kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Jan Veth

Nederlands schilder, etser, lithograaf, tekenaar, boekdecoratie-ontwerper, auteur, prozaschrijver, kunsthistoricus, criticus, dichter. Leraar van Johan Cohen Gosschalk.

biografie
Geboren te Dordrecht 18 mei 1864, gestorven in Amsterdam 1 juli 1925,

Zoon van Gerrardus Huibert Veth, ijzerhandelaar, en Anna Cornelia Giltay. Neef van Cornelis Veth (de criticus).

tekenlessen
Reeds op jeugdige leeftijd kreeg Veth, die geboren werd als zevende kind in een artistiek en intellectueel ingesteld gezin, tekenlessen van de schilder Johannes Rutten. Gedurende zijn HBS-tijd werden deze lessen vervolgd onder leiding van de tekenleraar Adrianus Jacobus Terwen.

De keuze van Jan Veth om schilder te worden, ontmoette thuis weinig weerstand. Zijn ouders kwamen uit families van edelsmeden en graveurs; z'n vader deed bovendien als amateur-historicus onderzoek naar zeventiende-eeuwse Dordtse schilders.

Rijksakademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam
Hij studeerde van 1880-1885 bij August Allebé aan de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Hier raakte de jonge kunstenaar bevriend met diverse medeleerlingen, onder wie Antoon Derkinderen, Willem Witsen en Jacobus van Looy. Reeds in 1881 werd Veth secretaris van het door enige studenten van de Academie opgerichte kunstenaarsgezelschap Sint Lucas.

Laren
Tegen het einde van zijn leerjaren kwam hij in contact met de schilder Anton Mauve, met wie hij in 1885 in Laren ging werken, nadat hij in de zomer van dat jaar had besloten de Academie te verlaten.

Het portret
In deze periode schilderde hij veel landschappen, maar legde hij ook reeds een bijzondere voorliefde voor het portret aan de dag. Aanvankelijk dienden familieleden en vrienden als model, maar al spoedig kreeg hij ook enige opdrachten. Veth ontwikkelde zich tot een zeer kundig portretschilder, die grote natuurgetrouwheid nastreefde. Zijn voorbeeld was de zestiende-eeuwse portretkunst uit Nederland en Duitsland. Vooral voor Albrecht Dürer (1471-1528) en Hans Holbein (1497/8 -1543) had hij bewondering.

Beweging van Tachtig
Veth raakte in deze jaren bevriend met enige letterkundigen uit de kring van de Tachtigers, zoals Albert Verwey, Willem Kloos, Franc van der Goes en Frederik van Eeden, en werd een medewerker van De Nieuwe Gids, waarin hij sonnetten en kleine polemische artikelen onder diverse pseudoniemen (in het bijzonder onder het pseudoniem I.N. Stemming) publiceerde.

Werkte mee aan de mystificatie Julia.
Kloos en Verwey toonden De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek (1886) aan naar aanleiding van de recensies van hun mystificatie Julia, een verhaal van Sicilië (1885), zogenaamd geschreven door Guido.

Vanaf 1887 verschenen er in De Nieuwe Gids ook grotere kunstkritische bijdragen. Zijn gedegen kritieken pleitten voor de erkenning van het Amsterdamse impressionisme waartoe hij als schilder overigens nauwelijks behoorde, maar ook voor velerlei andere vernieuwingsverschijnselen in binnen- en buitenland ( Van Gogh, Derkinderen, Redon (1887)).

Aan de ontwikkeling van de boekverzorging had Veth een belangrijke bijdrage geleverd door zijn bandontwerp van De Kleine Johannes van Frederik van Eeden (1887), dat beschouwd kan worden als de directe voorloper van de Nieuwe-Kunstboekverzorging in ons land.

Bussum
in 1888 kwam hij naar Bussum. Zijn atelier werd de verzamelplaats van een gemengd aantal kunstenaars. Behalve de schilders kwamen daar ook figuren als Herman Gorter en de componist Alphons Diepenbrock regelmatig op bezoek. Als schilder, tekenaar en graficus legde hij zich meer en meer toe op de portretkunst; hij voerde een reeks portretopdrachten uit en vervaardigde daarnaast beeltenissen van familieleden en vrienden.

Gehuwd op 10-8-1888 met Anna Dorothea Dirks. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 dochter die jong overleed, 1 zoon en 3 dochters geboren.

De Amsterdammer
In deze jaren werkte Veth ook als kunstcriticus voor De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland.
Tot zijn invloedrijkste publikaties behoren Derkinderens wandschildering in het Bossche stadhuis (Amsterdam, 1892), een belangrijke bijdrage tot de theorievorming van de Nieuwe Kunst in Nederland, en zijn Nederlandse bewerking van Waker Crane, Claims of decorative art, die verscheen onder de titel Kunst en samenleving (Amsterdam, 1894).

lithografische portretten
In de jaren tachtig was Veth, die in 1884 een der oprichters was van De Nederlandsche Etsclub, actief als etser, maar na 1890 ging hij zich meer en meer bezighouden met de vervaardiging van litho's.
Van groot belang is zijn reeks lithografische portretten `Bekende tijdgenooten', eerst voor het weekblad De Amsterdammer (1891-1894), daarna voor De Kroniek van P.L. Tak (1895-1898), waarin naast Nederlanders ook buitenlandse beroemdheden werden opgenomen.
Met deze reeks van meer dan zestig gelithografeerde portretten leverde de kunstenaar een belangrijke bijdrage aan de herleving van de voordien veelal verguisde litho als kunstvorm. Mede door zijn gelithografeerde afbeeldingen van tijdgenoten werd hij een van de bekendste kunstenaars van zijn tijd.

