-en Nio.

De plaatsen waar vrede heerste en waar hij rust vond brengt Montyn samen in het boek ´Those Nine Silent Places´ (1978), dat als een hommage aan de vrede beschouwd kan worden. Voor deze uitgave schreef Montyn een aantal gedichten.

Een paradijselijke atmosfeer is ook terug te vinden in de prenten die Montyn maakte naar aanleiding van zijn reizen naar de Filippijnen en Indonesië in 1979 en 1980.

In 1979 en 1980 maakt Montyn samen met de fotograaf Jean Ruiter een tocht langs de oorlogsgebieden in Cambodja, Laos en de Mekong-rivier. Tien jaar nadat hij zijn eerste monoprenten drukte, maakte Montyn opnieuw een serie van deze prenten op klein formaat. In het boek ´Ambush´ (1979/1980) is er een terugkeer te constateren naar volledig monochrome platen met strakke eenvoudige figuren in de droge naaldtechniek.

Vanaf 1980 heeft Montyn drie min of meer vaste verblijfplaatsen, ieder met een eigen atelier: Bangkok, Salernes en Amsterdam. Hij verdeeld zijn tijd over deze plaatsen, maar zeker zes maanden per jaar woont en werkt hij in Azië.

Het landschap, een thema dat als een rode draad door zijn oeuvre loopt, blijft ook in deze periode van groot belang. In 1983 maakt hij met Cees Nooteboom het boek ´Paesagi Narrati´. Beide kunstenaars werken op een heel eigen manier met het landschap. Montyn vertaalt de menselijke emotie in de lijn van het landschap, terwijl Nooteboom het in de communicatie van de mensen onder woorden brengt.

In 1985 maakt Montyn een opmerkelijke portfolio over het Nederlandse landschap. Hij werkt dit thema afwisselend figuratief en abstract uit in etsen, tekeningen en gedichten.

Het reizen en werken in oorlogsgebieden blijft voor Montyn essentieel. Voor het komend jaar staat er weer een reis naar Vietnam en Cambodja op zijn programma samen met Jean Ruiter. Zij willen de veranderingen registreren die door het oorlogsgeweld zijn aangericht. Door middel van interviews, foto´s en tekeningen willen zij een beeld geven voor toekomst: voor de bevolking en het landschap. Ook bestaat er een plan een gezamenlijke reis te ondernemen naar de Filippijnen en de Stille Zuidzee. Het reizen en werken in oorlogsgebieden en zijn persoonlijke betrokkenheid bij het gebeuren in Azië maken het atelier van Montyn steeds groter: hij is nog lang niet uitgepraat.

Het leven van Montyn heeft zich sinds hij in 1944 tekende bij de Duitse marine in vele oorlogen afgespeeld, eerst de Tweede Wereldoorlog, daarna de Koreaanse. In het vroege werk zien we een donkere dreigende wereld, maar langzamerhand wordt de toon warmer en poetischer. Veel van zijn meditatieve kleuretsen zijn gemaakt temidden van het meest gruwelijke oorlogsgeweld in Zuid-Oost Azië. Montyn wil met zijn werk een ´portebonheur´ zijn, een geluksbrenger in tijden van bittere nood. Op zijn wel heel bijzondere manier verenigt Jan Montyn in zijn werk spiritualiteit en gevoel, leven en kunst.

Montyn / Dirk Ayelt Kooiman
Biografie van de Nederlandse kunstenaar (geb. 1924), waarin zijn oorlogservaringen centraal staan.
Fragmenten uit dit boek verschenen op 12 januari 1980 in de wekelijkse bijlage van Vrij Nederland. - 1e dr.: 1982. Dit boek werd geschreven aan de hand van de vraaggesprekken die gehouden werden tussen november 1979 en juni 1982.
De auteur laat zijn ik-figuur, Jan Montyn, zijn levensverhaal vertellen in een vermenging van documentaire en roman. Boeiend is de lawine van deels ontstellende gebeurtenissen zeker. Vreemd is dat men hier weinig leest over de slachtoffers van het fascisme. En de hoofdfiguur blijft met zijn ongelooflijke onrust en ongerichtheid, ook in vriendschap en liefde, een voor vele lezers waarschijnlijk moeilijk te begrijpen figuur. Paperback; kleine druk, krappe marge.

Websites:
. http://www.janmontyn.com/
. www.montyn.nl
. www.janmontyn.net


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 1173.