In het Rijksmuseum (1894),

Berlijn
Als schilder portretteerde Veth vele Nederlandse professoren en later ook tal van vooraanstaande zakenlieden. Zijn schilderijen worden gekenmerkt door een sobere en nogal lineaire stijl, die een aanwijzing vormt dat Veth meer tekenaar dan schilder is. Karakteristiek voor al zijn portretten is de scherpe observatie en weergave van de modellen. Vanaf 1896 vertoefde de kunstenaar regelmatig enkele maanden in Berlijn voor het uitvoeren van portretopdrachten; pas in 1915 kwam er een einde aan deze werkzaamheden in Duitsland.

In 1897 was hij medewerker van A.J. Derkinderen en M. van Regteren Altena.

kunstcriticus
Rond de eeuwwisseling was hij een van de eerste echte kunstcritici. Als vriend en geestverwant van de Tachtigers werkte hij onder pseudoniemen (Henric van Gooyen, Samuel, Samuel van Hoogstraten (Sv.H.), J. Staphorst, G.H.C. Stemming, Van Doornik en de Kempenaere). Als kunstcriticus publiceerde hij in De Nieuwe Gids, De Gids, Onze Kunst, de Nieuwe Rotterdamsche Courant en De Twintigste Eeuw.

Rembrandt
Als schrijver ging hij voort met de publikatie van artikelen en boeken over het werk van tijdgenoten, onder andere over de door hem zeer bewonderde Jozef Israels, maar daarnaast richtte hij zijn aandacht ook meer en meer op de oude kunst. Hierbij stelde hij zijn kunstenaarsstandpunt tegenover dat van de kunsthistorici, die hij niet tot oordelen over kunst bevoegd achtte. Hij publiceerde onder andere over Rembrandt een boek en diverse artikelen. Tevens bracht hij een verzameling etsen van Rembrandt bijeen, die hij in 1915 verkocht aan het Rembrandthuis te Amsterdam, waarvan hij vanaf 1907 bestuurslid was geweest. Bij de Rembrandt-herdenking van 1906 werd Veth samen met enkele andere Rembrandt-kenners, onder wie zijn kunsthistorische opponent C. Hofstede de Groot, door de Universiteit van Amsterdam geëerd met een eredoctoraat.

Kunstbeschouwingen (1904)
Hollandsche teekenaars van dezen tijd (1905)
Rembrandts leven en kunst (1906, verscheen in 1908 in een Duitse vertaling)
Portretstudies en silhouetten (1908),

Engeland en New York
Voor het maken van portretten verbleef hij in 1909 ook enige tijd in Engeland en maakte hij in 1909 en 1910 twee reizen naar New York.

De Gids
In 1914 trad hij toe tot de redactie van De Gids, in welk tijdschrift hij ook regelmatig gedichten publiceerde.

Bedreigde schoonheid, 1916
Waarin Veth actief was als verdediger van het bedreigde stedeschoon. zie Hoogleraar kunstgeschiedenis en esthetica
In 1917 werd Veth buitengewoon hoogleraar in de kunstgeschiedenis en esthetica aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam, terwijl hij tevens zitting had in tal van besturen en commissies, zoals de Monumenten-commissie, de Vereeniging Hendrick de Keyser en de Rijkscommissie van advies inzake reorganisatie van het Museumwezen.

Albrecht Dürers niederländische Reise 2 dln. (1918, met S. Muller Fz.),
Beelden en groepen(1919),
De zwerver spreekt (1920)(gedichten),

Intussen ging hij als een van de beste, maar zeker ook een van de meest gewaardeerde portretschilders van zijn tijd voort met de uitvoering van talrijke portretopdrachten. Ook werd hij belast met andere opdrachten, zoals die voor een postzegelontwerp (1923). Gedurende een enige maanden durende vakantiereis naar Nederlands-Indië in 1921/1922 vervaardigde hij een reeks landschapstekeningen, terwijl hij nu en dan ook enige geschilderde landschappen maakte.

In het voorjaar van 1924 verhuisde Veth uit Bussum naar Amsterdam; later in hetzelfde jaar legde hij om gezondheidsredenen zijn hoogleraarschap neer en trok hij zich terug uit diverse andere functies. De opdracht tot vervaardiging van portretten van de koninklijke familie gaf hij in juni 1925 in verband met zijn snel achteruitgaande gezondheid terug; nadat een geslaagde galoperatie enige hoop op herstel gegeven had, overleed hij op 1 juli, 61 jaar oud.

Jan Veth beschikte een groot deel van zijn leven over grote energie, die tot uiting kwam in zijn vele werk als beeldend kunstenaar, kunstcriticus, docent, dichter en bestuurder. In al die werkzaamheden wist hij, zoals dat later werd beschreven, optimisme met realisme te combineren. Zijn houding ten opzichte van zijn medemensen werd doorgaans gekenmerkt door een open instelling, een eigenschap die hem zeer te stade kwam bij de omgang met door hem te portretteren personen. In de verdediging van zijn opvattingen, vooral betreffende kunst, was hij echter vaak zeer fel en maakte hij zelfs soms een agressieve indruk.

Veths meest blijvende verdienste ligt in het door hem nagelaten oeuvre van geschilderde en grafische portretten en daarnaast in de wijze waarop hij als kunstcriticus het werk van vele kunstenaars en vooral van zijn tijdgenoten verdedigde en verklaarde.

Een veronachtzaamd hoofdstuk uit onze beschavingsgeschiedenis der zeventiende eeuw (1928).

RKD Images, www.dbnl.org


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 2034.